Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:4363
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,089 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 text/xml public 2026-05-11T13:39:44 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 text/html public 2026-05-07T14:16:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Overeenkomst van opdracht met oneerlijk prijsbeding. Van de huurovereenkomsten zijn niet alle voorwaarden overgelegd, waardoor niet ambtshalve kan worden getoetst. Niet voldaan aan stelplicht door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig aan te voeren. Afwijzing vordering. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Vonnis van 7 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EKRIS RETAIL B.V. , gevestigd te Veenendaal, eisende partij, gemachtigde: mr. D. Plana, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. De kantonrechter benadrukt dat het informatieformulier dat eisende partij bij de dagvaarding heeft gevoegd en waar zij in haar akte naar verwijst, al ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding geruime tijd niet meer in gebruik was. Alle informatie die de kantonrechter nodig heeft om ambtshalve te toetsen aan het consumentenrecht, die eisende partij nu bij akte heeft gegeven, dient (in het vervolg) te zijn verwerkt in het lichaam van de dagvaarding. 2.3. Eisende partij heeft in haar akte toegelicht, kort gezegd, dat de factuur bestaat uit drie delen: (i) de kosten voor het uitvoeren van een voertuigdiagnose, (ii) de – verreweg grootste – kosten voor vervangend vervoer, en (iii) de reinigingskosten die noodzakelijk waren doordat in de huurauto’s is gerookt. Eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eisende partij heeft met gedaagde partij besproken dat de diagnosekosten ongeveer € 260,00 zouden bedragen, waarmee gedaagde partij akkoord is gegaan. Voor het vervangend vervoer zijn drie schriftelijke huurovereenkomsten met betrekking tot drie verschillende auto’s en periodes gesloten, waarin volgens eisende partij alle essentiële informatie staat vermeld. Eisende partij heeft gedaagde partij aanzienlijke kortingen op de huurprijs gegeven door minder in rekening te brengen dan hij op grond van de huurovereenkomsten verschuldigd was. Gedaagde partij heeft aan de huurauto’s schade toegebracht door daarin te roken, waardoor professionele reiniging noodzakelijk was. De kosten daarvan bedragen € 249,10 en vallen onder het overeengekomen eigen risico, aldus – steeds – eisende partij. 2.4. Uit de toelichting van eisende partij leidt de kantonrechter af dat aan de kosten voor de voertuigdiagnose (i) een overeenkomst van opdracht ten grondslag ligt. Aan de overige bedragen (ii en iii) liggen de drie huurovereenkomsten ten grondslag. (i) De voertuigdiagnose 2.5. Eisende partij stelt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gedaagde partij heeft geïnformeerd over de kosten van de voertuigdiagnose. Deze stelling is echter verder niet concreet gemaakt of onderbouwd. Het had op de weg van eisende partij gelegen om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van de betreffende medewerker die met gedaagde partij heeft gesproken. De enkele algemene stelling dat de prijs van tevoren met gedaagde partij is besproken volstaat niet, nog daargelaten dat uit de toelichting van eisende partij volgt dat gedaagde partij is geïnformeerd over de prijs exclusief btw, terwijl de prijs inclusief btw essentieel is voor een consument. 2.6. Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding als oneerlijk aangemerkt. Het moet ervoor worden gehouden dat gedaagde partij de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst niet goed heeft kunnen inschatten. 2.7. Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.8. Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.9. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd. 2.10. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.11. De gevorderde kosten voor de uitgevoerde voertuigdiagnose worden op grond van het voorgaande afgewezen. (ii) De huurovereenkomsten 2.12. Eisende partij heeft de drie huurovereenkomsten in het geding gebracht. In één van de huurovereenkomst, die met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken 1], staan geen prijzen vermeld. Geen huurprijs, geen prijs per meer gereden kilometer en geen eigen risico. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van deze huurovereenkomst de economische gevolgen heeft kunnen inschatten. Hiervoor geldt hetzelfde als wat is overwogen over de voertuigdiagnose in overwegingen 2.6 t/m 2.10.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 text/xml public 2026-05-11T13:39:44 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 text/html public 2026-05-07T14:16:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4363 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Overeenkomst van opdracht met oneerlijk prijsbeding. Van de huurovereenkomsten zijn niet alle voorwaarden overgelegd, waardoor niet ambtshalve kan worden getoetst. Niet voldaan aan stelplicht door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig aan te voeren. Afwijzing vordering. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11372771 \ CV EXPL 24-13660 Vonnis van 7 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EKRIS RETAIL B.V. , gevestigd te Veenendaal, eisende partij, gemachtigde: mr. D. Plana, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. De kantonrechter benadrukt dat het informatieformulier dat eisende partij bij de dagvaarding heeft gevoegd en waar zij in haar akte naar verwijst, al ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding geruime tijd niet meer in gebruik was. Alle informatie die de kantonrechter nodig heeft om ambtshalve te toetsen aan het consumentenrecht, die eisende partij nu bij akte heeft gegeven, dient (in het vervolg) te zijn verwerkt in het lichaam van de dagvaarding. 2.3. Eisende partij heeft in haar akte toegelicht, kort gezegd, dat de factuur bestaat uit drie delen: (i) de kosten voor het uitvoeren van een voertuigdiagnose, (ii) de – verreweg grootste – kosten voor vervangend vervoer, en (iii) de reinigingskosten die noodzakelijk waren doordat in de huurauto’s is gerookt. Eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eisende partij heeft met gedaagde partij besproken dat de diagnosekosten ongeveer € 260,00 zouden bedragen, waarmee gedaagde partij akkoord is gegaan. Voor het vervangend vervoer zijn drie schriftelijke huurovereenkomsten met betrekking tot drie verschillende auto’s en periodes gesloten, waarin volgens eisende partij alle essentiële informatie staat vermeld. Eisende partij heeft gedaagde partij aanzienlijke kortingen op de huurprijs gegeven door minder in rekening te brengen dan hij op grond van de huurovereenkomsten verschuldigd was. Gedaagde partij heeft aan de huurauto’s schade toegebracht door daarin te roken, waardoor professionele reiniging noodzakelijk was. De kosten daarvan bedragen € 249,10 en vallen onder het overeengekomen eigen risico, aldus – steeds – eisende partij. 2.4. Uit de toelichting van eisende partij leidt de kantonrechter af dat aan de kosten voor de voertuigdiagnose (i) een overeenkomst van opdracht ten grondslag ligt. Aan de overige bedragen (ii en iii) liggen de drie huurovereenkomsten ten grondslag. (i) De voertuigdiagnose 2.5. Eisende partij stelt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gedaagde partij heeft geïnformeerd over de kosten van de voertuigdiagnose. Deze stelling is echter verder niet concreet gemaakt of onderbouwd. Het had op de weg van eisende partij gelegen om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van de betreffende medewerker die met gedaagde partij heeft gesproken. De enkele algemene stelling dat de prijs van tevoren met gedaagde partij is besproken volstaat niet, nog daargelaten dat uit de toelichting van eisende partij volgt dat gedaagde partij is geïnformeerd over de prijs exclusief btw, terwijl de prijs inclusief btw essentieel is voor een consument. 2.6. Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding als oneerlijk aangemerkt. Het moet ervoor worden gehouden dat gedaagde partij de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst niet goed heeft kunnen inschatten. 2.7. Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.8. Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.9. In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd. 2.10. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.11. De gevorderde kosten voor de uitgevoerde voertuigdiagnose worden op grond van het voorgaande afgewezen. (ii) De huurovereenkomsten 2.12. Eisende partij heeft de drie huurovereenkomsten in het geding gebracht. In één van de huurovereenkomst, die met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken 1], staan geen prijzen vermeld. Geen huurprijs, geen prijs per meer gereden kilometer en geen eigen risico. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van deze huurovereenkomst de economische gevolgen heeft kunnen inschatten. Hiervoor geldt hetzelfde als wat is overwogen over de voertuigdiagnose in overwegingen 2.6 t/m 2.10.