Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:4610
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
36,344 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 text/xml public 2026-05-18T10:36:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 13-028435-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 text/html public 2026-05-18T08:37:08 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / 13-028435-25 Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar voor mensenhandel. Verdachte en medeverdachte hebben handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat aangeefster zich in een uitbuitingssituatie beschikbaar stelde voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en zij hebben opzettelijk voordeel getrokken uit die werkzaamheden. Dit alles gebeurde terwijl aangeefster zich in een uitermate kwetsbare positie bevond en verdachten (financieel) overwicht over haar hadden. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-028435-25 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 15 april en 6 mei 2026. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak op de zitting van 15 april 2026 aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.M. Keizer naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] , bijgestaan door mr. T. Neijzen. 2 Tenlastelegging Verdachte wordt verweten dat hij zich – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan het in de periode van 1 februari 2024 tot en met 7 april 2025 in Amsterdam, Rotterdam en/of Engeland medeplegen van mensenhandel, door onder meer de uitbuiting van [benadeelde partij/aangeefster] en/of andere vrouwen in de prostitutie. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor zover deze ziet op mensenhandel ten aanzien van “andere vrouwen”. De rechtbank overweegt daartoe dat de tenlastelegging, op basis van de inhoud van het dossier en de wijze waarop de aan verdachte ten laste gelegde feitelijke handelingen zijn beschreven, lijkt te zijn toegespitst op datgene dat zich volgens het Openbaar Ministerie rond aangeefster [benadeelde partij/aangeefster] (aangeefster) heeft afgespeeld. Uit de tenlastelegging wordt onvoldoende duidelijk hoe verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de uitbuiting van andere vrouwen, waardoor de tenlastelegging wat dit onderdeel betreft te algemeen is en het naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk is hoe verdachte zich tegen dit onderdeel zou moeten verdedigen. Voor het overige is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Inleiding De rechtbank zal hieronder eerst – kort samengevat – de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven. Daarna volgen de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. 5 Standpunten van procespartijen 5.1 De officier van justitie Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van aangeefster, zoals in de tenlastelegging is omschreven (in de zin van artikel 273f eerste lid, onderdelen 1, 3, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de voor artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr vereiste dwangmiddelen kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] (medeverdachte) fysiek geweld tegen aangeefster hebben gebruikt en haar en haar partner [partner] en familie hebben bedreigd. Ook kan op basis van de verklaringen van aangeefster en de bewijsmiddelen die de verklaringen ondersteunen worden bewezen dat aangeefster onder dwang is gehouden, doordat zij gedurende de tijd dat zij voor de verdachten in de prostitutie heeft gewerkt niet vrij kon bellen, niet vrij naar buiten kon gaan, haar telefoon regelmatig werd afgepakt en zij zelf niet kon beschikken over haar identiteitsbewijs, bankpas en geld. Ten aanzien van de voor de verschillende onderdelen vereiste handelingen kan worden bewezen dat de verdachten – met het oogmerk om aangeefster uit te buiten – aangeefster hebben geworven, vervoerd, gehuisvest en opgenomen (onderdeel 1); dat de verdachten aangeefster vanuit een ander land hebben meegenomen en geworven en hebben bewogen om zich in Nederland beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling (onderdelen 3 en 4); dat de verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van aangeefster (onderdeel 6) en dat de verdachten aangeefster hebben gedwongen dan wel bewogen hen te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen met of voor een derde (onderdeel 9). Hoewel het dossier ook stukken bevat die als ontlastend zouden kunnen worden aangemerkt, is de bewijswaarde van deze stukken minimaal. Deze stukken betreffen namelijk met name verklaringen van getuigen, terwijl uit het dossier in samenhang bezien volgt dat in ieder geval verdachte alles heeft geprobeerd te doen om getuigen valse verklaringen te laten afleggen. 5.2 De verdediging Volgens de raadsman dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel. Daartoe heeft hij verschillende verweren gevoerd. Allereerst dient verdachte te worden vrijgesproken omdat hij nooit heeft gehandeld met het oogmerk om aangeefster uit te buiten. De handelingen die hij namelijk ten aanzien van de werkzaamheden in de prostitutie heeft verricht, waren er niet op gericht om op ongeoorloofde wijze profijt te trekken uit de exploitatie van aangeefster. Het initiatief voor het uitvoeren van de werkzaamheden kwam immers van aangeefster zelf. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt. De verklaringen zijn immers niet alleen innerlijk tegenstrijdig, maar ook strijdig met het overige bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt. Ook kunnen de door de officier van justitie als steunbewijs aangedragen bewijsmiddelen niet als zodanig worden gebruikt, omdat deze bewijsmiddelen om verschillende redenen onbetrouwbaar zijn en tevens een scenario kunnen ondersteunen waarin aangeefster en haar partner met een financieel oogmerk belastend over verdachte hebben verklaard. In dit verband heeft de raadsman ook verwezen naar het ontlastende bewijsmateriaal, dat op verzoek van de verdediging in het dossier is gevoegd en waarnaar de politie (deels) onderzoek heeft gedaan. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van een van de in artikel 273f, eerste lid, Sr genoemde vormen van mensenhandel komen, dan dient verdachte in ieder geval van enkele van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen te worden vrijgesproken. Zo kan een groot deel van de in de tenlastelegging omschreven ‘enige handelingen’ niet zo worden uitgelegd dat aangeefster door die handelingen prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten. Verder is er geen steunbewijs voorhanden om te bewijzen dat verdachte heeft gedreigd om de oren van aangeefster af te snijden, haar kind te vermoorden, of dat aangeefster van haar familie werd geïsoleerd en dat zij werd opgesloten.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 text/xml public 2026-05-18T10:36:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 13-028435-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 text/html public 2026-05-18T08:37:08 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4610 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / 13-028435-25 Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar voor mensenhandel. Verdachte en medeverdachte hebben handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat aangeefster zich in een uitbuitingssituatie beschikbaar stelde voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en zij hebben opzettelijk voordeel getrokken uit die werkzaamheden. Dit alles gebeurde terwijl aangeefster zich in een uitermate kwetsbare positie bevond en verdachten (financieel) overwicht over haar hadden. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-028435-25 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 15 april en 6 mei 2026. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak op de zitting van 15 april 2026 aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.M. Keizer naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] , bijgestaan door mr. T. Neijzen. 2 Tenlastelegging Verdachte wordt verweten dat hij zich – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan het in de periode van 1 februari 2024 tot en met 7 april 2025 in Amsterdam, Rotterdam en/of Engeland medeplegen van mensenhandel, door onder meer de uitbuiting van [benadeelde partij/aangeefster] en/of andere vrouwen in de prostitutie. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor zover deze ziet op mensenhandel ten aanzien van “andere vrouwen”. De rechtbank overweegt daartoe dat de tenlastelegging, op basis van de inhoud van het dossier en de wijze waarop de aan verdachte ten laste gelegde feitelijke handelingen zijn beschreven, lijkt te zijn toegespitst op datgene dat zich volgens het Openbaar Ministerie rond aangeefster [benadeelde partij/aangeefster] (aangeefster) heeft afgespeeld. Uit de tenlastelegging wordt onvoldoende duidelijk hoe verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de uitbuiting van andere vrouwen, waardoor de tenlastelegging wat dit onderdeel betreft te algemeen is en het naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk is hoe verdachte zich tegen dit onderdeel zou moeten verdedigen. Voor het overige is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Inleiding De rechtbank zal hieronder eerst – kort samengevat – de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven. Daarna volgen de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. 5 Standpunten van procespartijen 5.1 De officier van justitie Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van aangeefster, zoals in de tenlastelegging is omschreven (in de zin van artikel 273f eerste lid, onderdelen 1, 3, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de voor artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr vereiste dwangmiddelen kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] (medeverdachte) fysiek geweld tegen aangeefster hebben gebruikt en haar en haar partner [partner] en familie hebben bedreigd. Ook kan op basis van de verklaringen van aangeefster en de bewijsmiddelen die de verklaringen ondersteunen worden bewezen dat aangeefster onder dwang is gehouden, doordat zij gedurende de tijd dat zij voor de verdachten in de prostitutie heeft gewerkt niet vrij kon bellen, niet vrij naar buiten kon gaan, haar telefoon regelmatig werd afgepakt en zij zelf niet kon beschikken over haar identiteitsbewijs, bankpas en geld. Ten aanzien van de voor de verschillende onderdelen vereiste handelingen kan worden bewezen dat de verdachten – met het oogmerk om aangeefster uit te buiten – aangeefster hebben geworven, vervoerd, gehuisvest en opgenomen (onderdeel 1); dat de verdachten aangeefster vanuit een ander land hebben meegenomen en geworven en hebben bewogen om zich in Nederland beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling (onderdelen 3 en 4); dat de verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van aangeefster (onderdeel 6) en dat de verdachten aangeefster hebben gedwongen dan wel bewogen hen te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen met of voor een derde (onderdeel 9). Hoewel het dossier ook stukken bevat die als ontlastend zouden kunnen worden aangemerkt, is de bewijswaarde van deze stukken minimaal. Deze stukken betreffen namelijk met name verklaringen van getuigen, terwijl uit het dossier in samenhang bezien volgt dat in ieder geval verdachte alles heeft geprobeerd te doen om getuigen valse verklaringen te laten afleggen. 5.2 De verdediging Volgens de raadsman dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel. Daartoe heeft hij verschillende verweren gevoerd. Allereerst dient verdachte te worden vrijgesproken omdat hij nooit heeft gehandeld met het oogmerk om aangeefster uit te buiten. De handelingen die hij namelijk ten aanzien van de werkzaamheden in de prostitutie heeft verricht, waren er niet op gericht om op ongeoorloofde wijze profijt te trekken uit de exploitatie van aangeefster. Het initiatief voor het uitvoeren van de werkzaamheden kwam immers van aangeefster zelf. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt. De verklaringen zijn immers niet alleen innerlijk tegenstrijdig, maar ook strijdig met het overige bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt. Ook kunnen de door de officier van justitie als steunbewijs aangedragen bewijsmiddelen niet als zodanig worden gebruikt, omdat deze bewijsmiddelen om verschillende redenen onbetrouwbaar zijn en tevens een scenario kunnen ondersteunen waarin aangeefster en haar partner met een financieel oogmerk belastend over verdachte hebben verklaard. In dit verband heeft de raadsman ook verwezen naar het ontlastende bewijsmateriaal, dat op verzoek van de verdediging in het dossier is gevoegd en waarnaar de politie (deels) onderzoek heeft gedaan. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van een van de in artikel 273f, eerste lid, Sr genoemde vormen van mensenhandel komen, dan dient verdachte in ieder geval van enkele van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen te worden vrijgesproken. Zo kan een groot deel van de in de tenlastelegging omschreven ‘enige handelingen’ niet zo worden uitgelegd dat aangeefster door die handelingen prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten. Verder is er geen steunbewijs voorhanden om te bewijzen dat verdachte heeft gedreigd om de oren van aangeefster af te snijden, haar kind te vermoorden, of dat aangeefster van haar familie werd geïsoleerd en dat zij werd opgesloten.
Volledig
6 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal hieronder de vraag beantwoorden of het handelen van verdachte onder de specifieke omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1, 3, 4, 6 en/of 9 Sr. Daartoe zal de rechtbank eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en vaststellen of deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarna zal de rechtbank de juridisch kaders uiteenzetten, op basis waarvan zij dient te beoordelen of verdachte zich aan een van de in artikel 273f Sr beschreven vormen van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. Tot slot zal worden gemotiveerd tot welke oordelen de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen is gekomen, waarbij ook wordt ingegaan op datgene dat de officier van justitie en de raadsman naar voren hebben gebracht. 6.1 De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster 6.1.1 Toetsingskader Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster stelt de rechtbank het volgende voorop. Uit de wettelijke bepalingen en de jurisprudentie over het bewijsrecht in strafzaken is geen algemeen in alle strafzaken geldend toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van (getuigen)verklaringen af te leiden. Wel kunnen uit de jurisprudentie criteria worden afgeleid die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen betrokken kunnen worden. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de betreffende verklaringen. Daarnaast kan getoetst worden aan uit overige objectieve bronnen verkregen informatie of gegevens en kan meewegen of de inhoud van de afgelegde verklaringen gegeven de vastgestelde omstandigheden plausibel is. Ook kan daarbij worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Daarbij valt te denken aan de psychische belasting van de betrokkene, de mogelijke eigen rol of betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang dan wel motief - persoonlijk, financieel of anderszins - om niet overeenkomstig de waarheid dan wel een daardoor gekleurde voor de verdachte ont- of belastende verklaring af te leggen. 6.1.2 Oordeel van de rechtbank Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verschillende in het dossier gevoegde verklaringen van aangeefster op onderdelen inconsistent zijn en worden weersproken door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Als gevolg van deze vaststelling dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster van dien aard zijn, dat de rechtbank moet concluderen dat deze verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en zal hieronder uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank overweegt dat de tegenstrijdigheden in de aangifte niet slechts zien op bijzaken en omstandigheden die zich gemakkelijk aan het geheugen laten onttrekken. Deze tegenstrijdigheden hebben ook betrekking op de delen van de verklaringen van aangeefster waarop de essentiële onderdelen van de tenlastelegging die zien op de dwangmiddelen en de daarmee samenhangende feitelijke handelingen zijn gebaseerd. De rechtbank wijst in dit kader allereerst op het gegeven dat aangeefster in haar eerste gesprek met de politie heeft verklaard dat zij soms door verdachte, maar vooral door de medeverdachte is mishandeld. In haar latere verhoren heeft aangeefster telkens meer mishandelingen aan verdachte, dan aan medeverdachte toegeschreven. Uiteindelijk heeft zij in haar verhoor tegenover de rechter-commissaris op 16 mei 2025 verklaard dat zij elke dag door verdachte is mishandeld. Verder heeft aangeefster aanvankelijk verklaard dat haar privételefoon door de verdachten is afgenomen en dat zij enkel een werktelefoon tot haar beschikking had waarmee zij alleen toegang had tot haar advertentie op het online escortplatform [platform] en contact kon hebben met onder meer de verdachten. Hierdoor zouden de verdachten haar de mogelijkheden tot het opnemen van contact met familieleden hebben ontnomen en zou zij geen gebruik hebben kunnen maken van sociale media. Later heeft aangeefster verklaard dat zij contact had met haar familie via WhatsApp en vaak videobelde met haar ex-schoonmoeder [ex-schoonmoeder] , hetgeen [ex-schoonmoeder] ook tegenover de Nederlandse en Roemeense politie heeft bevestigd. Daarnaast heeft de politie vastgesteld dat aangeefster – ook gedurende de ten laste gelegde periode – veelvuldig (in bepaalde periodes dagelijks) van sociale media gebruik heeft gemaakt en toegang heeft gehad tot telefoons waarmee zij met verschillende personen (op het oog sociale) gesprekken heeft gevoerd. Ook stelt de rechtbank vast dat aangeefster meer malen wisselende antwoorden heeft gegeven op vragen van de politie over het moment waarop zij is begonnen met haar prostitutiewerkzaamheden voor de verdachten en wanneer deze werkzaamheden onvrijwillig werden doordat de verdachten zouden zijn gestopt met het uitbetalen van vijftig procent van haar omzet. De rechtbank stelt vast dat de verschillende data en periodes die aangeefster in dit kader heeft genoemd jaren uit elkaar liggen. Tot slot staat de rechtbank stil bij de ontlastende verklaringen van getuigen en andere bewijsmiddelen, die (deels) op verzoek van de verdediging van verdachte in het dossier zijn gevoegd. Hoewel de rechtbank zich – met de officier van justitie – niet aan de indruk kan onttrekken dat in ieder geval een deel van deze bewijsmiddelen met behulp van enige vorm van sturing door verdachte tot stand zijn gekomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat aan deze stukken geen enkele waarde kan worden gehecht. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de voor verdachte belastende verklaringen van aangeefster en haar partner en voormalig chauffeur [partner] over hun betrokkenheid bij de totstandkoming van deze bewijsmiddelen, evenmin eenduidig zijn. Bovendien leest de rechtbank met name in de tekstuele uitwerking van de door de verdediging op 10 juni 2025 aangeleverde geluidsbestanden, waarop de stem van aangeefster is herkend, spontaan ogende verklaringen van aangeefster waarin afbreuk wordt gedaan aan haar tegenover de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen over onder meer haar drugsgebruik. Ook lijkt zij daarbij haar beschuldigingen tegen met name verdachte te nuanceren. Hoewel de ontlastende bewijsmiddelen – gelet op de mogelijk dubieuze totstandkoming daarvan – geen doorslaggevende rol spelen in het oordeel van de rechtbank, kunnen zij in samenhang bezien met de voornoemde andere bevindingen wel meewegen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster en – gelet op de samenhang van deze verklaringen en de onderlinge verstandhoudingen – de ondersteunende verklaringen van haar partner van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Anders dan de verdediging verbindt de rechtbank hieraan echter niet de conclusie dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De in het dossier omschreven omstandigheden waaronder aangeefster zich voor het eerst bij de politie heeft gemeld en de overige bewijsmiddelen kunnen naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate als basis dienen om te beoordelen of verdachte zich aan een van de ten laste gelegde vormen van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. De overwegingen van de rechtbank zullen zich hierna dan ook op deze overige bewijsmiddelen toespitsen. 6.2 Juridisch kader 6.2.1 Algemeen Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd.
Volledig
6 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal hieronder de vraag beantwoorden of het handelen van verdachte onder de specifieke omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1, 3, 4, 6 en/of 9 Sr. Daartoe zal de rechtbank eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en vaststellen of deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarna zal de rechtbank de juridisch kaders uiteenzetten, op basis waarvan zij dient te beoordelen of verdachte zich aan een van de in artikel 273f Sr beschreven vormen van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. Tot slot zal worden gemotiveerd tot welke oordelen de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen is gekomen, waarbij ook wordt ingegaan op datgene dat de officier van justitie en de raadsman naar voren hebben gebracht. 6.1 De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster 6.1.1 Toetsingskader Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster stelt de rechtbank het volgende voorop. Uit de wettelijke bepalingen en de jurisprudentie over het bewijsrecht in strafzaken is geen algemeen in alle strafzaken geldend toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van (getuigen)verklaringen af te leiden. Wel kunnen uit de jurisprudentie criteria worden afgeleid die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen betrokken kunnen worden. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de betreffende verklaringen. Daarnaast kan getoetst worden aan uit overige objectieve bronnen verkregen informatie of gegevens en kan meewegen of de inhoud van de afgelegde verklaringen gegeven de vastgestelde omstandigheden plausibel is. Ook kan daarbij worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Daarbij valt te denken aan de psychische belasting van de betrokkene, de mogelijke eigen rol of betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang dan wel motief - persoonlijk, financieel of anderszins - om niet overeenkomstig de waarheid dan wel een daardoor gekleurde voor de verdachte ont- of belastende verklaring af te leggen. 6.1.2 Oordeel van de rechtbank Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verschillende in het dossier gevoegde verklaringen van aangeefster op onderdelen inconsistent zijn en worden weersproken door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Als gevolg van deze vaststelling dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster van dien aard zijn, dat de rechtbank moet concluderen dat deze verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en zal hieronder uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank overweegt dat de tegenstrijdigheden in de aangifte niet slechts zien op bijzaken en omstandigheden die zich gemakkelijk aan het geheugen laten onttrekken. Deze tegenstrijdigheden hebben ook betrekking op de delen van de verklaringen van aangeefster waarop de essentiële onderdelen van de tenlastelegging die zien op de dwangmiddelen en de daarmee samenhangende feitelijke handelingen zijn gebaseerd. De rechtbank wijst in dit kader allereerst op het gegeven dat aangeefster in haar eerste gesprek met de politie heeft verklaard dat zij soms door verdachte, maar vooral door de medeverdachte is mishandeld. In haar latere verhoren heeft aangeefster telkens meer mishandelingen aan verdachte, dan aan medeverdachte toegeschreven. Uiteindelijk heeft zij in haar verhoor tegenover de rechter-commissaris op 16 mei 2025 verklaard dat zij elke dag door verdachte is mishandeld. Verder heeft aangeefster aanvankelijk verklaard dat haar privételefoon door de verdachten is afgenomen en dat zij enkel een werktelefoon tot haar beschikking had waarmee zij alleen toegang had tot haar advertentie op het online escortplatform [platform] en contact kon hebben met onder meer de verdachten. Hierdoor zouden de verdachten haar de mogelijkheden tot het opnemen van contact met familieleden hebben ontnomen en zou zij geen gebruik hebben kunnen maken van sociale media. Later heeft aangeefster verklaard dat zij contact had met haar familie via WhatsApp en vaak videobelde met haar ex-schoonmoeder [ex-schoonmoeder] , hetgeen [ex-schoonmoeder] ook tegenover de Nederlandse en Roemeense politie heeft bevestigd. Daarnaast heeft de politie vastgesteld dat aangeefster – ook gedurende de ten laste gelegde periode – veelvuldig (in bepaalde periodes dagelijks) van sociale media gebruik heeft gemaakt en toegang heeft gehad tot telefoons waarmee zij met verschillende personen (op het oog sociale) gesprekken heeft gevoerd. Ook stelt de rechtbank vast dat aangeefster meer malen wisselende antwoorden heeft gegeven op vragen van de politie over het moment waarop zij is begonnen met haar prostitutiewerkzaamheden voor de verdachten en wanneer deze werkzaamheden onvrijwillig werden doordat de verdachten zouden zijn gestopt met het uitbetalen van vijftig procent van haar omzet. De rechtbank stelt vast dat de verschillende data en periodes die aangeefster in dit kader heeft genoemd jaren uit elkaar liggen. Tot slot staat de rechtbank stil bij de ontlastende verklaringen van getuigen en andere bewijsmiddelen, die (deels) op verzoek van de verdediging van verdachte in het dossier zijn gevoegd. Hoewel de rechtbank zich – met de officier van justitie – niet aan de indruk kan onttrekken dat in ieder geval een deel van deze bewijsmiddelen met behulp van enige vorm van sturing door verdachte tot stand zijn gekomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat aan deze stukken geen enkele waarde kan worden gehecht. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de voor verdachte belastende verklaringen van aangeefster en haar partner en voormalig chauffeur [partner] over hun betrokkenheid bij de totstandkoming van deze bewijsmiddelen, evenmin eenduidig zijn. Bovendien leest de rechtbank met name in de tekstuele uitwerking van de door de verdediging op 10 juni 2025 aangeleverde geluidsbestanden, waarop de stem van aangeefster is herkend, spontaan ogende verklaringen van aangeefster waarin afbreuk wordt gedaan aan haar tegenover de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen over onder meer haar drugsgebruik. Ook lijkt zij daarbij haar beschuldigingen tegen met name verdachte te nuanceren. Hoewel de ontlastende bewijsmiddelen – gelet op de mogelijk dubieuze totstandkoming daarvan – geen doorslaggevende rol spelen in het oordeel van de rechtbank, kunnen zij in samenhang bezien met de voornoemde andere bevindingen wel meewegen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster en – gelet op de samenhang van deze verklaringen en de onderlinge verstandhoudingen – de ondersteunende verklaringen van haar partner van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Anders dan de verdediging verbindt de rechtbank hieraan echter niet de conclusie dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De in het dossier omschreven omstandigheden waaronder aangeefster zich voor het eerst bij de politie heeft gemeld en de overige bewijsmiddelen kunnen naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate als basis dienen om te beoordelen of verdachte zich aan een van de ten laste gelegde vormen van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. De overwegingen van de rechtbank zullen zich hierna dan ook op deze overige bewijsmiddelen toespitsen. 6.2 Juridisch kader 6.2.1 Algemeen Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd.
Volledig
Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan. 6.2.2 De verschillende sub-leden Artikel 273f, eerste lid, sub 1 en sub 4 Sr Sub 1 betreft de strafbaarstelling van de persoon die in het traject voorafgaand aan de uitbuiting actief is. De activiteiten van de persoon zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4. Voornoemde subonderdelen bestaan uit de volgende drie elementen: a. a) handelingen, b) dwangmiddelen en c) (oogmerk van) uitbuiting. Om te komen tot een veroordeling voor mensenhandel dient vast te staan dat sprake is van zowel een handeling als de inzet van een dwangmiddel in relatie tot het oogmerk van uitbuiting. Tussen de handelingen en dwangmiddelen bestaat een causaal verband; de handelingen worden mogelijk gemaakt door het gebruik van/het aanwezig zijn van (één van de) dwangmiddelen. a. a) De handelingen De handelingen van sub 1 (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander) hebben elk een neutrale en feitelijke betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd. Sub 4 ziet op handelingen waarbij iemand een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (eerste deel van sub 4), dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid (tweede deel van sub 4). Gedoeld wordt op diegenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. b) De dwangmiddelen De dwangmiddelen die in sub 1 zijn genoemd zijn: dwang, (dreiging met) geweld of met een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een ander. In sub 4 is opgenomen dat gebruik moet zijn gemaakt van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen, dan wel dat de handelingen moeten zijn verricht onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden. Het dwangmiddel moet ertoe leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden om zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Het slachtoffer zal door aanwending van het dwangmiddel te allen tijde tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting moeten zijn gebracht, dat wil zeggen een situatie waarin hij, als hij daaraan weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gekoppeld aan het zich beschikbaar stellen tot verrichten van arbeid. c) Het oogmerk van uitbuiting Het begrip ‘uitbuiting’ heeft de wetgever niet gedefinieerd, met dien verstande dat in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meer factoren die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - in aanmerking kunnen/moeten worden genomen en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van tewerkstelling sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven vormen het referentiekader. Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Het aanwenden van een dwangmiddel beïnvloedt de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat het leidt tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. De daadwerkelijke uitbuiting hoeft bij de beoordeling van artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de (onmiskenbare) bedoeling van de dader. Voor het oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit. Het oogmerk van de dader dient te zijn gericht op de uitbuiting, voorwaardelijk opzet is niet voldoende. De situatie van uitbuiting kan ook ontstaan nadat aanvankelijk vrijwilligheid bij het slachtoffer bestond, bijvoorbeeld indien dwangmiddelen (bijvoorbeeld misleiding) worden toegepast ten aanzien van iemand die reeds in de prostitutie werkte. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat onder een uitbuitingssituatie in geval van seksuele uitbuiting wordt verstaan dat een prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de ‘omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren’. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Niet is vereist dat diegene de uitbuitingssituatie zelf heeft gecreëerd. Daarbij geldt dat het ‘zich beschikbaar stellen’ voldoende is. Dit betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen. Artikel 273f, eerste lid, sub 3 Sr Op grond van sub 3 is strafbaar degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Net zoals in sub 4, is voor een bewezenverklaring van sub 3 vereist dat de voornoemde handelingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen ter voorkoming dat ‘slechts’ onachtzaam handelen onder het bereik van deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste. Artikel 273, eerste lid, sub 9 Sr Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met (één van) de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde.
Volledig
Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan. 6.2.2 De verschillende sub-leden Artikel 273f, eerste lid, sub 1 en sub 4 Sr Sub 1 betreft de strafbaarstelling van de persoon die in het traject voorafgaand aan de uitbuiting actief is. De activiteiten van de persoon zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4. Voornoemde subonderdelen bestaan uit de volgende drie elementen: a. a) handelingen, b) dwangmiddelen en c) (oogmerk van) uitbuiting. Om te komen tot een veroordeling voor mensenhandel dient vast te staan dat sprake is van zowel een handeling als de inzet van een dwangmiddel in relatie tot het oogmerk van uitbuiting. Tussen de handelingen en dwangmiddelen bestaat een causaal verband; de handelingen worden mogelijk gemaakt door het gebruik van/het aanwezig zijn van (één van de) dwangmiddelen. a. a) De handelingen De handelingen van sub 1 (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander) hebben elk een neutrale en feitelijke betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd. Sub 4 ziet op handelingen waarbij iemand een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (eerste deel van sub 4), dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid (tweede deel van sub 4). Gedoeld wordt op diegenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. b) De dwangmiddelen De dwangmiddelen die in sub 1 zijn genoemd zijn: dwang, (dreiging met) geweld of met een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een ander. In sub 4 is opgenomen dat gebruik moet zijn gemaakt van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen, dan wel dat de handelingen moeten zijn verricht onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden. Het dwangmiddel moet ertoe leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden om zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Het slachtoffer zal door aanwending van het dwangmiddel te allen tijde tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting moeten zijn gebracht, dat wil zeggen een situatie waarin hij, als hij daaraan weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gekoppeld aan het zich beschikbaar stellen tot verrichten van arbeid. c) Het oogmerk van uitbuiting Het begrip ‘uitbuiting’ heeft de wetgever niet gedefinieerd, met dien verstande dat in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meer factoren die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - in aanmerking kunnen/moeten worden genomen en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van tewerkstelling sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven vormen het referentiekader. Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Het aanwenden van een dwangmiddel beïnvloedt de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat het leidt tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. De daadwerkelijke uitbuiting hoeft bij de beoordeling van artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de (onmiskenbare) bedoeling van de dader. Voor het oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit. Het oogmerk van de dader dient te zijn gericht op de uitbuiting, voorwaardelijk opzet is niet voldoende. De situatie van uitbuiting kan ook ontstaan nadat aanvankelijk vrijwilligheid bij het slachtoffer bestond, bijvoorbeeld indien dwangmiddelen (bijvoorbeeld misleiding) worden toegepast ten aanzien van iemand die reeds in de prostitutie werkte. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat onder een uitbuitingssituatie in geval van seksuele uitbuiting wordt verstaan dat een prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de ‘omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren’. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Niet is vereist dat diegene de uitbuitingssituatie zelf heeft gecreëerd. Daarbij geldt dat het ‘zich beschikbaar stellen’ voldoende is. Dit betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen. Artikel 273f, eerste lid, sub 3 Sr Op grond van sub 3 is strafbaar degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Net zoals in sub 4, is voor een bewezenverklaring van sub 3 vereist dat de voornoemde handelingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen ter voorkoming dat ‘slechts’ onachtzaam handelen onder het bereik van deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste. Artikel 273, eerste lid, sub 9 Sr Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met (één van) de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde.
Volledig
Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de in sub 9 omschreven gedragingen alleen strafbaar kunnen zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het is een impliciet bestanddeel van sub 9. 6.2.3 Uitgangspunten bewijswaardering Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid Sr wordt gekeken naar drie bestanddelen, te weten een aantal dwangmiddelen, een aantal handelingen en het oogmerk van uitbuiting. Ten aanzien van het bewijs van de feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering ( Sv) geldt voor de tenlastelegging als geheel en niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging kan worden bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel moet ook worden gekeken naar de onderlinge samenhang van de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen. 6.3 Feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De contacten tussen aangeefster en de politie en het verlaten van de opvanglocatie Het eerste contact tussen aangeefster en de politie heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025, toen aangeefster zich vroeg in de ochtend aan de balie van het politiebureau in Amsterdam Zuidoost-Bijlmermeer meldde. Volgens de politie was aangeefster tijdens deze eerste ontmoeting bezweet en in paniek. Zij was gekleed in een roze badjas met daaroverheen een zwarte winterjas. Op het lichaam van aangeefster heeft de politie verschillende letsels (blauwe plekken, verdikkingen en verkleuringen) waargenomen. Nadat zij een belastende verklaring over verdachte en medeverdachte had afgelegd, heeft de politie haar doorverwezen naar het Team Mensenhandel en is aangeefster uiteindelijk ondergebracht in een opvanglocatie. Op 14 januari 2025 heeft aangeefster deze opvanglocatie samen met een man verlaten en is zij niet meer teruggekomen. Op 16 januari 2025 heeft de politie, samen met toezichthouders van de Gemeente Amsterdam, een prostitutiecontrole uitgevoerd op het adres [adres 1] in Amsterdam. De politie is uitgekomen op het voornoemde adres nadat zij via de website [platform] .nl een afspraak hadden gemaakt met ene ‘ [Afkorting voornaam aangeefster] ’. Eenmaal ter plaatse heeft de politie een sekswerker aangetroffen waarvan later werd geconstateerd dat dit aangeefster was. Ook op basis van later onderzoek heeft de politie aangeefster herkend op de foto’s die aan de advertentie van ‘ [Afkorting voornaam aangeefster] ’ gekoppeld waren. Verder is vastgesteld dat de advertentie op 22 juli 2024 is aangemaakt. Nadat de politie tijdens de controle aan aangeefster vroeg of zij veilig was, reageerde zij geëmotioneerd en had zij tranen in haar ogen staan. Samen met aangeefsterwaren twee andere sekswerkers aanwezig, die volgens de politie onder invloed leken van enige stof. De aanwezige toezichthouders hebben geprobeerd om te bellen met het telefoonnummer dat via de advertentie aan aangeefster werd toegeschreven, maar kregen geen gehoor. Later kwam bij een van de andere aanwezige sekswerkers een SMS-bericht binnen met informatie over een gemiste oproep. De politie heeft aangeefster teruggebracht naar de opvanglocatie. Op 6 februari 2025 maakte de politie zich zorgen om de veiligheid van aangeefster en is contact opgenomen met de ex-schoonmoeder van aangeefster, , met wie zij sinds de feestdagen contact had. [ex-schoonmoeder] heeft tegenover de politie verklaard dat zij niets van aangeefster heeft gehoord. Later op dezelfde dag heeft aangeefster zich, in aanwezigheid van een advocaat, opnieuw bij de politie gemeld. Uit het gesprek met de politie blijkt dat aangeefster opnieuw uit de opvang is weggelopen. Op 7 april 2025 heeft de politie, na de aanhouding van verdachte, de woning in de [adres 2] in Rotterdam betreden. In de woning werden verschillende vrouwen aangetroffen, waaronder aangeefster. Volgens de politie wilde aangeefster zo snel mogelijk de woning verlaten en kwam zij angstig over. Toen aangeefster eenmaal naast een politieagent in de auto zat, trilden haar benen, schoof zij onrustig heen en weer en beet zij op haar vingers. De betrokkenheid van verdachte en de medeverdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij betrokken is geweest bij de werkzaamheden van aangeefster en andere vrouwen in de prostitutie. Hij heeft verklaard dat hij als chauffeur voor de vrouwen optrad en met zijn partner, medeverdachte , heeft samengewerkt. Hij en medeverdachte waren bezig met dezelfde dingen en ontvingen samen vijftig procent van de opbrengsten van de vrouwen die afkomstig waren uit hun werkzaamheden in de prostitutie. Over aangeefster heeft verdachte verklaard dat zij drugs (cocaïne en crack) gebruikte en daardoor anders werd. Door haar drugsgebruik zou aangeefster zomaar voor een auto kunnen springen. De medeverdachte heeft tegenover de politie onder meer verklaard dat zij aangeefster en andere vrouwen heeft geholpen bij het aanmaken en betalen van advertenties op [platform] .nl en het ontvangen van betalingen van klanten ; de huur en chauffeur betaalde ; zich bezighield met het regelen van transport van de vrouwen ; en samen met de andere vrouwen de telefoon opnam als klanten belden en adressen doorstuurde naar een chauffeur om de vrouwen weg te brengen. Op 17 januari 2025 is de politie begonnen met het afluisteren van de telefoongesprekken gevoerd met een telefoonnummer dat bij de medeverdachte in gebruik was. In een gesprek van 9 februari 2025 belt een vrouw die “ [naam 2] ” wordt genoemd met een andere vrouw die met “ [voornaam aangeefster] ” wordt aangesproken en wordt gesproken over het vinden van een adres, terwijl te horen is dat een man instructies geeft. In een telefoongesprek op 2 maart 2025 belt “ [naam 2] ” met “ [voornaam aangeefster] ”. [voornaam aangeefster] geeft daarin aan dat zij “hem” heeft gevonden en dat “hij” haar 320 heeft gegeven. [voornaam aangeefster] weet niet wat voor diensten hij wil, waarop [naam 2] onder meer antwoordt: “ Hij zei zonder en anaal ”. Ook is onderzoek gedaan naar verschillende telefoons die in het kader van het onderzoek naar verdachten in beslag zijn genomen. Op één van deze telefoons, die bij aangeefster is aangetroffen, heeft de bezitter van de telefoon in de periode van 1 januari tot en met 8 januari 2025 berichten met daarin ronde getallen tussen de 50 en 400 naar een tegencontact met de naam “ [naam 2] ” gestuurd. Ook bevatte de telefoon soortgelijke berichten van andere data met tegencontacten “ [naam 2] ” en “ [naam 2] ”. Op de telefoon die onder de medeverdachte in beslag is genomen en door middel van face-id bij de medeverdachte is geopend, is een chatgesprek met een tegencontact opgeslagen onder de naam “ [naam 4] ” aangetroffen. In de aangetroffen berichten stuurt de gebruiker van de telefoon [naam 4] naar verschillende adressen. Ook vraagt [naam 4] aan de gebruiker van de telefoon hoe lang “ [voornaam aangeefster] ” nog blijft, omdat hij fout geparkeerd staat. Tot slot zijn chatgesprekken aangetroffen op de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen. In gesprekken wordt door een tegencontact genaamd “ [naam 2] ” onder meer het volgende aan de gebruiker van de telefoon geschreven: “ [voornaam aangeefster] met [klant] tot vandaag om 7 uur ”, “ 54 uur [klant] ” en “ [voornaam aangeefster] heeft nog 110 van violten gepakt om nog meer spul/drugs voor [klant] te halen ”.
Volledig
Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de in sub 9 omschreven gedragingen alleen strafbaar kunnen zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het is een impliciet bestanddeel van sub 9. 6.2.3 Uitgangspunten bewijswaardering Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid Sr wordt gekeken naar drie bestanddelen, te weten een aantal dwangmiddelen, een aantal handelingen en het oogmerk van uitbuiting. Ten aanzien van het bewijs van de feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering ( Sv) geldt voor de tenlastelegging als geheel en niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging kan worden bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel moet ook worden gekeken naar de onderlinge samenhang van de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen. 6.3 Feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De contacten tussen aangeefster en de politie en het verlaten van de opvanglocatie Het eerste contact tussen aangeefster en de politie heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025, toen aangeefster zich vroeg in de ochtend aan de balie van het politiebureau in Amsterdam Zuidoost-Bijlmermeer meldde. Volgens de politie was aangeefster tijdens deze eerste ontmoeting bezweet en in paniek. Zij was gekleed in een roze badjas met daaroverheen een zwarte winterjas. Op het lichaam van aangeefster heeft de politie verschillende letsels (blauwe plekken, verdikkingen en verkleuringen) waargenomen. Nadat zij een belastende verklaring over verdachte en medeverdachte had afgelegd, heeft de politie haar doorverwezen naar het Team Mensenhandel en is aangeefster uiteindelijk ondergebracht in een opvanglocatie. Op 14 januari 2025 heeft aangeefster deze opvanglocatie samen met een man verlaten en is zij niet meer teruggekomen. Op 16 januari 2025 heeft de politie, samen met toezichthouders van de Gemeente Amsterdam, een prostitutiecontrole uitgevoerd op het adres [adres 1] in Amsterdam. De politie is uitgekomen op het voornoemde adres nadat zij via de website [platform] .nl een afspraak hadden gemaakt met ene ‘ [Afkorting voornaam aangeefster] ’. Eenmaal ter plaatse heeft de politie een sekswerker aangetroffen waarvan later werd geconstateerd dat dit aangeefster was. Ook op basis van later onderzoek heeft de politie aangeefster herkend op de foto’s die aan de advertentie van ‘ [Afkorting voornaam aangeefster] ’ gekoppeld waren. Verder is vastgesteld dat de advertentie op 22 juli 2024 is aangemaakt. Nadat de politie tijdens de controle aan aangeefster vroeg of zij veilig was, reageerde zij geëmotioneerd en had zij tranen in haar ogen staan. Samen met aangeefsterwaren twee andere sekswerkers aanwezig, die volgens de politie onder invloed leken van enige stof. De aanwezige toezichthouders hebben geprobeerd om te bellen met het telefoonnummer dat via de advertentie aan aangeefster werd toegeschreven, maar kregen geen gehoor. Later kwam bij een van de andere aanwezige sekswerkers een SMS-bericht binnen met informatie over een gemiste oproep. De politie heeft aangeefster teruggebracht naar de opvanglocatie. Op 6 februari 2025 maakte de politie zich zorgen om de veiligheid van aangeefster en is contact opgenomen met de ex-schoonmoeder van aangeefster, , met wie zij sinds de feestdagen contact had. [ex-schoonmoeder] heeft tegenover de politie verklaard dat zij niets van aangeefster heeft gehoord. Later op dezelfde dag heeft aangeefster zich, in aanwezigheid van een advocaat, opnieuw bij de politie gemeld. Uit het gesprek met de politie blijkt dat aangeefster opnieuw uit de opvang is weggelopen. Op 7 april 2025 heeft de politie, na de aanhouding van verdachte, de woning in de [adres 2] in Rotterdam betreden. In de woning werden verschillende vrouwen aangetroffen, waaronder aangeefster. Volgens de politie wilde aangeefster zo snel mogelijk de woning verlaten en kwam zij angstig over. Toen aangeefster eenmaal naast een politieagent in de auto zat, trilden haar benen, schoof zij onrustig heen en weer en beet zij op haar vingers. De betrokkenheid van verdachte en de medeverdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij betrokken is geweest bij de werkzaamheden van aangeefster en andere vrouwen in de prostitutie. Hij heeft verklaard dat hij als chauffeur voor de vrouwen optrad en met zijn partner, medeverdachte , heeft samengewerkt. Hij en medeverdachte waren bezig met dezelfde dingen en ontvingen samen vijftig procent van de opbrengsten van de vrouwen die afkomstig waren uit hun werkzaamheden in de prostitutie. Over aangeefster heeft verdachte verklaard dat zij drugs (cocaïne en crack) gebruikte en daardoor anders werd. Door haar drugsgebruik zou aangeefster zomaar voor een auto kunnen springen. De medeverdachte heeft tegenover de politie onder meer verklaard dat zij aangeefster en andere vrouwen heeft geholpen bij het aanmaken en betalen van advertenties op [platform] .nl en het ontvangen van betalingen van klanten ; de huur en chauffeur betaalde ; zich bezighield met het regelen van transport van de vrouwen ; en samen met de andere vrouwen de telefoon opnam als klanten belden en adressen doorstuurde naar een chauffeur om de vrouwen weg te brengen. Op 17 januari 2025 is de politie begonnen met het afluisteren van de telefoongesprekken gevoerd met een telefoonnummer dat bij de medeverdachte in gebruik was. In een gesprek van 9 februari 2025 belt een vrouw die “ [naam 2] ” wordt genoemd met een andere vrouw die met “ [voornaam aangeefster] ” wordt aangesproken en wordt gesproken over het vinden van een adres, terwijl te horen is dat een man instructies geeft. In een telefoongesprek op 2 maart 2025 belt “ [naam 2] ” met “ [voornaam aangeefster] ”. [voornaam aangeefster] geeft daarin aan dat zij “hem” heeft gevonden en dat “hij” haar 320 heeft gegeven. [voornaam aangeefster] weet niet wat voor diensten hij wil, waarop [naam 2] onder meer antwoordt: “ Hij zei zonder en anaal ”. Ook is onderzoek gedaan naar verschillende telefoons die in het kader van het onderzoek naar verdachten in beslag zijn genomen. Op één van deze telefoons, die bij aangeefster is aangetroffen, heeft de bezitter van de telefoon in de periode van 1 januari tot en met 8 januari 2025 berichten met daarin ronde getallen tussen de 50 en 400 naar een tegencontact met de naam “ [naam 2] ” gestuurd. Ook bevatte de telefoon soortgelijke berichten van andere data met tegencontacten “ [naam 2] ” en “ [naam 2] ”. Op de telefoon die onder de medeverdachte in beslag is genomen en door middel van face-id bij de medeverdachte is geopend, is een chatgesprek met een tegencontact opgeslagen onder de naam “ [naam 4] ” aangetroffen. In de aangetroffen berichten stuurt de gebruiker van de telefoon [naam 4] naar verschillende adressen. Ook vraagt [naam 4] aan de gebruiker van de telefoon hoe lang “ [voornaam aangeefster] ” nog blijft, omdat hij fout geparkeerd staat. Tot slot zijn chatgesprekken aangetroffen op de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen. In gesprekken wordt door een tegencontact genaamd “ [naam 2] ” onder meer het volgende aan de gebruiker van de telefoon geschreven: “ [voornaam aangeefster] met [klant] tot vandaag om 7 uur ”, “ 54 uur [klant] ” en “ [voornaam aangeefster] heeft nog 110 van violten gepakt om nog meer spul/drugs voor [klant] te halen ”.
Volledig
De naam [klant] komt ook terug in een chatgesprek met tegencontact “ [andere naam aangeefster] ”. Op de profielfoto horende bij dit tegencontact heeft de politie aangeefster herkend. [andere naam aangeefster] schrijft op 3 april 2025 aan de gebruiker van de telefoon: “ [klant] wil er 2 en hij neemt me om nog langer bij hem te blijven ”, “ Maar is niet leuk zonder spul/drugs ”, “ Ik heb niet geslapen om bij hem te blijven getrokken/gesnoven en nu zag hij dat hij spul/drugs heeft ” en “ ik had het niet erg gevonden als ik onder invloed van drugs was, maar alles was uitgewerkt/voorbij en ik zei alleen tegen [naam 2] (opmerking tolk: vermoedelijk [naam 2] typefout) klaar ik ga slapen en hij kwam en heeft alles verpest/geneukt en ik zei tegen hem denk goed overna of je lang gaat blijven ik ga niet trekken/snuiven voor één uur ”. De geldstromen en overige financiële bevindingen De politie heeft onderzoek gedaan naar de inkomsten van verdachte, de medeverdachte, aangeefster en de andere vrouwen die in het onderzoek zijn voorgekomen. Tijdens dit onderzoek heeft de politie onder meer vastgesteld dat de ING-bankrekening van de medeverdachte gedurende een onderzoeksperiode van 15 januari 2025 tot en met 26 januari 2025 enkel is gevoed door bijschrijvingen afkomstig van natuurlijke personen. In twaalf dagen tijd is in 38 transacties in totaal € 5.945,- bijgeschreven. Het gaat daarbij telkens om ronde bedragen, variërend van € 50,- tot enkele honderden euro’s. Verder is volgens de politie opvallend dat de meeste houders van de tegenrekeningen mannen betreffen. Ook is vastgesteld dat op de betaalrekening 33 afschrijvingen van in totaal € 795,- aan [B.V.] BV, de exploitant van [platform] .nl, hebben plaatsgevonden. De politie heeft ook onderzoek gedaan naar een Revolut-bankrekening op naam van [naam 6] , waarvoor de contactgegevens van medeverdachte zijn geregistreerd. Op deze bankrekening hebben gedurende een onderzoeksperiode van 7 april 2022 (de dag waarop de rekening is geopend) tot en met 2 maart 2025 1923 transacties plaatsgevonden. Daarbij is € 207.595,22 op de rekening bijgeschreven en € 125.662,65 afgeschreven. Volgens de politie is het opvallend dat er een duidelijke geldstroom zichtbaar is richting verdachte , medeverdachte en hun vermoedelijke familieleden. Vanaf de rekening is verder € 6.125,98 afgeschreven ten behoeve van [B.V.] BV, de exploitant van [platform] .nl. Aangeefster komt in het geheel van de transacties vanaf de rekening niet voor. Bij de politie heeft medeverdachte verklaard dat zij de betreffende Revolut-bankrekening van [naam 6] heeft gekregen. Ook de ING-bankrekening van verdachte is onderzocht. De politie heeft ten aanzien van deze rekening onder meer vastgesteld dat gedurende een onderzoeksperiode van 20 oktober 2024 tot en met 9 januari 2025 € 31.371,- op de rekening is bijgeschreven. De rekening is met name gevoed door tegenrekeningen van mannelijke tenaamgestelden. Gedurende de onderzoeksperiode hebben 35 afschrijvingen met een totaalbedrag van € 705,- aan [B.V.] BV plaatsgevonden. De medeverdachte heeft over de geldstromen tegenover de politie verklaard dat zij de opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden van andere vrouwen, waaronder aangeefster, met “cashgeld” verdeelde. Deze vrouwen hadden namelijk geen bankrekening of, in het geval van aangeefster, een app om de rekening te kunnen gebruiken. Over aangeefster heeft de politie tenslotte vastgesteld dat zij een ING-rekening op haar naam had staan, die op 26 februari 2025 is geopend. Uit de transactiegegevens horende bij de rekening is gebleken dat er eenmaal een bedrag van € 0,42 aan bankkosten van de rekening is afgeschreven en dat er verder geen transacties hebben plaatsgevonden. Voor de bankrekening is één fysieke betaalpas afgegeven. De medeverdachte is op 7 april 2025 aangehouden, terwijl zij in het bezit was van een ING-betaalpas op naam van aangeefster. Uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de medeverdachte is gebleken dat eenmaal € 100,- is overgemaakt naar een rekening op naam van [ex-schoonmoeder] , de ex-schoonmoeder van aangeefster . [ex-schoonmoeder] heeft zelf tegenover de Roemeense politie verklaard dat aangeefster haar verschillende geldbedragen van ongeveer € 100,- tot € 150,- heeft gestuurd. Dit gebeurde elke twee tot drie maanden, maar het is ook voorgekomen dat aangeefster eenmaal per maand een bedrag opstuurde. Sinds december 2024 zou [ex-schoonmoeder] geen geld meer hebben ontvangen. 6.4 Weging van de feiten en omstandigheden in het licht van de tenlastelegging 6.4.1 De bewezen feitelijke handelingen Gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat een deel van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is allereerst gebleken dat beide verdachten zich op verschillende manieren met de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster hebben beziggehouden. Verdachten hebben aangeefster in hun woningen laten verblijven, die woningen beschikbaar gesteld voor prostitutiewerkzaamheden, de advertenties van aangeefster op [platform] .nl aangemaakt en ‘omhooggeplaatst’, een werktelefoon ter beschikking gesteld en aangeefster (laten) begeleiden/vervoeren naar haar escortwerkzaamheden. Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en de op de verschillende telefoons aangetroffen chatberichten, kan eveneens worden bewezen dat medeverdachte betrokken is geweest bij het onderhouden van contacten en het maken van afspraken met prostitutieklanten van aangeefster, het maken van afspraken met die klanten over de aard van de werkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en aangeefster heeft geïnstrueerd over wanneer zij klaar moest staan voor haar werkzaamheden. Ook verdachte heeft over de gang van zaken bij ieder geval één klant ( [klant] ) met medeverdachte en aangeefster gecommuniceerd. Daarbij acht de rechtbank telkens bewezen – nu daarvoor geen contra-indicaties zijn aangevoerd dan wel gebleken – dat de op de telefoons aangetroffen uitgaande berichten zijn geschreven door de personen onder wie de telefoons in beslag zijn genomen, dat met de namen “ [naam 2] ” en “ [naam 2] ” op medeverdachte wordt gedoeld en dat met de namen “ [voornaam aangeefster] ” en “ [voornaam aangeefster] ” op aangeefster wordt gedoeld. Op basis van de verklaring van de verdachten over het verdelen van het door onder meer aangeefster verdiende geld uit prostitutiewerkzaamheden en de financiële bevindingen van de politie, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte (een groot deel van) het geld van aangeefster heeft afgenomen en ontvangen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat, hoewel op basis van de bewijsmiddelen niet exact kan worden vastgesteld welk deel van de omzet van aangeefster naar de verdachten is gegaan, uit de omvang van de hierboven weergegeven geldstromen in ieder geval blijkt dat de verdachten ten koste van aangeefster aanzienlijke geldbedragen hebben ontvangen. Dit gegeven, in combinatie met de verklaring van de medeverdachte dat zij de opbrengsten contant verdeelde omdat aangeefster geen toegang had tot een bankrekening en het gegeven dat de bankpas van aangeefster bij medeverdachte is aangetroffen, maakt ook dat de rechtbank bewezen acht dat aangeefster in een positie is gebracht en gehouden waarin zij niet over haar eigen financiële middelen heeft kunnen beschikken. Ten aanzien van alle voornoemde feitelijke handelingen merkt de rechtbank verdachte telkens als medepleger aan. Daarbij verwijst de rechtbank naar de verklaring van verdachte dat hij samen met de medeverdachte betrokken is geweest bij de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster en zijn opbrengsten met de medeverdachte heeft gedeeld en de bevindingen van de politie met betrekking tot de verschillende geldstromen die via de verschillende rekeningen naar beide verdachten liepen.
Volledig
De naam [klant] komt ook terug in een chatgesprek met tegencontact “ [andere naam aangeefster] ”. Op de profielfoto horende bij dit tegencontact heeft de politie aangeefster herkend. [andere naam aangeefster] schrijft op 3 april 2025 aan de gebruiker van de telefoon: “ [klant] wil er 2 en hij neemt me om nog langer bij hem te blijven ”, “ Maar is niet leuk zonder spul/drugs ”, “ Ik heb niet geslapen om bij hem te blijven getrokken/gesnoven en nu zag hij dat hij spul/drugs heeft ” en “ ik had het niet erg gevonden als ik onder invloed van drugs was, maar alles was uitgewerkt/voorbij en ik zei alleen tegen [naam 2] (opmerking tolk: vermoedelijk [naam 2] typefout) klaar ik ga slapen en hij kwam en heeft alles verpest/geneukt en ik zei tegen hem denk goed overna of je lang gaat blijven ik ga niet trekken/snuiven voor één uur ”. De geldstromen en overige financiële bevindingen De politie heeft onderzoek gedaan naar de inkomsten van verdachte, de medeverdachte, aangeefster en de andere vrouwen die in het onderzoek zijn voorgekomen. Tijdens dit onderzoek heeft de politie onder meer vastgesteld dat de ING-bankrekening van de medeverdachte gedurende een onderzoeksperiode van 15 januari 2025 tot en met 26 januari 2025 enkel is gevoed door bijschrijvingen afkomstig van natuurlijke personen. In twaalf dagen tijd is in 38 transacties in totaal € 5.945,- bijgeschreven. Het gaat daarbij telkens om ronde bedragen, variërend van € 50,- tot enkele honderden euro’s. Verder is volgens de politie opvallend dat de meeste houders van de tegenrekeningen mannen betreffen. Ook is vastgesteld dat op de betaalrekening 33 afschrijvingen van in totaal € 795,- aan [B.V.] BV, de exploitant van [platform] .nl, hebben plaatsgevonden. De politie heeft ook onderzoek gedaan naar een Revolut-bankrekening op naam van [naam 6] , waarvoor de contactgegevens van medeverdachte zijn geregistreerd. Op deze bankrekening hebben gedurende een onderzoeksperiode van 7 april 2022 (de dag waarop de rekening is geopend) tot en met 2 maart 2025 1923 transacties plaatsgevonden. Daarbij is € 207.595,22 op de rekening bijgeschreven en € 125.662,65 afgeschreven. Volgens de politie is het opvallend dat er een duidelijke geldstroom zichtbaar is richting verdachte , medeverdachte en hun vermoedelijke familieleden. Vanaf de rekening is verder € 6.125,98 afgeschreven ten behoeve van [B.V.] BV, de exploitant van [platform] .nl. Aangeefster komt in het geheel van de transacties vanaf de rekening niet voor. Bij de politie heeft medeverdachte verklaard dat zij de betreffende Revolut-bankrekening van [naam 6] heeft gekregen. Ook de ING-bankrekening van verdachte is onderzocht. De politie heeft ten aanzien van deze rekening onder meer vastgesteld dat gedurende een onderzoeksperiode van 20 oktober 2024 tot en met 9 januari 2025 € 31.371,- op de rekening is bijgeschreven. De rekening is met name gevoed door tegenrekeningen van mannelijke tenaamgestelden. Gedurende de onderzoeksperiode hebben 35 afschrijvingen met een totaalbedrag van € 705,- aan [B.V.] BV plaatsgevonden. De medeverdachte heeft over de geldstromen tegenover de politie verklaard dat zij de opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden van andere vrouwen, waaronder aangeefster, met “cashgeld” verdeelde. Deze vrouwen hadden namelijk geen bankrekening of, in het geval van aangeefster, een app om de rekening te kunnen gebruiken. Over aangeefster heeft de politie tenslotte vastgesteld dat zij een ING-rekening op haar naam had staan, die op 26 februari 2025 is geopend. Uit de transactiegegevens horende bij de rekening is gebleken dat er eenmaal een bedrag van € 0,42 aan bankkosten van de rekening is afgeschreven en dat er verder geen transacties hebben plaatsgevonden. Voor de bankrekening is één fysieke betaalpas afgegeven. De medeverdachte is op 7 april 2025 aangehouden, terwijl zij in het bezit was van een ING-betaalpas op naam van aangeefster. Uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de medeverdachte is gebleken dat eenmaal € 100,- is overgemaakt naar een rekening op naam van [ex-schoonmoeder] , de ex-schoonmoeder van aangeefster . [ex-schoonmoeder] heeft zelf tegenover de Roemeense politie verklaard dat aangeefster haar verschillende geldbedragen van ongeveer € 100,- tot € 150,- heeft gestuurd. Dit gebeurde elke twee tot drie maanden, maar het is ook voorgekomen dat aangeefster eenmaal per maand een bedrag opstuurde. Sinds december 2024 zou [ex-schoonmoeder] geen geld meer hebben ontvangen. 6.4 Weging van de feiten en omstandigheden in het licht van de tenlastelegging 6.4.1 De bewezen feitelijke handelingen Gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat een deel van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is allereerst gebleken dat beide verdachten zich op verschillende manieren met de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster hebben beziggehouden. Verdachten hebben aangeefster in hun woningen laten verblijven, die woningen beschikbaar gesteld voor prostitutiewerkzaamheden, de advertenties van aangeefster op [platform] .nl aangemaakt en ‘omhooggeplaatst’, een werktelefoon ter beschikking gesteld en aangeefster (laten) begeleiden/vervoeren naar haar escortwerkzaamheden. Op basis van de afgeluisterde telefoongesprekken en de op de verschillende telefoons aangetroffen chatberichten, kan eveneens worden bewezen dat medeverdachte betrokken is geweest bij het onderhouden van contacten en het maken van afspraken met prostitutieklanten van aangeefster, het maken van afspraken met die klanten over de aard van de werkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en aangeefster heeft geïnstrueerd over wanneer zij klaar moest staan voor haar werkzaamheden. Ook verdachte heeft over de gang van zaken bij ieder geval één klant ( [klant] ) met medeverdachte en aangeefster gecommuniceerd. Daarbij acht de rechtbank telkens bewezen – nu daarvoor geen contra-indicaties zijn aangevoerd dan wel gebleken – dat de op de telefoons aangetroffen uitgaande berichten zijn geschreven door de personen onder wie de telefoons in beslag zijn genomen, dat met de namen “ [naam 2] ” en “ [naam 2] ” op medeverdachte wordt gedoeld en dat met de namen “ [voornaam aangeefster] ” en “ [voornaam aangeefster] ” op aangeefster wordt gedoeld. Op basis van de verklaring van de verdachten over het verdelen van het door onder meer aangeefster verdiende geld uit prostitutiewerkzaamheden en de financiële bevindingen van de politie, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte (een groot deel van) het geld van aangeefster heeft afgenomen en ontvangen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat, hoewel op basis van de bewijsmiddelen niet exact kan worden vastgesteld welk deel van de omzet van aangeefster naar de verdachten is gegaan, uit de omvang van de hierboven weergegeven geldstromen in ieder geval blijkt dat de verdachten ten koste van aangeefster aanzienlijke geldbedragen hebben ontvangen. Dit gegeven, in combinatie met de verklaring van de medeverdachte dat zij de opbrengsten contant verdeelde omdat aangeefster geen toegang had tot een bankrekening en het gegeven dat de bankpas van aangeefster bij medeverdachte is aangetroffen, maakt ook dat de rechtbank bewezen acht dat aangeefster in een positie is gebracht en gehouden waarin zij niet over haar eigen financiële middelen heeft kunnen beschikken. Ten aanzien van alle voornoemde feitelijke handelingen merkt de rechtbank verdachte telkens als medepleger aan. Daarbij verwijst de rechtbank naar de verklaring van verdachte dat hij samen met de medeverdachte betrokken is geweest bij de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster en zijn opbrengsten met de medeverdachte heeft gedeeld en de bevindingen van de politie met betrekking tot de verschillende geldstromen die via de verschillende rekeningen naar beide verdachten liepen.
Volledig
6.4.2 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr Dwangmiddelen De rechtbank is van oordeel dat uit de voornoemde feitelijke handelingen kan worden opgemaakt dat verdachte en medeverdachte misbruik hebben gemaakt van aangeefsters kwetsbare positie en een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond, blijkt onder meer uit de staat waarin zij telkens verkeerde wanneer zij door de politie is aangetroffen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat aangeefster in een voor haar vreemd land in de prostitutie werkzaam is geweest, zonder dat zij de taal van dat land machtig was , en zij kennelijk in een positie verkeerde waarbij zij bij vrijwel alle logistieke aspecten van haar werk hulp nodig had van de verdachten. Verder kan uit de verklaring van verdachte en de aangetroffen chatberichten worden afgeleid dat aangeefster (tijdens haar werkzaamheden) drugs gebruikte en dat dit drugsgebruik een negatieve invloed op haar welzijn had. Deze omstandigheden, in combinatie met het gegeven dat de verdachten de beschikkingsmacht over de omzet van aangeefster hadden en het gegeven dat medeverdachte de bankpas van aangeefster in haar bezit had, maakt ook dat de verdachten feitelijk overwicht over aangeefster hebben gehad. Dat verdachten vervolgens misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster en hun feitelijk overwicht over haar, blijkt uit het gegeven dat uit de verklaringen van de verdachten kan worden opgemaakt dat zij van de voornoemde feitelijke omstandigheden op de hoogte zijn geweest en desondanks zijn doorgegaan met het profiteren van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde dwangmiddelen is de rechtbank van oordeel dat zij – zonder gebruik te maken van de verklaringen van aangeefster en de partner van aangeefster, [partner] – niet kunnen worden bewezen. Verdachte zal, gelet op hetgeen in rubriek 6.1.2, overwogen is, van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Oogmerk van uitbuiting De rechtbank stelt voorop dat zonder meer is gebleken dat aangeefster zich gedurende de tijd dat zij bij de verdachten verbleef in een uitbuitingssituatie heeft bevonden. De omstandigheden die hierboven tot het oordeel hebben geleid dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond en dat de verdachten feitelijk overwicht over haar hadden, maken dat de manier waarop aangeefster in de prostitutie heeft gewerkt geenszins past bij de in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet worden opgemaakt dat de verdachten ook hebben gehandeld met het oogmerk om aangeefster uit te buiten. Daarvoor is, zoals hiervoor onder het juridische kader is uitgewerkt, vereist dat de verdachten de hiervoor bewezenverklaarde dwangmiddelen opzettelijk hebben benut om de wil van aangeefster dusdanig te beïnvloeden dat zij in een situatie is gebracht en/of gehouden waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan zich te laten exploiteren. De rechtbank overweegt dat verdachte, zoals hiervoor is weergegeven, wordt vrijgesproken van de meeste feitelijke onderdelen van de tenlastelegging die zien op het dwingen van aangeefster om in de prostitutie te (blijven) werken, terwijl de onderdelen van de tenlastelegging die bewezen worden geacht met name zien op de verschillende manieren waarmee de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster feitelijk zijn gefaciliteerd. De rechtbank is in dit licht van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachten met hun handelingen en door feitelijk misbruik te maken van hun overwicht over aangeefster en haar kwetsbare positie, zich bewust moeten zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat aangeefster door hun handelen zou worden uitgebuit. Door aangeefster desondanks in de prostitutie te laten werken en een (groot) deel van haar inkomsten te ontvangen, hebben de verdachten deze kans ook bewust aanvaard. De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachten voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster hebben gehad. Conclusie Omdat voorwaardelijk opzet onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr genoemde oogmerk van uitbuiting te komen, zal verdachte van deze vorm van mensenhandel worden vrijgesproken. 6.4.2 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr Bij de beoordeling van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr genoemde vorm van mensenhandel, dient de rechtbank te beoordelen of aangeefster is aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk om haar ertoe te brengen zich in Nederland en/of Engeland beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden. Nu de rechtbank voor het bewijs geen gebruik maakt van de verklaringen van aangeefster, dient de rechtbank op basis van de rest van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden te beoordelen gedurende welke periode en waar de bewezenverklaarde handelingen zich hebben voorgedaan. De rechtbank zoekt in dit kader aansluiting bij de datum waarop de advertentie van aangeefster onder de naam “ [Afkorting voornaam aangeefster] ” op [platform] .nl is aangemaakt (22 juli 2024), nu de politie aangeefster op de foto’s die aan deze advertentie gekoppeld waren heeft herkend en voldoende is gebleken dat aangeefster van de advertentie gebruik heeft gemaakt. Verder kan uit de feiten en omstandigheden worden opgemaakt dat aangeefster tot de dag waarop de verdachten zijn aangehouden, te weten 7 april 2025, met haar werk in de prostitutie is doorgegaan. De rechtbank acht daarom bewezen dat hierboven besproken feitelijke handelingen zich in de periode van 22 juli 2024 tot en met 7 april 2025 hebben voorgedaan. Omdat uit het dossier niet blijkt dat aangeefster gedurende de voornoemde periode is aangeworven om naar Nederland te komen of door de verdachten naar Nederland is meegenomen, kan niet worden bewezen dat verdachte zich aan de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr beschreven vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. Verdachte zal daarom ook van deze vorm van mensenhandel worden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de ten laste gelegde handelingen en dwangmiddelen die in Engeland zouden hebben plaatsgevonden. 6.4.3 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr Zoals hiervoor onder het juridische kader door de rechtbank uiteen is gezet, is voor de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr genoemde vorm van mensenhandel vereist dat de feitelijke handelingen van de verdachten zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan, nu zij hiervoor onder rubriek 6.4.2 al heeft geoordeeld dat zonder meer vaststaat dat aangeefster zich gedurende de tijd dat zij bij de verdachten verbleef in een uitbuitingssituatie heeft bevonden. Verder is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachten – terwijl zij misbruik maakten van hun feitelijk overwicht over aangeefster en haar kwetsbare positie (de onder artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr genoemde omstandigheden) – handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten dat aangeefster zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en diensten van seksuele aard. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, hebben de verdachten immers voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster gehad. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachten de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster met hun handelen in doorslaggevende mate hebben gefaciliteerd en dat aangeefster zonder tussenkomst van de verdachten geen toegang had tot de inkomsten uit haar eigen werkzaamheden en daardoor (zonder via de verdachten in de prostitutie te werken) niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich aan het medeplegen van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven.
Volledig
6.4.2 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr Dwangmiddelen De rechtbank is van oordeel dat uit de voornoemde feitelijke handelingen kan worden opgemaakt dat verdachte en medeverdachte misbruik hebben gemaakt van aangeefsters kwetsbare positie en een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond, blijkt onder meer uit de staat waarin zij telkens verkeerde wanneer zij door de politie is aangetroffen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat aangeefster in een voor haar vreemd land in de prostitutie werkzaam is geweest, zonder dat zij de taal van dat land machtig was , en zij kennelijk in een positie verkeerde waarbij zij bij vrijwel alle logistieke aspecten van haar werk hulp nodig had van de verdachten. Verder kan uit de verklaring van verdachte en de aangetroffen chatberichten worden afgeleid dat aangeefster (tijdens haar werkzaamheden) drugs gebruikte en dat dit drugsgebruik een negatieve invloed op haar welzijn had. Deze omstandigheden, in combinatie met het gegeven dat de verdachten de beschikkingsmacht over de omzet van aangeefster hadden en het gegeven dat medeverdachte de bankpas van aangeefster in haar bezit had, maakt ook dat de verdachten feitelijk overwicht over aangeefster hebben gehad. Dat verdachten vervolgens misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster en hun feitelijk overwicht over haar, blijkt uit het gegeven dat uit de verklaringen van de verdachten kan worden opgemaakt dat zij van de voornoemde feitelijke omstandigheden op de hoogte zijn geweest en desondanks zijn doorgegaan met het profiteren van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde dwangmiddelen is de rechtbank van oordeel dat zij – zonder gebruik te maken van de verklaringen van aangeefster en de partner van aangeefster, [partner] – niet kunnen worden bewezen. Verdachte zal, gelet op hetgeen in rubriek 6.1.2, overwogen is, van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Oogmerk van uitbuiting De rechtbank stelt voorop dat zonder meer is gebleken dat aangeefster zich gedurende de tijd dat zij bij de verdachten verbleef in een uitbuitingssituatie heeft bevonden. De omstandigheden die hierboven tot het oordeel hebben geleid dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond en dat de verdachten feitelijk overwicht over haar hadden, maken dat de manier waarop aangeefster in de prostitutie heeft gewerkt geenszins past bij de in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet worden opgemaakt dat de verdachten ook hebben gehandeld met het oogmerk om aangeefster uit te buiten. Daarvoor is, zoals hiervoor onder het juridische kader is uitgewerkt, vereist dat de verdachten de hiervoor bewezenverklaarde dwangmiddelen opzettelijk hebben benut om de wil van aangeefster dusdanig te beïnvloeden dat zij in een situatie is gebracht en/of gehouden waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan zich te laten exploiteren. De rechtbank overweegt dat verdachte, zoals hiervoor is weergegeven, wordt vrijgesproken van de meeste feitelijke onderdelen van de tenlastelegging die zien op het dwingen van aangeefster om in de prostitutie te (blijven) werken, terwijl de onderdelen van de tenlastelegging die bewezen worden geacht met name zien op de verschillende manieren waarmee de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster feitelijk zijn gefaciliteerd. De rechtbank is in dit licht van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachten met hun handelingen en door feitelijk misbruik te maken van hun overwicht over aangeefster en haar kwetsbare positie, zich bewust moeten zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat aangeefster door hun handelen zou worden uitgebuit. Door aangeefster desondanks in de prostitutie te laten werken en een (groot) deel van haar inkomsten te ontvangen, hebben de verdachten deze kans ook bewust aanvaard. De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachten voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster hebben gehad. Conclusie Omdat voorwaardelijk opzet onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr genoemde oogmerk van uitbuiting te komen, zal verdachte van deze vorm van mensenhandel worden vrijgesproken. 6.4.2 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr Bij de beoordeling van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr genoemde vorm van mensenhandel, dient de rechtbank te beoordelen of aangeefster is aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk om haar ertoe te brengen zich in Nederland en/of Engeland beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden. Nu de rechtbank voor het bewijs geen gebruik maakt van de verklaringen van aangeefster, dient de rechtbank op basis van de rest van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden te beoordelen gedurende welke periode en waar de bewezenverklaarde handelingen zich hebben voorgedaan. De rechtbank zoekt in dit kader aansluiting bij de datum waarop de advertentie van aangeefster onder de naam “ [Afkorting voornaam aangeefster] ” op [platform] .nl is aangemaakt (22 juli 2024), nu de politie aangeefster op de foto’s die aan deze advertentie gekoppeld waren heeft herkend en voldoende is gebleken dat aangeefster van de advertentie gebruik heeft gemaakt. Verder kan uit de feiten en omstandigheden worden opgemaakt dat aangeefster tot de dag waarop de verdachten zijn aangehouden, te weten 7 april 2025, met haar werk in de prostitutie is doorgegaan. De rechtbank acht daarom bewezen dat hierboven besproken feitelijke handelingen zich in de periode van 22 juli 2024 tot en met 7 april 2025 hebben voorgedaan. Omdat uit het dossier niet blijkt dat aangeefster gedurende de voornoemde periode is aangeworven om naar Nederland te komen of door de verdachten naar Nederland is meegenomen, kan niet worden bewezen dat verdachte zich aan de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 3 Sr beschreven vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt. Verdachte zal daarom ook van deze vorm van mensenhandel worden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de ten laste gelegde handelingen en dwangmiddelen die in Engeland zouden hebben plaatsgevonden. 6.4.3 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr Zoals hiervoor onder het juridische kader door de rechtbank uiteen is gezet, is voor de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr genoemde vorm van mensenhandel vereist dat de feitelijke handelingen van de verdachten zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan, nu zij hiervoor onder rubriek 6.4.2 al heeft geoordeeld dat zonder meer vaststaat dat aangeefster zich gedurende de tijd dat zij bij de verdachten verbleef in een uitbuitingssituatie heeft bevonden. Verder is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachten – terwijl zij misbruik maakten van hun feitelijk overwicht over aangeefster en haar kwetsbare positie (de onder artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr genoemde omstandigheden) – handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten dat aangeefster zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en diensten van seksuele aard. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, hebben de verdachten immers voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster gehad. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachten de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster met hun handelen in doorslaggevende mate hebben gefaciliteerd en dat aangeefster zonder tussenkomst van de verdachten geen toegang had tot de inkomsten uit haar eigen werkzaamheden en daardoor (zonder via de verdachten in de prostitutie te werken) niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich aan het medeplegen van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven.
Volledig
6.4.4 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr Anders dan bij de boordeling van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr het geval is, is het voor een veroordeling op grond van onderdeel 6 van voornoemde artikel voldoende wanneer de rechtbank kan vaststellen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster heeft gehad. In rubriek 6.4.2 heeft de rechtbank al vastgesteld dat dit het geval is. Omdat uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is gebleken dat zij een deel van de inkomsten van aangeefster hebben ontvangen, kan ook worden bewezen dat de verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van aangeefster. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte zich ook aan het medeplegen van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven. 6.4.5 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr Ook voor de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr beschreven vorm van mensenhandel is vereist dat verdachte heeft gehandeld onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Zoals hiervoor in rubriek 6.4.3 is overwogen, is aan dit vereiste voldaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen is gebleken dat aangeefster door de verdachten is bewogen om hen te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is immers gebleken dat zij een deel van de inkomsten van aangeefster ontvingen, dat alle inkomsten van aangeefster eerst bij de medeverdachte terechtkwamen voordat een verdere verdeling plaatsvond en dat aangeefster geen toegang had tot een bankrekening om haar eigen omzet in ontvangst te nemen of te beheren. Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich ook aan de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven. 7 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: in de periode van 22 juli 2024 tot en met 7 april 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met één ander, (ten aanzien van) een ander te weten [benadeelde partij/aangeefster] : enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en zijn mededader, redelijkerwijs wisten dat die [benadeelde partij/aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard; en heeft bewogen hem, verdachte, en zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [benadeelde partij/aangeefster] met of voor een derde tegen betaling; en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en waarbij misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie met betrekking tot [benadeelde partij/aangeefster] heeft bestaan uit: - het afnemen van het bankpasje en geld van die [benadeelde partij/aangeefster] ; - het brengen en houden van die [benadeelde partij/aangeefster] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken; -; en waarbij voornoemde "enige handeling" heeft bestaan uit: - het laten verblijven van die [benadeelde partij/aangeefster] in zijn, verdachtes, woning en in de woning van zijn, verdachtes, mededader en het ter beschikking stellen van die woning als werkplek voor prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en - het aanmaken en onderhouden (waaronder begrepen het "omhoogplaatsen") van één advertentie op één website waarin die [benadeelde partij/aangeefster] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden; en - het ter beschikking stellen van een werktelefoon voor de prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en - het onderhouden van contacten met en het maken van afspraken met prostitutieklanten voor die [benadeelde partij/aangeefster] en het maken van afspraken met die klanten over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen; en - het geven van uitleg en instructie aan die [benadeelde partij/aangeefster] met betrekking tot de door die [benadeelde partij/aangeefster] te verrichten prostitutiewerkzaamheden; en - het instrueren van die [benadeelde partij/aangeefster] per telefoon wanneer zij klaar moest staan voor prostitutiewerkzaamheden; en - het (laten) begeleiden en vervoeren van die [benadeelde partij/aangeefster] bij/naar escortwerkzaamheden; en - een groot deel van het verdiende geld van die [benadeelde partij/aangeefster] te ontvangen. 8 De strafbaarheid van de feiten Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 9 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 10 Motivering van de straf 10.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen en onder verwijzing naar jurisprudentie, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die de duur van 18 maanden niet overstijgt. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van het feit Verdachte heeft zich gedurende acht en halve maand op allerlei manieren schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van aangeefster. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat aangeefster zich in een uitbuitingssituatie beschikbaar stelde voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en heeft opzettelijk voordeel getrokken uit die werkzaamheden. Dit alles gebeurde terwijl aangeefster zich in een uitermate kwetsbare positie bevond en verdachte en de medeverdachte (financieel) overwicht over haar hadden. In plaats van dat dit ertoe heeft geleid dat de verdachten aangeefster in bescherming namen, zijn zij doorgegaan met het profiteren van haar werkzaamheden in de prostitutie en de omstandigheden waaronder zij deze werkzaamheden heeft verricht. Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft alleen voor zijn eigen (financiële) belangen oog gehad en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de persoonlijke integriteit, vrijheid en het welzijn van aangeefster. De ervaring leert dat slachtoffers van mensenhandel nog lange tijd psychische problemen kunnen ondervinden van dergelijk handelen. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 14 april 2025 (het strafblad). Daaruit is gebleken dat verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de uittreksels uit het European Criminal Records Information System van 21 januari 2026 betreffende verdachte, afkomstig van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en Roemenië. Hieruit is gebleken dat verdachte in het Verenigd Koninkrijk en in Roemenië veelvuldig voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder vermogensdelicten. Ook mensenhandel valt onder deze categorie strafbare feiten. In de overige door of namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen factoren die op de op te leggen straf invloed dienen te hebben.
Volledig
6.4.4 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr Anders dan bij de boordeling van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1 Sr het geval is, is het voor een veroordeling op grond van onderdeel 6 van voornoemde artikel voldoende wanneer de rechtbank kan vaststellen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van aangeefster heeft gehad. In rubriek 6.4.2 heeft de rechtbank al vastgesteld dat dit het geval is. Omdat uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is gebleken dat zij een deel van de inkomsten van aangeefster hebben ontvangen, kan ook worden bewezen dat de verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van aangeefster. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte zich ook aan het medeplegen van de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven. 6.4.5 Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr Ook voor de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr beschreven vorm van mensenhandel is vereist dat verdachte heeft gehandeld onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Zoals hiervoor in rubriek 6.4.3 is overwogen, is aan dit vereiste voldaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen is gebleken dat aangeefster door de verdachten is bewogen om hen te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte is immers gebleken dat zij een deel van de inkomsten van aangeefster ontvingen, dat alle inkomsten van aangeefster eerst bij de medeverdachte terechtkwamen voordat een verdere verdeling plaatsvond en dat aangeefster geen toegang had tot een bankrekening om haar eigen omzet in ontvangst te nemen of te beheren. Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte zich ook aan de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr genoemde vorm van mensenhandel schuldig heeft gemaakt, zoals hierna in rubriek 7 nader wordt omschreven. 7 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: in de periode van 22 juli 2024 tot en met 7 april 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met één ander, (ten aanzien van) een ander te weten [benadeelde partij/aangeefster] : enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en zijn mededader, redelijkerwijs wisten dat die [benadeelde partij/aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard; en heeft bewogen hem, verdachte, en zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [benadeelde partij/aangeefster] met of voor een derde tegen betaling; en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en waarbij misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie met betrekking tot [benadeelde partij/aangeefster] heeft bestaan uit: - het afnemen van het bankpasje en geld van die [benadeelde partij/aangeefster] ; - het brengen en houden van die [benadeelde partij/aangeefster] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken; -; en waarbij voornoemde "enige handeling" heeft bestaan uit: - het laten verblijven van die [benadeelde partij/aangeefster] in zijn, verdachtes, woning en in de woning van zijn, verdachtes, mededader en het ter beschikking stellen van die woning als werkplek voor prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en - het aanmaken en onderhouden (waaronder begrepen het "omhoogplaatsen") van één advertentie op één website waarin die [benadeelde partij/aangeefster] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden; en - het ter beschikking stellen van een werktelefoon voor de prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde partij/aangeefster] ; en - het onderhouden van contacten met en het maken van afspraken met prostitutieklanten voor die [benadeelde partij/aangeefster] en het maken van afspraken met die klanten over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen; en - het geven van uitleg en instructie aan die [benadeelde partij/aangeefster] met betrekking tot de door die [benadeelde partij/aangeefster] te verrichten prostitutiewerkzaamheden; en - het instrueren van die [benadeelde partij/aangeefster] per telefoon wanneer zij klaar moest staan voor prostitutiewerkzaamheden; en - het (laten) begeleiden en vervoeren van die [benadeelde partij/aangeefster] bij/naar escortwerkzaamheden; en - een groot deel van het verdiende geld van die [benadeelde partij/aangeefster] te ontvangen. 8 De strafbaarheid van de feiten Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 9 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 10 Motivering van de straf 10.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen en onder verwijzing naar jurisprudentie, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die de duur van 18 maanden niet overstijgt. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van het feit Verdachte heeft zich gedurende acht en halve maand op allerlei manieren schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van aangeefster. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat aangeefster zich in een uitbuitingssituatie beschikbaar stelde voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en heeft opzettelijk voordeel getrokken uit die werkzaamheden. Dit alles gebeurde terwijl aangeefster zich in een uitermate kwetsbare positie bevond en verdachte en de medeverdachte (financieel) overwicht over haar hadden. In plaats van dat dit ertoe heeft geleid dat de verdachten aangeefster in bescherming namen, zijn zij doorgegaan met het profiteren van haar werkzaamheden in de prostitutie en de omstandigheden waaronder zij deze werkzaamheden heeft verricht. Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft alleen voor zijn eigen (financiële) belangen oog gehad en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de persoonlijke integriteit, vrijheid en het welzijn van aangeefster. De ervaring leert dat slachtoffers van mensenhandel nog lange tijd psychische problemen kunnen ondervinden van dergelijk handelen. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 14 april 2025 (het strafblad). Daaruit is gebleken dat verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de uittreksels uit het European Criminal Records Information System van 21 januari 2026 betreffende verdachte, afkomstig van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en Roemenië. Hieruit is gebleken dat verdachte in het Verenigd Koninkrijk en in Roemenië veelvuldig voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder vermogensdelicten. Ook mensenhandel valt onder deze categorie strafbare feiten. In de overige door of namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen factoren die op de op te leggen straf invloed dienen te hebben.
Volledig
Strafmaat Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf, houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten die de rechtbanken en de gerechtshoven in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht onderling hebben afgesproken (de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten).De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van het handelen van verdachte ten aanzien van aangeefster en het gegeven dat de onderdelen in de tenlastelegging die op geweld en bedreiging zien niet zijn bewezen, aansluiting dient te worden gezocht bij het oriëntatiepunt voor seksuele uitbuiting van de eerste categorie. Dat betekent dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden als haar uitgangspunt neemt. Vervolgens overweegt de rechtbank dat in strafverzwarende zin meetelt dat verdachte zich gedurende een aanzienlijke periode aan het bewezenverklaarde schuldig heeft gemaakt, dat verdachte een groot deel van de inkomsten van aangeefster heeft ontvangen, dat verdachte het feit samen met zijn medeverdachte heeft gepleegd en dat verdachte in het verleden al vaker voor strafbare feiten is veroordeeld. In het licht van het dossier en de omstandigheden waaronder [benadeelde partij/aangeefster] , verdachte en de andere in het dossier genoemde vrouwen zijn aangetroffen, ziet de rechtbank ook aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Deze voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden om opnieuw de fout in te gaan door profijt te trekken uit de uitbuiting van een ander. Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. 11 De vordering van de benadeelde partij 11.1 De vordering De benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] heeft € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Verder heeft de benadeelde partij primair € 564.886,- aan materiële schade bestaande uit gederfde inkomsten uit prostitutie gevorderd. Subsidiair is deze schadepost begroot op € 485.086,- en meer subsidiair op € 100.500,- Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij verduidelijkt dat van de materiële schadepost € 4.900,- aan onkosten van de benadeelde partij dient te worden afgetrokken. Bovendien heeft zij de vordering ter zitting verminderd met een bedrag van ongeveer € 40,000,- in verband met een periode van 28 dagen waarin aangeefster door medisch ingrijpen niet heeft kunnen werken. Voorts is verzocht verdachte hoofdelijk tot betaling van het totale gevorderde bedrag te veroordelen, het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 11.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de immateriële schadevergoeding geheel wordt toegewezen en de materiële schadevergoeding wordt toegewezen tot € 104.500,- en dat verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Verder heeft zij gevorderd dat de toe te wijzen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd. 11.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft, nu hij primair vrijspraak heeft bepleit, primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren . Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er voor de verdediging onvoldoende gelegenheid is geweest om onderzoek te doen naar de eventuele omvang van de vordering van de benadeelde partij, waardoor de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ook om die reden zou de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat de vordering op geen enkele wijze met bewijsstukken is onderbouwd. Meest subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde schadevergoedingen dienen te worden gematigd. Ten aanzien van de vordering van materiële schade heeft de raadsman daartoe een tegenberekening gegeven. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 5.000.-. 11.4 Het oordeel van de rechtbank De materiële schade Ten aanzien van de materiële schade stelt de rechtbank vast dat in de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire deel geen rekening is gehouden met de kosten die de benadeelde partij gedurende haar werkzaamheden in de prostitutie moet hebben gemaakt. Weliswaar heeft de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting een berekening van deze kosten gemaakt, maar deze berekening is op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd. Tegen deze achtergrond en nu de vordering door de verdediging wordt betwist, is de rechtbank niet in staat om de daadwerkelijke door de benadeelde partij geleden materiële schade vast te stellen of deze schade naar redelijkheid en billijkheid te schatten. Nader onderzoek naar de door de benadeelde partij gemaakte kosten zou aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting vereisen. Nu de rest van de in de zaak tegen verdachte te nemen beslissingen geen nader onderzoek vergen, zou aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in het materiële deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De immateriële schade Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de normschending die daarmee samengaat (mensenhandel en bijdragen aan uitbuiting van de benadeelde partij in de prostitutie) sprake is van een situatie waarin de aard en de ernst van voornoemde normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo evident zijn, dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist. Dit betekent dat de benadeelde partij voor vergoeding van haar immateriële schade in aanmerking komt. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de Rotterdamse schaal voor de ordening van Smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen . In deze schaal staat vermeld dat voor een ‘ernstig’ geval van mensenhandel (gedurende een periode van één maand tot zes maanden en zonder fysiek geweld) een schadevergoeding van € 5.000,- tot € 10.000,- wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande en de duur van de hiervoor ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde pleegperiode, komt de gevorderde schadevergoeding van € 10.000 de rechtbank niet onbillijk voor. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding geheel en hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2024 (een datum die ongeveer in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode ligt).
Volledig
Strafmaat Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf, houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten die de rechtbanken en de gerechtshoven in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht onderling hebben afgesproken (de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten).De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van het handelen van verdachte ten aanzien van aangeefster en het gegeven dat de onderdelen in de tenlastelegging die op geweld en bedreiging zien niet zijn bewezen, aansluiting dient te worden gezocht bij het oriëntatiepunt voor seksuele uitbuiting van de eerste categorie. Dat betekent dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden als haar uitgangspunt neemt. Vervolgens overweegt de rechtbank dat in strafverzwarende zin meetelt dat verdachte zich gedurende een aanzienlijke periode aan het bewezenverklaarde schuldig heeft gemaakt, dat verdachte een groot deel van de inkomsten van aangeefster heeft ontvangen, dat verdachte het feit samen met zijn medeverdachte heeft gepleegd en dat verdachte in het verleden al vaker voor strafbare feiten is veroordeeld. In het licht van het dossier en de omstandigheden waaronder [benadeelde partij/aangeefster] , verdachte en de andere in het dossier genoemde vrouwen zijn aangetroffen, ziet de rechtbank ook aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Deze voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden om opnieuw de fout in te gaan door profijt te trekken uit de uitbuiting van een ander. Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. 11 De vordering van de benadeelde partij 11.1 De vordering De benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] heeft € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Verder heeft de benadeelde partij primair € 564.886,- aan materiële schade bestaande uit gederfde inkomsten uit prostitutie gevorderd. Subsidiair is deze schadepost begroot op € 485.086,- en meer subsidiair op € 100.500,- Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij verduidelijkt dat van de materiële schadepost € 4.900,- aan onkosten van de benadeelde partij dient te worden afgetrokken. Bovendien heeft zij de vordering ter zitting verminderd met een bedrag van ongeveer € 40,000,- in verband met een periode van 28 dagen waarin aangeefster door medisch ingrijpen niet heeft kunnen werken. Voorts is verzocht verdachte hoofdelijk tot betaling van het totale gevorderde bedrag te veroordelen, het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 11.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de immateriële schadevergoeding geheel wordt toegewezen en de materiële schadevergoeding wordt toegewezen tot € 104.500,- en dat verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Verder heeft zij gevorderd dat de toe te wijzen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd. 11.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft, nu hij primair vrijspraak heeft bepleit, primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren . Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er voor de verdediging onvoldoende gelegenheid is geweest om onderzoek te doen naar de eventuele omvang van de vordering van de benadeelde partij, waardoor de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ook om die reden zou de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat de vordering op geen enkele wijze met bewijsstukken is onderbouwd. Meest subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde schadevergoedingen dienen te worden gematigd. Ten aanzien van de vordering van materiële schade heeft de raadsman daartoe een tegenberekening gegeven. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 5.000.-. 11.4 Het oordeel van de rechtbank De materiële schade Ten aanzien van de materiële schade stelt de rechtbank vast dat in de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire deel geen rekening is gehouden met de kosten die de benadeelde partij gedurende haar werkzaamheden in de prostitutie moet hebben gemaakt. Weliswaar heeft de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting een berekening van deze kosten gemaakt, maar deze berekening is op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd. Tegen deze achtergrond en nu de vordering door de verdediging wordt betwist, is de rechtbank niet in staat om de daadwerkelijke door de benadeelde partij geleden materiële schade vast te stellen of deze schade naar redelijkheid en billijkheid te schatten. Nader onderzoek naar de door de benadeelde partij gemaakte kosten zou aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting vereisen. Nu de rest van de in de zaak tegen verdachte te nemen beslissingen geen nader onderzoek vergen, zou aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in het materiële deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De immateriële schade Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de normschending die daarmee samengaat (mensenhandel en bijdragen aan uitbuiting van de benadeelde partij in de prostitutie) sprake is van een situatie waarin de aard en de ernst van voornoemde normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo evident zijn, dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist. Dit betekent dat de benadeelde partij voor vergoeding van haar immateriële schade in aanmerking komt. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de Rotterdamse schaal voor de ordening van Smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen . In deze schaal staat vermeld dat voor een ‘ernstig’ geval van mensenhandel (gedurende een periode van één maand tot zes maanden en zonder fysiek geweld) een schadevergoeding van € 5.000,- tot € 10.000,- wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande en de duur van de hiervoor ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde pleegperiode, komt de gevorderde schadevergoeding van € 10.000 de rechtbank niet onbillijk voor. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding geheel en hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2024 (een datum die ongeveer in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode ligt).
Volledig
Verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. De benadeelde partij wordt in het overige van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Nu de benadeelde partij ten aanzien van het grootste gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten moeten dragen. In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd. 12 Beslag Onder verdachte zijn volgens de in het dossier gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen de volgende voorwerpen in beslag genomen: 660 euro (G6640510); 88,07 euro (G6640509); 1 horloge (G6640483); 1 telefoontoestel (zwart, Apple; G6640498); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640501); 1 Simkaart van zaktelefoon (Orange; G6640502); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640503). De rechtbank zal ten aanzien van de voornoemde geldbedragen de verbeurdverklaring uitspreken. Uit het dossier is immers gebleken dat verdachte geen andere inkomsten had dan uit de prostitutie, waardoor het aannemelijk is dat de geldbedragen in ieder geval grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde zijn verkregen. Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen horloge, dat aan hem toebehoort, zal de rechtbank bevelen dat het aan het verkeer wordt onttrokken. Van dit horloge is immers gebleken dat het vals is, waardoor het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Van de overige in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon bevelen. 13 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht. 14. Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze ziet op mensenhandel ten aanzien van “andere vrouwen”. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden , tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] toe tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf (ongeveer) het midden van de bewezenverklaarde periode (1 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij/aangeefster] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is. Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen. Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij/aangeefster] aan de Staat € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) te betalen , behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf (ongeveer) het midden van de bewezenverklaarde periode (1 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte dan wel de medeverdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen: Verklaart verbeurd : 660 euro (G6640510); 88,07 euro (G6640509); Verklaart onttrokken aan het verkeer : 1 horloge (G6640483); Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 1 telefoontoestel (zwart, Apple; G6640498); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640501); 1 Simkaart van zaktelefoon (Orange; G6640502); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640503). Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Danel, voorzitter, mrs. C.A. van Dijk en C.C.J. Maas-van Es, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026 [--] [--] HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467. zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144. Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 001. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 001. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-089, p. 021. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 003. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-107, p. 210. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-107, p. 210. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-241, p. 443. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-007, p. 085. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-085, p. 045. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-087, p. 029. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-087, p. 031 Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 065. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 065 – 066. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 066. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 066. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026 De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , PV-212, p. 29 – 31. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , PV-212, p. 32. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , SYN-260, p. 043. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , SYN-260, p. 045.
Volledig
Verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. De benadeelde partij wordt in het overige van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Nu de benadeelde partij ten aanzien van het grootste gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten moeten dragen. In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd. 12 Beslag Onder verdachte zijn volgens de in het dossier gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen de volgende voorwerpen in beslag genomen: 660 euro (G6640510); 88,07 euro (G6640509); 1 horloge (G6640483); 1 telefoontoestel (zwart, Apple; G6640498); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640501); 1 Simkaart van zaktelefoon (Orange; G6640502); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640503). De rechtbank zal ten aanzien van de voornoemde geldbedragen de verbeurdverklaring uitspreken. Uit het dossier is immers gebleken dat verdachte geen andere inkomsten had dan uit de prostitutie, waardoor het aannemelijk is dat de geldbedragen in ieder geval grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde zijn verkregen. Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen horloge, dat aan hem toebehoort, zal de rechtbank bevelen dat het aan het verkeer wordt onttrokken. Van dit horloge is immers gebleken dat het vals is, waardoor het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Van de overige in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon bevelen. 13 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht. 14. Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze ziet op mensenhandel ten aanzien van “andere vrouwen”. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden , tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/aangeefster] toe tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf (ongeveer) het midden van de bewezenverklaarde periode (1 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij/aangeefster] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is. Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen. Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij/aangeefster] aan de Staat € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) te betalen , behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf (ongeveer) het midden van de bewezenverklaarde periode (1 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte dan wel de medeverdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen: Verklaart verbeurd : 660 euro (G6640510); 88,07 euro (G6640509); Verklaart onttrokken aan het verkeer : 1 horloge (G6640483); Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 1 telefoontoestel (zwart, Apple; G6640498); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640501); 1 Simkaart van zaktelefoon (Orange; G6640502); 1 Simkaart van zaktelefoon (Lycamobile; G6640503). Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Danel, voorzitter, mrs. C.A. van Dijk en C.C.J. Maas-van Es, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026 [--] [--] HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467. zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144. Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 001. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 001. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-089, p. 021. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-3, pag. 003. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-107, p. 210. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-107, p. 210. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-241, p. 443. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-007, p. 085. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 206. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025005327-9, p. 207. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-085, p. 045. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-087, p. 029. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-087, p. 031 Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 065. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 065 – 066. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 066. Proces-verbaal van bevindingen, SYN-226, p. 066. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026. De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026 De verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 april 2026 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , PV-212, p. 29 – 31. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , PV-212, p. 32. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , SYN-260, p. 043. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , SYN-260, p. 045.