Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4495
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,653 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 text/xml public 2026-05-18T13:58:18 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 AMS 24/1594 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 text/html public 2026-05-12T08:44:24 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / AMS 24/1594 Uitspraak op het verzet. Beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verzet is gegrond. Bestuursrechter is niet bevoegd om over het beroep te oordelen. College van Beroep voor het bedrijfsleven is bevoegd. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1594 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant (gemachtigde: mr. M. Amrani), tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2025 in het geding tussen opposant en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: M. ten Doesschate). Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Tijdens de voorbereiding heeft de rechtbank vastgesteld dat zij niet bevoegd is, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Partijen zijn hiervan in kennis gesteld en geïnformeerd dat de rechtbank voornemens is het verzet gegrond te verklaren, zich onbevoegd te verklaren en de stukken aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven te sturen. Partijen hebben laten weten zich in dit voorstel te kunnen vinden, waardoor zij niet zijn verschenen op de zitting van 22 april 2026. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. 5. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 8:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is op grond van hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bevoegdheidsregeling) dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 6. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarbij aan opposant een last onder dwangsom is opgelegd van € 5.500,- met een maximum van € 27.750,- wegens het aanbieden van openbaar vervoer op de opstapmarkt, te weten het aanbieden van vervoer vanaf standplaatsen en het aanhouden van klanten op straat in de gemeente Amsterdam, zonder geldige taxivergunning. De wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, is de Wet Personenvervoer 2000 (Wp 2000). 7. Op grond van artikel 4 van de Bevoegdheidsregeling kan tegen een besluit, genomen op grond van de Wp 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid, beroep ingesteld worden bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Nu het bestreden besluit is genomen op grond van de artikelen 75, 82a, 82b en 82c van de Wp 2000 is niet de rechtbank, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft haar onbevoegdheid ambtshalve geconstateerd. Conclusie en gevolgen 8. Het verzet is gegrond. De bestuursrechter is niet bevoegd om over het beroep te oordelen. Hieruit volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 6 januari 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Dat betekent dat de uitspraak van 6 januari 2025 vervalt. De rechtbank doet vervolgens uitspraak op het beroep door zich onbevoegd te verklaren. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 9. Het beroepschrift en de overige stukken zullen worden doorgezonden aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven met het verzoek deze in behandeling te nemen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het verzet gegrond; - verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 text/xml public 2026-05-18T13:58:18 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 AMS 24/1594 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 text/html public 2026-05-12T08:44:24 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4495 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / AMS 24/1594 Uitspraak op het verzet. Beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verzet is gegrond. Bestuursrechter is niet bevoegd om over het beroep te oordelen. College van Beroep voor het bedrijfsleven is bevoegd. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1594 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant (gemachtigde: mr. M. Amrani), tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2025 in het geding tussen opposant en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: M. ten Doesschate). Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Tijdens de voorbereiding heeft de rechtbank vastgesteld dat zij niet bevoegd is, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Partijen zijn hiervan in kennis gesteld en geïnformeerd dat de rechtbank voornemens is het verzet gegrond te verklaren, zich onbevoegd te verklaren en de stukken aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven te sturen. Partijen hebben laten weten zich in dit voorstel te kunnen vinden, waardoor zij niet zijn verschenen op de zitting van 22 april 2026. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. 5. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 8:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is op grond van hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bevoegdheidsregeling) dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 6. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarbij aan opposant een last onder dwangsom is opgelegd van € 5.500,- met een maximum van € 27.750,- wegens het aanbieden van openbaar vervoer op de opstapmarkt, te weten het aanbieden van vervoer vanaf standplaatsen en het aanhouden van klanten op straat in de gemeente Amsterdam, zonder geldige taxivergunning. De wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, is de Wet Personenvervoer 2000 (Wp 2000). 7. Op grond van artikel 4 van de Bevoegdheidsregeling kan tegen een besluit, genomen op grond van de Wp 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid, beroep ingesteld worden bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Nu het bestreden besluit is genomen op grond van de artikelen 75, 82a, 82b en 82c van de Wp 2000 is niet de rechtbank, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft haar onbevoegdheid ambtshalve geconstateerd. Conclusie en gevolgen 8. Het verzet is gegrond. De bestuursrechter is niet bevoegd om over het beroep te oordelen. Hieruit volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 6 januari 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Dat betekent dat de uitspraak van 6 januari 2025 vervalt. De rechtbank doet vervolgens uitspraak op het beroep door zich onbevoegd te verklaren. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 9. Het beroepschrift en de overige stukken zullen worden doorgezonden aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven met het verzoek deze in behandeling te nemen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het verzet gegrond; - verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).