Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:4685
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
11,854 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 text/xml public 2026-05-19T13:27:46 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13-050664-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 text/html public 2026-05-15T15:01:59 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13-050664-26 Tussenuitspraak in vervolgings-EAB uit Polen. Heropening en schorsing van het onderzoek om aanvullende vragen te stellen of sprake is van een nationaal aanhoudingsbevel dat voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB is uitgevaardigd. Poolse detentieomstandigheden in het remand regime in Białystok. Na uiteenzetting van de huidige lijn is de detentiegarantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt afdoende bevonden om het algemeen gevaar voor de OP weg te nemen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-050664-26 Datum uitspraak: 13 mei 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 24 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025 door the Regional Court in Elbląg, II Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 16 april 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.M. Hof, waarnemend voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van de zaak is aangehouden voor bepaalde tijd tot de zitting van 7 mei 2026, om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten ten aanzien van de Poolse detentieomstandigheden in het remand regime in the Bialystok Detention Center. Zitting 7 mei 2026 Op deze zitting heeft de behandeling van het EAB plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.M. Hof die de zaak van mr. Malewicz heeft overgenomen, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een nationaal aanhoudingsbevel (NAB) te weten: de beslissing van the District Court in Białystok regarding temporary arrest for 30 days from date of detention van 6 juni 2025, met kenmerk III Kp 1301/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat aan het EAB geen NAB ten grondslag ligt. Het NAB dat genoemd wordt in het EAB, kan niet ten grondslag liggen aan het EAB omdat deze van een latere datum is dan het EAB, dat immers van 8 januari 2025 dateert. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving omdat het onwaarschijnlijk is dat de datum van het uitvaardigen van het NAB, zijnde 6 juni 2025, na de datum van het uitvaardigen van het EAB, namelijk 8 januari 2025, ligt. De officier van justitie heeft daarom aan de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover te bevragen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Indien sprake is van een onderzoek naar strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd (een zogeheten vervolgings-EAB) moet op grond van artikel 2, tweede lid onder c OLW het onderliggende NAB (of een vergelijkbare beslissing) in het EAB zijn vermeld. In het arrest Bob-Dogi heeft het Hof van Justitie overwogen dat aan een EAB een van het EAB te onderscheiden NAB ten grondslag moet liggen. Het NAB is een rechterlijke beslissing waarop het Europees aanhoudingsbevel is geënt (zie overweging 46). De uitvaardiging van het EAB vindt, ter waarborging van de rechterlijke bescherming op twee niveaus, plaats (in voorkomend geval kort) ná de uitvaardiging van het NAB (zie overweging 56). Bij gebrek aan een dergelijk voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel dient de uitvoerende justitiële autoriteit hierover aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (overweging 65). Als de uitvoerende autoriteit aan de hand van die aanvullende informatie vaststelt dat er geen van het EAB te onderscheiden NAB is uitgevaardigd (naar de rechtbank begrijpt: voorafgaande aan de uitvaardiging van het EAB), dan moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB, op de grond dat dit niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 1, Kaderbesluit (overweging 66). Zoals hiervoor vermeld maakt onderdeel B van het EAB weliswaar melding van een NAB, maar is tevens vermeld dat deze beslissing op 6 juni 2025 is genomen, terwijl in onderdeel K staat dat het EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025. In dit geval wordt dus een NAB vermeld dat 5 maanden ná het uitvaardigen van het EAB is afgegeven. Dit moet mogelijk tot de (uitzonderlijke) beslissing leiden om geen gevolg te geven aan het EAB. Alvorens daartoe over te gaan zal de rechtbank, op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit (zie ook overweging 65 van voornoemd arrest) de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid stellen hierover aanvullende gegevens te verstrekken, zeker nu het mogelijk om een verschrijving gaat. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: In onderdeel B van het EAB wordt verwezen naar een “ decision of 06 June 2025 by the District Court in Białystok regarding temporary arrest for 30 days from date of detention”, met kenmerk III Kp 1301/25. Uit onderdeel K volgt dat het EAB op 8 januari 2025 is uitgevaardigd. Dit zou betekenen dat in het EAB melding wordt gemaakt van een nog niet uitgevaardigd NAB omdat de datum daarvan later ligt dan het EAB. Kloppen de data van de uitvaardiging van het EAB en het NAB? Zo nee, op welke data zijn het EAB en het NAB wel uitgevaardigd? Zo ja, is op enig ander moment voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB sprake geweest van een nationaal aanhoudingsbevel? Zo ja, op welke datum is dat nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en door welke (rechterlijke) autoriteit? De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 18 mei 2026. Zoals is bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 text/xml public 2026-05-19T13:27:46 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13-050664-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 text/html public 2026-05-15T15:01:59 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4685 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13-050664-26 Tussenuitspraak in vervolgings-EAB uit Polen. Heropening en schorsing van het onderzoek om aanvullende vragen te stellen of sprake is van een nationaal aanhoudingsbevel dat voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB is uitgevaardigd. Poolse detentieomstandigheden in het remand regime in Białystok. Na uiteenzetting van de huidige lijn is de detentiegarantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt afdoende bevonden om het algemeen gevaar voor de OP weg te nemen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-050664-26 Datum uitspraak: 13 mei 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 24 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025 door the Regional Court in Elbląg, II Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 16 april 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.M. Hof, waarnemend voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van de zaak is aangehouden voor bepaalde tijd tot de zitting van 7 mei 2026, om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten ten aanzien van de Poolse detentieomstandigheden in het remand regime in the Bialystok Detention Center. Zitting 7 mei 2026 Op deze zitting heeft de behandeling van het EAB plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.M. Hof die de zaak van mr. Malewicz heeft overgenomen, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een nationaal aanhoudingsbevel (NAB) te weten: de beslissing van the District Court in Białystok regarding temporary arrest for 30 days from date of detention van 6 juni 2025, met kenmerk III Kp 1301/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat aan het EAB geen NAB ten grondslag ligt. Het NAB dat genoemd wordt in het EAB, kan niet ten grondslag liggen aan het EAB omdat deze van een latere datum is dan het EAB, dat immers van 8 januari 2025 dateert. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving omdat het onwaarschijnlijk is dat de datum van het uitvaardigen van het NAB, zijnde 6 juni 2025, na de datum van het uitvaardigen van het EAB, namelijk 8 januari 2025, ligt. De officier van justitie heeft daarom aan de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover te bevragen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Indien sprake is van een onderzoek naar strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd (een zogeheten vervolgings-EAB) moet op grond van artikel 2, tweede lid onder c OLW het onderliggende NAB (of een vergelijkbare beslissing) in het EAB zijn vermeld. In het arrest Bob-Dogi heeft het Hof van Justitie overwogen dat aan een EAB een van het EAB te onderscheiden NAB ten grondslag moet liggen. Het NAB is een rechterlijke beslissing waarop het Europees aanhoudingsbevel is geënt (zie overweging 46). De uitvaardiging van het EAB vindt, ter waarborging van de rechterlijke bescherming op twee niveaus, plaats (in voorkomend geval kort) ná de uitvaardiging van het NAB (zie overweging 56). Bij gebrek aan een dergelijk voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel dient de uitvoerende justitiële autoriteit hierover aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (overweging 65). Als de uitvoerende autoriteit aan de hand van die aanvullende informatie vaststelt dat er geen van het EAB te onderscheiden NAB is uitgevaardigd (naar de rechtbank begrijpt: voorafgaande aan de uitvaardiging van het EAB), dan moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB, op de grond dat dit niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 1, Kaderbesluit (overweging 66). Zoals hiervoor vermeld maakt onderdeel B van het EAB weliswaar melding van een NAB, maar is tevens vermeld dat deze beslissing op 6 juni 2025 is genomen, terwijl in onderdeel K staat dat het EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025. In dit geval wordt dus een NAB vermeld dat 5 maanden ná het uitvaardigen van het EAB is afgegeven. Dit moet mogelijk tot de (uitzonderlijke) beslissing leiden om geen gevolg te geven aan het EAB. Alvorens daartoe over te gaan zal de rechtbank, op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit (zie ook overweging 65 van voornoemd arrest) de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid stellen hierover aanvullende gegevens te verstrekken, zeker nu het mogelijk om een verschrijving gaat. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: In onderdeel B van het EAB wordt verwezen naar een “ decision of 06 June 2025 by the District Court in Białystok regarding temporary arrest for 30 days from date of detention”, met kenmerk III Kp 1301/25. Uit onderdeel K volgt dat het EAB op 8 januari 2025 is uitgevaardigd. Dit zou betekenen dat in het EAB melding wordt gemaakt van een nog niet uitgevaardigd NAB omdat de datum daarvan later ligt dan het EAB. Kloppen de data van de uitvaardiging van het EAB en het NAB? Zo nee, op welke data zijn het EAB en het NAB wel uitgevaardigd? Zo ja, is op enig ander moment voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB sprake geweest van een nationaal aanhoudingsbevel? Zo ja, op welke datum is dat nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en door welke (rechterlijke) autoriteit? De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 18 mei 2026. Zoals is bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen.
Volledig
De verplichting zoals die volgt uit overweging 65 van het arrest Bob-Dogi om in een situatie als de onderhavige de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken overeenkomstig artikel 15, tweede lid van het kaderbesluit, leidt - omdat de beslistermijn spoedig verstrijkt - naar het oordeel van de rechtbank tot een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 4 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2 Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt daarbij is dat in het remand regime slechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (hierna: IRC) op 7 april 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op 14 april 2026 heeft the Prosecutor of the District Prosecutor's Office delegated to the Podlaskie Branch of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok in een brief het volgende medegedeeld: “ Following your message of April 7, 2026, I kindly inform you that [opgeëiste persoon] will be detained in the Białystok Detention Center in Poland. ” Op 14 april 2026 heeft the Circuit Prosecutor delegated to the Podlaskie Branch Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok in een brief het volgende medegedeeld: “In reference to your letter (…) please find below information regarding your enquires (….) obtained from the Remand Centre in Białystok (…). The conditions of accommodation are set out in Article 100(2) of the Penal Enforcement Code, which stipulates that "the floor space in a cell allocated to each prisoner shall be no less than 3 m2 [three square meters]. Cells shall be equipped with appropriate accommodation facilities ensuring that the prisoner has a separate place to sleep, adequate hygiene conditions, sufficient ventilation and a temperature appropriate to the season, in accordance with the standards laid down for residential premises, as well as lighting suitable for reading and working." At the Remand Centre in Białystok, persons on remand are provided with the following living conditions: 1) may take part in activities organised for isolation groups in accordance with the established schedule for common rooms and schedules of cultural, educational and sporting activities, and may use the library, 2) may attend religious services and take part in religious gatherings, 3) may use their ward's common room every day, take part in activities organised as part of the common room programme, and go for walks in the designated walking area; they may also attend religious gatherings, 4) Access to library resources is primarily facilitated through book requests, which are then delivered to the cells. I would also like to note that, in accordance with Ordinance No. 10/2026 of the Director of the Remand Centre in Białystokdated 25 March 2026 on the establishment of internal rules at the Remand Centre in Bialystok and the External Unit of the Remand Centre in Białystok, the total maximum time a detainee may spend outside their cell is 8 hours.” Op aanvullende vragen hierover van het IRC heeft the Head of the Podlaskie Branch Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok bij brief van 29 april 2026 geantwoord: “With reference to your enquiry sent by email on 23 April 2026, requesting further details to supplement the information provided in the letter dated 14 April 2026, I would like to inform you that, under the conditions at the Remand Centre in Białystok, under normal circumstances, if an inmate wishes to take part in various activities such as educational or sporting activities, use of the common room, walks, religious gatherings, or contact with a corrections officer or psychologist, they would be able to spend at least two hours outside their cell. However, it cannot be guaranteed that this will amount to a minimum of 2 hours a day due to the nature of the penitentiary unit, as well as other unforeseen circumstances or incidents that may occur in the unit. Nor can it be guaranteed that the prisoner can spend 8 hours outside the cell every day. Restrictions may arise from the need to ensure security in the unit and the need to ensure the proper course of criminal proceedings. In accordance with Article 112(1) of the Penal Enforcement Code, an inmate is entitled to a daily walk lasting 60 minutes. Pursuant to with Ordinance No.
Volledig
De verplichting zoals die volgt uit overweging 65 van het arrest Bob-Dogi om in een situatie als de onderhavige de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken overeenkomstig artikel 15, tweede lid van het kaderbesluit, leidt - omdat de beslistermijn spoedig verstrijkt - naar het oordeel van de rechtbank tot een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 4 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2 Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt daarbij is dat in het remand regime slechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (hierna: IRC) op 7 april 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op 14 april 2026 heeft the Prosecutor of the District Prosecutor's Office delegated to the Podlaskie Branch of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok in een brief het volgende medegedeeld: “ Following your message of April 7, 2026, I kindly inform you that [opgeëiste persoon] will be detained in the Białystok Detention Center in Poland. ” Op 14 april 2026 heeft the Circuit Prosecutor delegated to the Podlaskie Branch Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok in een brief het volgende medegedeeld: “In reference to your letter (…) please find below information regarding your enquires (….) obtained from the Remand Centre in Białystok (…). The conditions of accommodation are set out in Article 100(2) of the Penal Enforcement Code, which stipulates that "the floor space in a cell allocated to each prisoner shall be no less than 3 m2 [three square meters]. Cells shall be equipped with appropriate accommodation facilities ensuring that the prisoner has a separate place to sleep, adequate hygiene conditions, sufficient ventilation and a temperature appropriate to the season, in accordance with the standards laid down for residential premises, as well as lighting suitable for reading and working." At the Remand Centre in Białystok, persons on remand are provided with the following living conditions: 1) may take part in activities organised for isolation groups in accordance with the established schedule for common rooms and schedules of cultural, educational and sporting activities, and may use the library, 2) may attend religious services and take part in religious gatherings, 3) may use their ward's common room every day, take part in activities organised as part of the common room programme, and go for walks in the designated walking area; they may also attend religious gatherings, 4) Access to library resources is primarily facilitated through book requests, which are then delivered to the cells. I would also like to note that, in accordance with Ordinance No. 10/2026 of the Director of the Remand Centre in Białystokdated 25 March 2026 on the establishment of internal rules at the Remand Centre in Bialystok and the External Unit of the Remand Centre in Białystok, the total maximum time a detainee may spend outside their cell is 8 hours.” Op aanvullende vragen hierover van het IRC heeft the Head of the Podlaskie Branch Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Białystok bij brief van 29 april 2026 geantwoord: “With reference to your enquiry sent by email on 23 April 2026, requesting further details to supplement the information provided in the letter dated 14 April 2026, I would like to inform you that, under the conditions at the Remand Centre in Białystok, under normal circumstances, if an inmate wishes to take part in various activities such as educational or sporting activities, use of the common room, walks, religious gatherings, or contact with a corrections officer or psychologist, they would be able to spend at least two hours outside their cell. However, it cannot be guaranteed that this will amount to a minimum of 2 hours a day due to the nature of the penitentiary unit, as well as other unforeseen circumstances or incidents that may occur in the unit. Nor can it be guaranteed that the prisoner can spend 8 hours outside the cell every day. Restrictions may arise from the need to ensure security in the unit and the need to ensure the proper course of criminal proceedings. In accordance with Article 112(1) of the Penal Enforcement Code, an inmate is entitled to a daily walk lasting 60 minutes. Pursuant to with Ordinance No.
Volledig
10/2026 of the Director of the Remand Centre in Białystok dated 25 March 2026, an inmate held at the Remand Centre in Białystok may, between 7:30- 12:30 or 13:15-17:15, may report to their wardens, take part in cultural, educational and sporting activities, talk to corrections officers, psychologist, and take part in walks; however, these activities are not carried out every day because of to the architectural layout of the Remand Centre in Białystok, the need to ensure the proper conduct of criminal proceedings, and the need to ensure the safe function of the penitentiary unit.” Hierop heeft het IRC op 30 april 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “1. Could you please elaborate more on the duration of daily activities. How long do the activities under normal circumstances last and how often do the activities occur? 2. Do we understand correctly that under normal circumstances (if no unforeseen circumstances occur) and if the requested person wishes to take part in the various activities provided, he will be able to spend at least 2 hours a day outside his cell?” Ten tijde van de zitting op 7 mei 2026 waren deze laatste vragen nog niet beantwoord. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het gevaar van schending van zijn grondrechten weg te nemen, zodat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat zijn grondrechten bij overlevering zullen worden geschonden. De raadsvrouw heeft er daarbij in de eerste plaats op gewezen dat 3 m² persoonlijke leefruimte exclusief sanitair niet is gegarandeerd. Er wordt slechts een wettelijke bepaling genoemd. Ook heeft de raadsvrouw gewezen op de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven. Niet is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur buiten zijn cel kan verblijven. Daarnaast biedt de algemene omschrijving van de activiteiten geen inzicht in de frequentie en voorwaarden, zodat niet kan worden afgeleid dat deze activiteiten (bovenop het dagelijkse uur wandelen) nog ten minste een uur per dag buiten de cel opleveren. Primair moet daarom geen gevolg worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om de Poolse autoriteiten hierover nader te bevragen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om de antwoorden op de gestelde vragen van 30 april 2026 af te wachten nu op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over het aantal uren dat de opgeëiste persoon buiten zijn cel zal kunnen doorbrengen. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie in de beide brieven van 14 en de brief van 29 april 2026. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering in the Remand Centre in Białystok wordt gedetineerd. Op grond van de aanvullende informatie gelezen in samenhang met de vraagstelling gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon daar ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal hebben. De hoeveelheid persoonlijke leefruimte is relevant nu bij een persoonlijke leefruimte van meer dan 4 m2 in een meerpersoonscel een ander beoordelingscriterium geldt. Het algemeen gevaar dat is aangenomen met betrekking tot gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen, ziet echter niet op het gevaar dat zij minder dan 3 m2 tot hun beschikking zullen hebben. Een garantie dat de opgeëiste persoon 3m2 tot zijn beschikking heeft exclusief sanitair, is dan ook geen vereiste. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, dient concrete informatie te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van deze informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit voornoemde aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast de mogelijkheid krijgt om deel te nemen aan dagelijks georganiseerde culturele, educatieve en sportactiviteiten buiten zijn cel. Daarnaast kan de opgeëiste persoon tijd buiten de cel verblijven in het kader van contacten met penitentiaire medewerkers en psychologen en kan hij tijd doorbrengen in de gemeenschappelijke ruimte. Weliswaar geven de Poolse autoriteiten niet de garantie dat de opgeëiste persoon daarmee iedere dag 2 uur buiten de cel kan verblijven, maar uit de aanvullende informatie van 29 april 2026 kan wel de garantie worden afgeleid dat hij, onder normale omstandigheden, en als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen , gemiddeld genomen ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. Dat volgt immers uit de zinsnede: “ under normal circumstances, if an inmate wishes to take part in various activities such as educational or sporting activities, use of the common room, walks, religious gatherings, or contact with a corrections officer or psychologist, they would be able to spend at least two hours outside their cell” . Daarmee is voldaan aan het criterium dat de rechtbank moet kunnen vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 6 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit; VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen , onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 2 weken voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (zijnde 17 juli 2026); BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mr. B.M. Vroom–Cramer en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Volledig
10/2026 of the Director of the Remand Centre in Białystok dated 25 March 2026, an inmate held at the Remand Centre in Białystok may, between 7:30- 12:30 or 13:15-17:15, may report to their wardens, take part in cultural, educational and sporting activities, talk to corrections officers, psychologist, and take part in walks; however, these activities are not carried out every day because of to the architectural layout of the Remand Centre in Białystok, the need to ensure the proper conduct of criminal proceedings, and the need to ensure the safe function of the penitentiary unit.” Hierop heeft het IRC op 30 april 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “1. Could you please elaborate more on the duration of daily activities. How long do the activities under normal circumstances last and how often do the activities occur? 2. Do we understand correctly that under normal circumstances (if no unforeseen circumstances occur) and if the requested person wishes to take part in the various activities provided, he will be able to spend at least 2 hours a day outside his cell?” Ten tijde van de zitting op 7 mei 2026 waren deze laatste vragen nog niet beantwoord. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het gevaar van schending van zijn grondrechten weg te nemen, zodat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat zijn grondrechten bij overlevering zullen worden geschonden. De raadsvrouw heeft er daarbij in de eerste plaats op gewezen dat 3 m² persoonlijke leefruimte exclusief sanitair niet is gegarandeerd. Er wordt slechts een wettelijke bepaling genoemd. Ook heeft de raadsvrouw gewezen op de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven. Niet is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur buiten zijn cel kan verblijven. Daarnaast biedt de algemene omschrijving van de activiteiten geen inzicht in de frequentie en voorwaarden, zodat niet kan worden afgeleid dat deze activiteiten (bovenop het dagelijkse uur wandelen) nog ten minste een uur per dag buiten de cel opleveren. Primair moet daarom geen gevolg worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om de Poolse autoriteiten hierover nader te bevragen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om de antwoorden op de gestelde vragen van 30 april 2026 af te wachten nu op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over het aantal uren dat de opgeëiste persoon buiten zijn cel zal kunnen doorbrengen. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie in de beide brieven van 14 en de brief van 29 april 2026. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering in the Remand Centre in Białystok wordt gedetineerd. Op grond van de aanvullende informatie gelezen in samenhang met de vraagstelling gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon daar ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal hebben. De hoeveelheid persoonlijke leefruimte is relevant nu bij een persoonlijke leefruimte van meer dan 4 m2 in een meerpersoonscel een ander beoordelingscriterium geldt. Het algemeen gevaar dat is aangenomen met betrekking tot gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen, ziet echter niet op het gevaar dat zij minder dan 3 m2 tot hun beschikking zullen hebben. Een garantie dat de opgeëiste persoon 3m2 tot zijn beschikking heeft exclusief sanitair, is dan ook geen vereiste. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, dient concrete informatie te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van deze informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit voornoemde aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast de mogelijkheid krijgt om deel te nemen aan dagelijks georganiseerde culturele, educatieve en sportactiviteiten buiten zijn cel. Daarnaast kan de opgeëiste persoon tijd buiten de cel verblijven in het kader van contacten met penitentiaire medewerkers en psychologen en kan hij tijd doorbrengen in de gemeenschappelijke ruimte. Weliswaar geven de Poolse autoriteiten niet de garantie dat de opgeëiste persoon daarmee iedere dag 2 uur buiten de cel kan verblijven, maar uit de aanvullende informatie van 29 april 2026 kan wel de garantie worden afgeleid dat hij, onder normale omstandigheden, en als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen , gemiddeld genomen ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. Dat volgt immers uit de zinsnede: “ under normal circumstances, if an inmate wishes to take part in various activities such as educational or sporting activities, use of the common room, walks, religious gatherings, or contact with a corrections officer or psychologist, they would be able to spend at least two hours outside their cell” . Daarmee is voldaan aan het criterium dat de rechtbank moet kunnen vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 6 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit; VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen , onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 2 weken voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (zijnde 17 juli 2026); BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mr. B.M. Vroom–Cramer en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.