Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:4717
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
14,854 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 text/xml public 2026-05-18T16:30:10 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13-279805-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 text/html public 2026-05-18T14:59:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13-279805-25 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Tussenuitspraak. Effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank acht zich niet voldoende geïnformeerd over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming. Aanvullende vragen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-279805-25 Datum uitspraak: 13 mei 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 31 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsvrouw van de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken aan het openbaar ministerie over een doorzoeking en/of verhoren die in 2024 hebben plaatsgevonden, zodat het openbaar ministerie de rechtbank op de volgende zitting meer duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of al dan niet sprake is van een dubbele vervolging in het kader van artikel 9, eerste lid onder a OLW (ne bis in idem). Ook heeft de rechtbank de raadsvrouw medegedeeld dat, indien zij wil dat de rechtbank acht slaat op de niet vertaalde brief van EPPO van 17 december 2025, zij zorg moet dragen voor een officiële vertaling. Zitting van 7 januari 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling, voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, zijn door middel van een videoverbinding aanwezig. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 14 januari 2026 Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Voorts heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of het Duitse strafrechtelijk onderzoek waarvan sprake is in het EAB ook ziet op de in de door de officier van justitie overgelegde e-mail van 17 oktober 2025 omschreven verdenkingen in Nederland. De rechtbank heeft in dit verband haar beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW aangehouden tot er duidelijkheid bestaat over mogelijke overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon en de feiten als genoemd in het EAB. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 4 maart 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers. Tussenuitspraak van 18 maart 2026 Bij tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 30 april 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. W.R. Jonk en S.M. Hof, advocaten in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Tussenuitspraken van 14 januari 2026 en 18 maart 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.2), de strafbaarheid (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft de Duitse detentieomstandigheden (onder 8). De rechtbank stelt verder vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 al is geoordeeld over de facultatieve weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW (onder 5) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover in de tussenuitspraken heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3.1 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 en onder 4 van de tussenuitspraak van 18 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Op 3 maart 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voorgelegd: “ The proportionality of the EAW is not confirmed by a judge, but can a requested person have a judge examining the proportionality of the EAW (in an appeal, summary proceedings or any other way) after the issuance of the EAW / his arrest on the EAW but before the actual surrender of the requested person to Germany? And the judge who issued the national arrest warrant has not decided anything on the necessity of, or even the possibility of, the issuance of an EAW? ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 5 maart 2026 - voor zover relevant - als volgt geantwoord op de vragen van het IRC: “ The decision on the necessity of a European arrest warrant, which is only a search measure and not the fundamental decision on the necessity of ordering pre-trial detention, is made in Germany by the Delegated European Public Prosecutor, (in EPPO cases) not a judge.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 text/xml public 2026-05-18T16:30:10 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13-279805-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 text/html public 2026-05-18T14:59:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4717 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13-279805-25 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Tussenuitspraak. Effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank acht zich niet voldoende geïnformeerd over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming. Aanvullende vragen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-279805-25 Datum uitspraak: 13 mei 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 31 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsvrouw van de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken aan het openbaar ministerie over een doorzoeking en/of verhoren die in 2024 hebben plaatsgevonden, zodat het openbaar ministerie de rechtbank op de volgende zitting meer duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of al dan niet sprake is van een dubbele vervolging in het kader van artikel 9, eerste lid onder a OLW (ne bis in idem). Ook heeft de rechtbank de raadsvrouw medegedeeld dat, indien zij wil dat de rechtbank acht slaat op de niet vertaalde brief van EPPO van 17 december 2025, zij zorg moet dragen voor een officiële vertaling. Zitting van 7 januari 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling, voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, zijn door middel van een videoverbinding aanwezig. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 14 januari 2026 Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Voorts heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of het Duitse strafrechtelijk onderzoek waarvan sprake is in het EAB ook ziet op de in de door de officier van justitie overgelegde e-mail van 17 oktober 2025 omschreven verdenkingen in Nederland. De rechtbank heeft in dit verband haar beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW aangehouden tot er duidelijkheid bestaat over mogelijke overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon en de feiten als genoemd in het EAB. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 4 maart 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers. Tussenuitspraak van 18 maart 2026 Bij tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 30 april 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. W.R. Jonk en S.M. Hof, advocaten in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Tussenuitspraken van 14 januari 2026 en 18 maart 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.2), de strafbaarheid (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft de Duitse detentieomstandigheden (onder 8). De rechtbank stelt verder vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 al is geoordeeld over de facultatieve weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW (onder 5) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover in de tussenuitspraken heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3.1 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 en onder 4 van de tussenuitspraak van 18 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Op 3 maart 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voorgelegd: “ The proportionality of the EAW is not confirmed by a judge, but can a requested person have a judge examining the proportionality of the EAW (in an appeal, summary proceedings or any other way) after the issuance of the EAW / his arrest on the EAW but before the actual surrender of the requested person to Germany? And the judge who issued the national arrest warrant has not decided anything on the necessity of, or even the possibility of, the issuance of an EAW? ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 5 maart 2026 - voor zover relevant - als volgt geantwoord op de vragen van het IRC: “ The decision on the necessity of a European arrest warrant, which is only a search measure and not the fundamental decision on the necessity of ordering pre-trial detention, is made in Germany by the Delegated European Public Prosecutor, (in EPPO cases) not a judge.
Volledig
(…) Pursuant to Article 33(2) of COUNCIL REGULATION (EU) 2017/1939 of 12 October 2017 implementing enhanced cooperation on the establishment of the European Public Prosecutor's Office, the Delegated European Prosecutor is authorised to issue a European arrest warrant. (…) Pursuant to Section 6(2) sentence 2 of the German European Public Prosecutor's Office Act (EUStAG), the Delegated European Prosecutor in charge of the investigation shall decide on the issuance of the European arrest warrant. The person concerned has the option of challenging the national arrest warrant on which the European arrest warrant is based in Germany by lodging an appeal. This is what happened in the present case. The court of first instance has already decided to uphold the arrest warrant. The case is currently pending before the court of second instance for a decision. After that, there is the option of referring the case to the court of third instance. ” Naar aanleiding van het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het IRC op 5 maart 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “ During the appeal procedure in Germany regarding the national arrest warrant, was there mention of the (subsequently) issued EAW before or by the Court? Did the Court address the issuance of the EAW? Because if so, that might just be enough to constitute effective judicial protection before being surrendered. If not, it might be worth it to take a look at the national arrest warrant whether the issuance of the EAW is mentioned in that warrant. ” Op 9 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop het volgende geantwoord: “ European arrest warrants issued by a delegated European Public Prosecutor are decisions by the public prosecutor's office pursuant to Section 131 of the German Code of Criminal Procedure (StPO), which are subject to judicial review by the local court in accordance with Section 98(2) sentence 2 StPO. An appeal may be lodged with the regional court against the decision of the local court. The application for a court decision is possible before the person concerned is extradited. In the present case, the defence did not submit an explicit request for a court decision regarding the European arrest warrant. Without a request from the defence, the court will not rule. The defence has so far only challenged the national arrest warrant. ” Op 11 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in meerdere e-mailberichten de volgende informatie verstrekt: “ I have reviewed the letters from the defence counsel for the accused [opgeëiste persoon] once again. She has not filed a motion to review the European arrest warrant. It has only challenged the national arrest warrant with an appeal. No judicial review will take place ex officio, i.e. without a request from the defence. ” “ When issuing the national arrest warrant, the court was aware that Mr. [opgeëiste persoon] was not residing in Germany and that a Europe-wide search would be necessary to apprehend him. In this regard, the court implicitly examined and confirmed the necessity of a Europe-wide search and the associated issuance of a European arrest warrant. ” “ Incidentally, a request for a court ruling may be submitted by the defence at any time (without being bound by a deadline). ” Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft het IRC aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende door de rechtbank in deze tussenuitspraak geformuleerde vragen gesteld over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB: “ 1) Was it clear to the judge at the time of issuing the national arrest warrant that the requested person was residing abroad at that time and that, therefore, a European arrest warrant would (also) be issued? 2) If so, did the judge who issued the national arrest warrant rule on the proportionality of the subsequent issuance of the EAW? 3) If not, is there a possibility to have the proportionality of the issuance of the EAW reviewed by a judge in the issuing Member State before the actual surrender of the requested person to Germany takes place? ” Daarnaast heeft het IRC in de e-mail van 18 maart 2026 geschreven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit mogelijk in de eerdere correspondentie al antwoorden heeft gegeven op de vragen uit de tussenuitspraak van 18 maart 2026. Het IRC heeft daarom gevraagd of juist is begrepen dat de volgende antwoorden zijn gegeven op de vragen: “ Ad 1 and 2) “When issuing the national arrest warrant, the court was aware that Mr. [opgeëiste persoon] was not residing in Germany and that a Europe-wide search would be necessary to apprehend him. In this regard, the court implicitly examined and confirmed the necessity of a Europe-wide search and the associated issuance of a European arrest warrant.” (source: your e-mail of 11/03/2026 13:53) Ad 3) “European arrest warrants issued by a delegated European Public Prosecutor are decisions by the public prosecutor's office pursuant to Section 131 of the German Code of Criminal Procedure (StPO), which are subject to judicial review by the local court in accordance with Section 98(2) sentence 2 StPO. An appeal may be lodged with the regional court against the decision of the local court. The application for a court decision is possible before the person concerned is extradited. In the present case, the defense did not submit an explicit request for a court decision regarding the European arrest warrant. Without a request from the defense, the court will not rule. The defense has so far only challenged the national arrest warrant.” (source: e-mail of 9/3/2026 15:05). NB: the extract you send in that e-mail shows that section 98(2) is about seized objects and not surrender cases. Could it be that there is another legal basis for applying for a court decision when an EAW was issued? Or is there a referral provision that makes section 98(2) applicable to these cases? “ [opgeëiste persoon] defense council did not file a motion to review the European arrest warrant. It has only challenged the national arrest warrant with an appeal. No judicial review will take place ex officio, i.e. without a request from the defense.” (source: your e-mail of 11/3/2026 10:42). “Incidentally, a request for a court ruling may be submitted by the defense at any time (without being bound by a deadline).” (source: your e-mail of 11/03/2026 13:53). ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 20 maart 2026 hierop als volgt geantwoord: “ You have correctly understood the answers to questions 1 and 2. Re 3.: The review of the European Arrest Warrant is not carried out in accordance with Section 98(2) but by analogy with Section 98(2) of the German Code of Criminal Procedure. There is no paragraph that clearly says how a European Arrest Warrant should be reviewed by a court. I have attached a judgment from a German court (translated into English and Dutch using DeepL), which sets out the aforementioned possibility of review. The court (Regional Appeal Court of Celle) states: A European Arrest Warrant is a search instrument based on a national arrest warrant (…). It is equivalent to a request for extradition (…) and is also linked to an alert for the wanted person in the SIS, unless the alert for arrest for the purpose of extradition under the Schengen Convention is itself deemed to be a European arrest warrant pursuant to Section 83a(2) IRG. The legal basis for an arrest alert in the SIS is found in Section 131 of the Code of Criminal Procedure. Just as with a national search, an international search may also be based on Section 131 of the Code of Criminal Procedure, as the European Arrest Warrant constitutes an ‘arrest alert’ under the European Arrest Warrant Act of 20 July 2006. Warrants for arrest find their legal basis in Section 131 of the Code of Criminal Procedure (StPO). The fact that this authorization is limited to national search operations does not follow either from Section 131 stop itself or from the European Arrest Warrant Act, which, however, primarily regulates the execution of foreign European arrest warrants in Germany.
Volledig
(…) Pursuant to Article 33(2) of COUNCIL REGULATION (EU) 2017/1939 of 12 October 2017 implementing enhanced cooperation on the establishment of the European Public Prosecutor's Office, the Delegated European Prosecutor is authorised to issue a European arrest warrant. (…) Pursuant to Section 6(2) sentence 2 of the German European Public Prosecutor's Office Act (EUStAG), the Delegated European Prosecutor in charge of the investigation shall decide on the issuance of the European arrest warrant. The person concerned has the option of challenging the national arrest warrant on which the European arrest warrant is based in Germany by lodging an appeal. This is what happened in the present case. The court of first instance has already decided to uphold the arrest warrant. The case is currently pending before the court of second instance for a decision. After that, there is the option of referring the case to the court of third instance. ” Naar aanleiding van het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het IRC op 5 maart 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “ During the appeal procedure in Germany regarding the national arrest warrant, was there mention of the (subsequently) issued EAW before or by the Court? Did the Court address the issuance of the EAW? Because if so, that might just be enough to constitute effective judicial protection before being surrendered. If not, it might be worth it to take a look at the national arrest warrant whether the issuance of the EAW is mentioned in that warrant. ” Op 9 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop het volgende geantwoord: “ European arrest warrants issued by a delegated European Public Prosecutor are decisions by the public prosecutor's office pursuant to Section 131 of the German Code of Criminal Procedure (StPO), which are subject to judicial review by the local court in accordance with Section 98(2) sentence 2 StPO. An appeal may be lodged with the regional court against the decision of the local court. The application for a court decision is possible before the person concerned is extradited. In the present case, the defence did not submit an explicit request for a court decision regarding the European arrest warrant. Without a request from the defence, the court will not rule. The defence has so far only challenged the national arrest warrant. ” Op 11 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in meerdere e-mailberichten de volgende informatie verstrekt: “ I have reviewed the letters from the defence counsel for the accused [opgeëiste persoon] once again. She has not filed a motion to review the European arrest warrant. It has only challenged the national arrest warrant with an appeal. No judicial review will take place ex officio, i.e. without a request from the defence. ” “ When issuing the national arrest warrant, the court was aware that Mr. [opgeëiste persoon] was not residing in Germany and that a Europe-wide search would be necessary to apprehend him. In this regard, the court implicitly examined and confirmed the necessity of a Europe-wide search and the associated issuance of a European arrest warrant. ” “ Incidentally, a request for a court ruling may be submitted by the defence at any time (without being bound by a deadline). ” Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft het IRC aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende door de rechtbank in deze tussenuitspraak geformuleerde vragen gesteld over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB: “ 1) Was it clear to the judge at the time of issuing the national arrest warrant that the requested person was residing abroad at that time and that, therefore, a European arrest warrant would (also) be issued? 2) If so, did the judge who issued the national arrest warrant rule on the proportionality of the subsequent issuance of the EAW? 3) If not, is there a possibility to have the proportionality of the issuance of the EAW reviewed by a judge in the issuing Member State before the actual surrender of the requested person to Germany takes place? ” Daarnaast heeft het IRC in de e-mail van 18 maart 2026 geschreven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit mogelijk in de eerdere correspondentie al antwoorden heeft gegeven op de vragen uit de tussenuitspraak van 18 maart 2026. Het IRC heeft daarom gevraagd of juist is begrepen dat de volgende antwoorden zijn gegeven op de vragen: “ Ad 1 and 2) “When issuing the national arrest warrant, the court was aware that Mr. [opgeëiste persoon] was not residing in Germany and that a Europe-wide search would be necessary to apprehend him. In this regard, the court implicitly examined and confirmed the necessity of a Europe-wide search and the associated issuance of a European arrest warrant.” (source: your e-mail of 11/03/2026 13:53) Ad 3) “European arrest warrants issued by a delegated European Public Prosecutor are decisions by the public prosecutor's office pursuant to Section 131 of the German Code of Criminal Procedure (StPO), which are subject to judicial review by the local court in accordance with Section 98(2) sentence 2 StPO. An appeal may be lodged with the regional court against the decision of the local court. The application for a court decision is possible before the person concerned is extradited. In the present case, the defense did not submit an explicit request for a court decision regarding the European arrest warrant. Without a request from the defense, the court will not rule. The defense has so far only challenged the national arrest warrant.” (source: e-mail of 9/3/2026 15:05). NB: the extract you send in that e-mail shows that section 98(2) is about seized objects and not surrender cases. Could it be that there is another legal basis for applying for a court decision when an EAW was issued? Or is there a referral provision that makes section 98(2) applicable to these cases? “ [opgeëiste persoon] defense council did not file a motion to review the European arrest warrant. It has only challenged the national arrest warrant with an appeal. No judicial review will take place ex officio, i.e. without a request from the defense.” (source: your e-mail of 11/3/2026 10:42). “Incidentally, a request for a court ruling may be submitted by the defense at any time (without being bound by a deadline).” (source: your e-mail of 11/03/2026 13:53). ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 20 maart 2026 hierop als volgt geantwoord: “ You have correctly understood the answers to questions 1 and 2. Re 3.: The review of the European Arrest Warrant is not carried out in accordance with Section 98(2) but by analogy with Section 98(2) of the German Code of Criminal Procedure. There is no paragraph that clearly says how a European Arrest Warrant should be reviewed by a court. I have attached a judgment from a German court (translated into English and Dutch using DeepL), which sets out the aforementioned possibility of review. The court (Regional Appeal Court of Celle) states: A European Arrest Warrant is a search instrument based on a national arrest warrant (…). It is equivalent to a request for extradition (…) and is also linked to an alert for the wanted person in the SIS, unless the alert for arrest for the purpose of extradition under the Schengen Convention is itself deemed to be a European arrest warrant pursuant to Section 83a(2) IRG. The legal basis for an arrest alert in the SIS is found in Section 131 of the Code of Criminal Procedure. Just as with a national search, an international search may also be based on Section 131 of the Code of Criminal Procedure, as the European Arrest Warrant constitutes an ‘arrest alert’ under the European Arrest Warrant Act of 20 July 2006. Warrants for arrest find their legal basis in Section 131 of the Code of Criminal Procedure (StPO). The fact that this authorization is limited to national search operations does not follow either from Section 131 stop itself or from the European Arrest Warrant Act, which, however, primarily regulates the execution of foreign European arrest warrants in Germany.
Volledig
It is generally accepted that search measures under Section 131 of the Code of Criminal Procedure (StPO) may be challenged before the local court in accordance with Section 98(2), second sentence, of the Code of Criminal Procedure (StPO) (…). The ‘admissible appeal’ brought by the applicant against the SIS arrest alert is therefore an application under § 98(2) StPO for a review of the alert pursuant to § 131 StPO.” Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB wegens het ontbreken van effectieve rechterlijke bescherming en de eisen die daaraan worden gesteld op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Op nationaal niveau is geen sprake van effectieve rechterlijke bescherming omdat de Duitse nationale rechter niet is betrokken bij de uitvaardiging van het EAB in deze zaak. Bij de uitvaardiging van een nationaal aanhoudingsbevel toetst de Duitse rechter uitsluitend de vereisten die zijn neergelegd in het Duitse strafprocesrecht. De evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB maakt geen deel uit van het beslissingskader van de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel afgeeft. Aangezien het EAB niet door een rechter is uitgevaardigd, maar door de gedelegeerd Europees aanklager, ontbreekt niet alleen een directe rechterlijke toetsing van het EAB, maar ook een indirecte koppeling met de rechterlijke beoordeling in de procedure van het nationaal aanhoudingsbevel. De uitvaardigende justitiële autoriteit probeert vervolgens het ontbreken van een rechtstreeks rechtsmiddel tegen het EAB te ondervangen door te verwijzen naar de paragrafen 98 en 131 van het Duitse Wetboek van Strafvordering. De procedure op basis van paragraaf 98 van het Duitse Wetboek van Strafvordering kan echter hooguit zien op de rechtmatigheid van de uitvoering, zoals een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS). De toetsing ziet niet op de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB. Dit wordt bevestigd door de uitspraak van het Hof van Celle uit 2009, waaruit volgt: “ [h]et uitleveringsverzoek in het Europees aanhoudingsbevel en het verzoek tot arrestatie zijn niet vatbaar voor rechtsmiddelen. ” Bovendien volgt uit de opinie van de Duitse strafjuristen, zoals gevoegd bij de pleitnota, dat het Duitse recht geen mogelijkheid kent om het uitvaardigen van een EAB te laten toetsen, ook niet op verzoek van de opgeëiste persoon voorafgaand aan de overlevering. De toetsing zoals omschreven door de uitvaardigende justitiële autoriteit ziet dus niet op het uitvaardigen van het EAB, maar op de uitvoering daarvan. Van een toets als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) is geen sprake. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de effectieve rechterlijke bescherming in deze zaak. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van een gelijkluidende situatie als in de Griekse zaken , met als enige verschil dat geen sprake is van een ‘nationale’ officier van justitie maar van een gedelegeerd Europees aanklager die het Duitse recht toepast. Daarom kan aansluiting worden gezocht bij de al aan het HvJ EU gestelde vragen in de Griekse zaak. Mocht de rechtbank menen dat de beoordeling via een analoge toepassing van paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering mogelijk wel voldoende zou kunnen zijn, verzoekt de verdediging die vraag voor te leggen aan het HvJ EU. Daarnaast moet een vraag worden gesteld waarin aan de orde komt of de toetsing van de signalering in SIS gelijk te stellen valt aan de benodigde toets voor effectieve rechterlijke bescherming. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming omdat de Duitse rechtbank bij het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel op de hoogte was van het feit dat de opgeëiste persoon niet in Duitsland verbleef en dat een Europese zoektocht nodig zou zijn om hem aan te houden. Daarmee is de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB impliciet getoetst. Aangezien een EAB steunt op een nationaal aanhoudingsbevel, moet de Duitse rechtbank hebben geweten dat de enige reden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit vraagt om een nationaal aanhoudingsbevel is om het uitvaardigen van een EAB mogelijk te maken. Subsidiair is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming omdat er een mogelijkheid voor de opgeëiste persoon is om voorafgaand aan de feitelijke overlevering het uitvaardigen van het EAB voor te leggen aan een lokale Duitse rechter. Hierbij kan paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering analoog worden toegepast. Tegen de beslissing van de lokale rechter staat hoger beroep open. De jurisprudentie van het HvJ EU geeft lidstaten ruimte ten aanzien van de wijze waarop in het rechtsmiddel wordt voorzien. In Duitsland is dat - kennelijk sinds 2009 - in de vorm van deze constructie en daarmee is voorzien in een rechtsmiddel tegen het uitvaardigen van het EAB en voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Meer subsidiair, als de rechtbank uitgaat van de uitspraak van het Hof van Celle uit 2009 die de signalering in SIS noemt en als de constructie van het naar analogie toepassen van de mogelijkheid tot hoger beroep van paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering alleen ziet op het aanvechten van de signalering in SIS, is ook voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Het EAB en de signalering in SIS zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien een opname in het SIS niet kan zonder een EAB, en worden kennelijk beide in Duitsland gezien als een ‘opsporingsopdracht’. Het toetsen van de evenredigheid van de signalering in SIS leidt dus ook tot het toetsen van de rechtmatigheid en evenredigheid van het EAB. De signalering in SIS is de feitelijke aanleiding voor vrijheidsbeneming; die vrijheidsbeneming is de belangrijkste reden waarom effectieve rechterlijke bescherming volgens het HvJ EU nodig is. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 18 maart 2026 geoordeeld dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 maart 2026 onvoldoende duidelijkheid geeft over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming voor de opgeëiste persoon. Niet is gebleken dat bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingbevel, dan wel op een later moment, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB is getoetst door de rechter die dat nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, dan wel door een andere rechter. Daarom heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak drie vragen geformuleerd over de mogelijkheid om de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB te toetsen op nationaal dan wel Europees niveau. In het verlengde daarvan acht de rechtbank zich evenwel ook op dit moment nog niet voldoende geïnformeerd over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 11 maart 2026 medegedeeld dat het voor de Duitse rechter ten tijde van het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel duidelijk was dat de opgeëiste persoon op dat moment niet in Duitsland verbleef en dat een ‘ Europe-wide search ’ nodig zou zijn om hem aan te houden. Hierdoor zou de Duitse rechter impliciet de noodzakelijkheid van een Europese zoekactie en de bijbehorende uitvaardiging van het EAB hebben onderzocht en bevestigd. De rechtbank stelt echter vast dat het nationaal aanhoudingsbevel op 25 september 2025 door het Amtsgericht München is uitgevaardigd. Bijna een maand later, op 20 oktober 2025, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB uitgevaardigd.
Volledig
It is generally accepted that search measures under Section 131 of the Code of Criminal Procedure (StPO) may be challenged before the local court in accordance with Section 98(2), second sentence, of the Code of Criminal Procedure (StPO) (…). The ‘admissible appeal’ brought by the applicant against the SIS arrest alert is therefore an application under § 98(2) StPO for a review of the alert pursuant to § 131 StPO.” Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB wegens het ontbreken van effectieve rechterlijke bescherming en de eisen die daaraan worden gesteld op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Op nationaal niveau is geen sprake van effectieve rechterlijke bescherming omdat de Duitse nationale rechter niet is betrokken bij de uitvaardiging van het EAB in deze zaak. Bij de uitvaardiging van een nationaal aanhoudingsbevel toetst de Duitse rechter uitsluitend de vereisten die zijn neergelegd in het Duitse strafprocesrecht. De evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB maakt geen deel uit van het beslissingskader van de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel afgeeft. Aangezien het EAB niet door een rechter is uitgevaardigd, maar door de gedelegeerd Europees aanklager, ontbreekt niet alleen een directe rechterlijke toetsing van het EAB, maar ook een indirecte koppeling met de rechterlijke beoordeling in de procedure van het nationaal aanhoudingsbevel. De uitvaardigende justitiële autoriteit probeert vervolgens het ontbreken van een rechtstreeks rechtsmiddel tegen het EAB te ondervangen door te verwijzen naar de paragrafen 98 en 131 van het Duitse Wetboek van Strafvordering. De procedure op basis van paragraaf 98 van het Duitse Wetboek van Strafvordering kan echter hooguit zien op de rechtmatigheid van de uitvoering, zoals een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS). De toetsing ziet niet op de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB. Dit wordt bevestigd door de uitspraak van het Hof van Celle uit 2009, waaruit volgt: “ [h]et uitleveringsverzoek in het Europees aanhoudingsbevel en het verzoek tot arrestatie zijn niet vatbaar voor rechtsmiddelen. ” Bovendien volgt uit de opinie van de Duitse strafjuristen, zoals gevoegd bij de pleitnota, dat het Duitse recht geen mogelijkheid kent om het uitvaardigen van een EAB te laten toetsen, ook niet op verzoek van de opgeëiste persoon voorafgaand aan de overlevering. De toetsing zoals omschreven door de uitvaardigende justitiële autoriteit ziet dus niet op het uitvaardigen van het EAB, maar op de uitvoering daarvan. Van een toets als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) is geen sprake. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de effectieve rechterlijke bescherming in deze zaak. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van een gelijkluidende situatie als in de Griekse zaken , met als enige verschil dat geen sprake is van een ‘nationale’ officier van justitie maar van een gedelegeerd Europees aanklager die het Duitse recht toepast. Daarom kan aansluiting worden gezocht bij de al aan het HvJ EU gestelde vragen in de Griekse zaak. Mocht de rechtbank menen dat de beoordeling via een analoge toepassing van paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering mogelijk wel voldoende zou kunnen zijn, verzoekt de verdediging die vraag voor te leggen aan het HvJ EU. Daarnaast moet een vraag worden gesteld waarin aan de orde komt of de toetsing van de signalering in SIS gelijk te stellen valt aan de benodigde toets voor effectieve rechterlijke bescherming. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming omdat de Duitse rechtbank bij het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel op de hoogte was van het feit dat de opgeëiste persoon niet in Duitsland verbleef en dat een Europese zoektocht nodig zou zijn om hem aan te houden. Daarmee is de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB impliciet getoetst. Aangezien een EAB steunt op een nationaal aanhoudingsbevel, moet de Duitse rechtbank hebben geweten dat de enige reden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit vraagt om een nationaal aanhoudingsbevel is om het uitvaardigen van een EAB mogelijk te maken. Subsidiair is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming omdat er een mogelijkheid voor de opgeëiste persoon is om voorafgaand aan de feitelijke overlevering het uitvaardigen van het EAB voor te leggen aan een lokale Duitse rechter. Hierbij kan paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering analoog worden toegepast. Tegen de beslissing van de lokale rechter staat hoger beroep open. De jurisprudentie van het HvJ EU geeft lidstaten ruimte ten aanzien van de wijze waarop in het rechtsmiddel wordt voorzien. In Duitsland is dat - kennelijk sinds 2009 - in de vorm van deze constructie en daarmee is voorzien in een rechtsmiddel tegen het uitvaardigen van het EAB en voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Meer subsidiair, als de rechtbank uitgaat van de uitspraak van het Hof van Celle uit 2009 die de signalering in SIS noemt en als de constructie van het naar analogie toepassen van de mogelijkheid tot hoger beroep van paragraaf 98, tweede lid, van het Duitse Wetboek van Strafvordering alleen ziet op het aanvechten van de signalering in SIS, is ook voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Het EAB en de signalering in SIS zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien een opname in het SIS niet kan zonder een EAB, en worden kennelijk beide in Duitsland gezien als een ‘opsporingsopdracht’. Het toetsen van de evenredigheid van de signalering in SIS leidt dus ook tot het toetsen van de rechtmatigheid en evenredigheid van het EAB. De signalering in SIS is de feitelijke aanleiding voor vrijheidsbeneming; die vrijheidsbeneming is de belangrijkste reden waarom effectieve rechterlijke bescherming volgens het HvJ EU nodig is. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 18 maart 2026 geoordeeld dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 maart 2026 onvoldoende duidelijkheid geeft over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming voor de opgeëiste persoon. Niet is gebleken dat bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingbevel, dan wel op een later moment, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB is getoetst door de rechter die dat nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, dan wel door een andere rechter. Daarom heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak drie vragen geformuleerd over de mogelijkheid om de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB te toetsen op nationaal dan wel Europees niveau. In het verlengde daarvan acht de rechtbank zich evenwel ook op dit moment nog niet voldoende geïnformeerd over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 11 maart 2026 medegedeeld dat het voor de Duitse rechter ten tijde van het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel duidelijk was dat de opgeëiste persoon op dat moment niet in Duitsland verbleef en dat een ‘ Europe-wide search ’ nodig zou zijn om hem aan te houden. Hierdoor zou de Duitse rechter impliciet de noodzakelijkheid van een Europese zoekactie en de bijbehorende uitvaardiging van het EAB hebben onderzocht en bevestigd. De rechtbank stelt echter vast dat het nationaal aanhoudingsbevel op 25 september 2025 door het Amtsgericht München is uitgevaardigd. Bijna een maand later, op 20 oktober 2025, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB uitgevaardigd.
Volledig
Gelet op het tijdsverloop tussen het afgeven van het nationaal aanhoudingsbevel en het uitvaardigen van het EAB is het de rechtbank niet duidelijk of de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, er ook van uit moest gaan dat er een EAB zou worden uitgevaardigd tegen de opgeëiste persoon. Het is daarom ook niet duidelijk of de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, heeft geoordeeld over de evenredigheid van het daaropvolgend uitvaardigen van het EAB. Daarnaast stelt de rechtbank, aan de hand van de aanvullende informatie van 5 maart 2026, 9 maart 2026 en 11 maart 2026, vast dat de opgeëiste persoon een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het nationaal aanhoudingsbevel. De Duitse rechter heeft in de procedure in eerste aanleg geoordeeld dat het nationaal aanhoudingsbevel van kracht blijft. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld, maar daarin is nog geen beslissing genomen. Daarna bestaat de mogelijkheid om de zaak nog aan een derde instantie voor te leggen. Het is de rechtbank niet duidelijk wanneer dit rechtsmiddel in eerste aanleg en hoger beroep is aangewend en of er in de procedure(s) verweer is gevoerd over de (on)evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: 1) Kunt u aangeven hoe de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd er op het moment van uitvaardiging daarvan van op de hoogte was dat de opgeëiste persoon op dat moment niet in Duitsland verbleef? 2) Kunt u aangeven waaruit blijkt dat de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd wist of ervan uit moest gaan dat daaropvolgend het EAB zou worden uitgevaardigd? Kunt u in dit verband aangeven waaruit blijkt dat die rechter de daaropvolgende uitvaardiging van het EAB heeft meegewogen in de beslissing om het nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen? 3) Kunt u aangeven wanneer het rechtsmiddel (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen is aangewend? 4) Kunt u aangeven of door de verdediging van de opgeëiste persoon in de procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB aan de orde is gesteld, en of de eventuele gronden hieromtrent zijn meegenomen en beoordeeld in de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg? Kunt u in dit verband de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de gronden van het hoger beroep toesturen? De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen en direct schorsen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Omdat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn met 60 dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met 60 dagen (tot 18 juli 2026 ), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 18 juli 2026), dus vóór 4 juli 2026 , opnieuw op zitting moet worden gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:153. Rb. Amsterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2798. De verdediging heeft verwezen naar paragraaf 112 van het Duitse Wetboek van Strafvordering, waarin de inhoud en gronden voor het nationale arrestatiebevel zijn vastgelegd. De verdediging heeft verwezen naar (o.a.) Rechtbank Amsterdam, 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 48 – 53. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 43. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1077, punt 74. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 39.
Volledig
Gelet op het tijdsverloop tussen het afgeven van het nationaal aanhoudingsbevel en het uitvaardigen van het EAB is het de rechtbank niet duidelijk of de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, er ook van uit moest gaan dat er een EAB zou worden uitgevaardigd tegen de opgeëiste persoon. Het is daarom ook niet duidelijk of de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, heeft geoordeeld over de evenredigheid van het daaropvolgend uitvaardigen van het EAB. Daarnaast stelt de rechtbank, aan de hand van de aanvullende informatie van 5 maart 2026, 9 maart 2026 en 11 maart 2026, vast dat de opgeëiste persoon een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het nationaal aanhoudingsbevel. De Duitse rechter heeft in de procedure in eerste aanleg geoordeeld dat het nationaal aanhoudingsbevel van kracht blijft. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld, maar daarin is nog geen beslissing genomen. Daarna bestaat de mogelijkheid om de zaak nog aan een derde instantie voor te leggen. Het is de rechtbank niet duidelijk wanneer dit rechtsmiddel in eerste aanleg en hoger beroep is aangewend en of er in de procedure(s) verweer is gevoerd over de (on)evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: 1) Kunt u aangeven hoe de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd er op het moment van uitvaardiging daarvan van op de hoogte was dat de opgeëiste persoon op dat moment niet in Duitsland verbleef? 2) Kunt u aangeven waaruit blijkt dat de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd wist of ervan uit moest gaan dat daaropvolgend het EAB zou worden uitgevaardigd? Kunt u in dit verband aangeven waaruit blijkt dat die rechter de daaropvolgende uitvaardiging van het EAB heeft meegewogen in de beslissing om het nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen? 3) Kunt u aangeven wanneer het rechtsmiddel (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen is aangewend? 4) Kunt u aangeven of door de verdediging van de opgeëiste persoon in de procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB aan de orde is gesteld, en of de eventuele gronden hieromtrent zijn meegenomen en beoordeeld in de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg? Kunt u in dit verband de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de gronden van het hoger beroep toesturen? De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen en direct schorsen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Omdat sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn met 60 dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met 60 dagen (tot 18 juli 2026 ), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 18 juli 2026), dus vóór 4 juli 2026 , opnieuw op zitting moet worden gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:153. Rb. Amsterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2798. De verdediging heeft verwezen naar paragraaf 112 van het Duitse Wetboek van Strafvordering, waarin de inhoud en gronden voor het nationale arrestatiebevel zijn vastgelegd. De verdediging heeft verwezen naar (o.a.) Rechtbank Amsterdam, 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 48 – 53. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 43. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1077, punt 74. De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078 ( Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden) ), punt 39.