Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:4488
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,227 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 text/xml public 2026-05-18T13:51:18 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 AMS 25/7096 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 text/html public 2026-05-12T10:35:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / AMS 25/7096 Mondelinge uitspraak. Afwijzing aanvraag voor een urgentieverklaring. Een te kleine woning levert geen urgent huisvestingsprobleem op. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 25/7096 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring. 1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 10 december 2025 op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college. 1.4. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het college de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht aan eiseres twee algemene weigeringsgronden tegengeworpen. Verweerder heeft aan eiseres tegengeworpen dat het huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van eiseres haar eigen keuze en handelen en dat zij daarmee het huisvestingsprobleem had kunnen voorkomen (weigeringsgrond c). Eiseres heeft, nadat zij een (passende) woning met twee slaapkamers toegewezen heeft gekregen, nog een kind gekregen. Daarmee heeft zij haar gezin uitgebreid zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken. Eiseres is hier in haar beroep niet op in gegaan. Daarom zal de rechtbank deze weigeringsgrond verder niet bespreken. 4. De belangrijkste weigeringsgrond die verweerder heeft tegengeworpen is weigeringsgrond b. In het geval van eiseres is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem dat recht geeft op voorrang op anderen (weigeringsgrond b). Eiseres en haar kinderen zijn niet dakloos, maar hebben een dak boven hun hoofd. Op grond van de regels die bepalen wie voorrang krijg en wie niet, levert een te kleine woning en de problematiek die hier uit voort komt geen urgent huisvestingsprobleem op. 5. Eiseres voert aan dat haar dochter (van bijna 7 jaar) en haar zoon (van bijna 18 jaar) één slaapkamer delen, wat gezien het leeftijdsverschil niet wenselijk is. Eiseres haar zoon heeft behoefte aan privacy en zelfstandigheid, terwijl haar dochter rust en stabiliteit nodig heeft. De rechtbank begrijpt dat de situatie niet prettig en niet ideaal is. Het college betwist ook niet dat het fijn is om een eigen kamer te hebben. Maar dat is geen reden om te spreken van een urgent huisvestingsprobleem. 6. Eiseres voert verder aan dat haar dochter een ontwikkelingsachterstand heeft met gevolgen voor haar schoolprestaties. Eiseres heeft een brief van de logopediste en een rapport van school overgelegd. De rechtbank leest daarin niet dat het heel slecht gaat en dat dit te maken heeft met de woning. Het college verwijst terecht naar de Afdelingsuitspraak van 2023 , waarin werd geoordeeld dat het niet onredelijk is om te stellen dat te klein wonen geen urgent huisvestingsprobleem is. 7. Het college heeft ambtshalve getoetst aan de hardheidsclausule. Eiseres heeft hier niks tegen ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de hardheidsclausule niet alsnog een urgentieverklaring had hoeven verlenen. De rechtbank begrijpt dat eiseres en haar kinderen belang hebben bij een grotere woning, maar uit de stukken blijkt niet dat het gaat om een acute levensbedreigende situatie. 8. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres kan overwegen of een andere indeling van de woning mogelijk is. Die keuze ligt bij eiseres en niet bij verweerder. Verder zou eiseres nogmaals kunnen kijken naar de optie van woningruil naar een andere gemeente. Hoewel begrijpelijk is dat eiseres het liefst in Amsterdam wil blijven wonen, geldt dat voor velen en zijn de mogelijkheden beperkt. Mensen die dakloos zijn hebben prioriteit boven degenen die al een woonruimte hebben. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. 10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Huisvestingsverordening. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 text/xml public 2026-05-18T13:51:18 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 AMS 25/7096 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 text/html public 2026-05-12T10:35:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4488 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / AMS 25/7096 Mondelinge uitspraak. Afwijzing aanvraag voor een urgentieverklaring. Een te kleine woning levert geen urgent huisvestingsprobleem op. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 25/7096 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring. 1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 10 december 2025 op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college. 1.4. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het college de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht aan eiseres twee algemene weigeringsgronden tegengeworpen. Verweerder heeft aan eiseres tegengeworpen dat het huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van eiseres haar eigen keuze en handelen en dat zij daarmee het huisvestingsprobleem had kunnen voorkomen (weigeringsgrond c). Eiseres heeft, nadat zij een (passende) woning met twee slaapkamers toegewezen heeft gekregen, nog een kind gekregen. Daarmee heeft zij haar gezin uitgebreid zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken. Eiseres is hier in haar beroep niet op in gegaan. Daarom zal de rechtbank deze weigeringsgrond verder niet bespreken. 4. De belangrijkste weigeringsgrond die verweerder heeft tegengeworpen is weigeringsgrond b. In het geval van eiseres is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem dat recht geeft op voorrang op anderen (weigeringsgrond b). Eiseres en haar kinderen zijn niet dakloos, maar hebben een dak boven hun hoofd. Op grond van de regels die bepalen wie voorrang krijg en wie niet, levert een te kleine woning en de problematiek die hier uit voort komt geen urgent huisvestingsprobleem op. 5. Eiseres voert aan dat haar dochter (van bijna 7 jaar) en haar zoon (van bijna 18 jaar) één slaapkamer delen, wat gezien het leeftijdsverschil niet wenselijk is. Eiseres haar zoon heeft behoefte aan privacy en zelfstandigheid, terwijl haar dochter rust en stabiliteit nodig heeft. De rechtbank begrijpt dat de situatie niet prettig en niet ideaal is. Het college betwist ook niet dat het fijn is om een eigen kamer te hebben. Maar dat is geen reden om te spreken van een urgent huisvestingsprobleem. 6. Eiseres voert verder aan dat haar dochter een ontwikkelingsachterstand heeft met gevolgen voor haar schoolprestaties. Eiseres heeft een brief van de logopediste en een rapport van school overgelegd. De rechtbank leest daarin niet dat het heel slecht gaat en dat dit te maken heeft met de woning. Het college verwijst terecht naar de Afdelingsuitspraak van 2023 , waarin werd geoordeeld dat het niet onredelijk is om te stellen dat te klein wonen geen urgent huisvestingsprobleem is. 7. Het college heeft ambtshalve getoetst aan de hardheidsclausule. Eiseres heeft hier niks tegen ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de hardheidsclausule niet alsnog een urgentieverklaring had hoeven verlenen. De rechtbank begrijpt dat eiseres en haar kinderen belang hebben bij een grotere woning, maar uit de stukken blijkt niet dat het gaat om een acute levensbedreigende situatie. 8. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres kan overwegen of een andere indeling van de woning mogelijk is. Die keuze ligt bij eiseres en niet bij verweerder. Verder zou eiseres nogmaals kunnen kijken naar de optie van woningruil naar een andere gemeente. Hoewel begrijpelijk is dat eiseres het liefst in Amsterdam wil blijven wonen, geldt dat voor velen en zijn de mogelijkheden beperkt. Mensen die dakloos zijn hebben prioriteit boven degenen die al een woonruimte hebben. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. 10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Huisvestingsverordening. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93.