Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-17
ECLI:NL:RBAMS:2026:4335
Civiel recht
Bodemzaak
3,101 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 text/xml public 2026-05-11T11:28:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-17 12142858 CV EXPL 26-3853 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 text/html public 2026-05-07T13:54:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 Rechtbank Amsterdam , 17-04-2026 / 12142858 CV EXPL 26-3853 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12142858 CV EXPL 26-3853 vonnis van: 17 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting stichting Ymere gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: vd Hoeden/Mulder, gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] zonder bekende woon- en of verblijfplaats in Nederland, blijkens huurovereenkomst domicilie gekozen hebbende te [plaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde op grond van het door gedaagde partij niet hoofdverblijf houden in het gehuurde en het door gedaagde partij in gebruik geven van het gehuurde aan derden met veroordeling van gedaagde partij in de kosten. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden versie december 2017 (hierna: de Algemene Voorwaarden) in het geding gebracht. 4. De bedingen die voor de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 6 lid 2 (Hoofdverblijf houden in het gehuurde) en artikel 6 lid 10 en 11 (In gebruik geven van het gehuurde aan derden) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 5. Eisende partij heeft bij brief van 26 november 2024 (productie 6 bij dagvaarding) gedaagde partij aangeschreven dat zij oneerlijke bedingen over (buiten)gerechtelijke kosten, rente en boetes uit haar algemene voorwaarden wil verwijderen. Daarbij is aan gedaagde partij een reactietermijn van 4 weken gegeven. Uit het overgelegde proces-verbaal van de politie van 6 februari 2026 (productie 2 bij dagvaarding) blijkt voorts dat gedaagde partij in november 2024 is aangehouden en is overgeleverd aan een buitenlandse politiedienst en thans nog steeds in het buitenland gedetineerd zit. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat gedaagde partij de betreffende brief van 26 november 2024 heeft ontvangen. 6. Het voorgaande maakt dat artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden moet worden getoetst. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 11 1. Als de huurder in gebreke blijft in de nakoming van enige verplichting die ingevolge de wet en/of deze overeenkomst op hem rust en daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, komen alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de huurder. 7. Artikel 11 lid 1 is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 8. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hierna met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen. 9. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 139,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 text/xml public 2026-05-11T11:28:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-17 12142858 CV EXPL 26-3853 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 text/html public 2026-05-07T13:54:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4335 Rechtbank Amsterdam , 17-04-2026 / 12142858 CV EXPL 26-3853 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12142858 CV EXPL 26-3853 vonnis van: 17 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting stichting Ymere gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: vd Hoeden/Mulder, gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] zonder bekende woon- en of verblijfplaats in Nederland, blijkens huurovereenkomst domicilie gekozen hebbende te [plaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde op grond van het door gedaagde partij niet hoofdverblijf houden in het gehuurde en het door gedaagde partij in gebruik geven van het gehuurde aan derden met veroordeling van gedaagde partij in de kosten. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden versie december 2017 (hierna: de Algemene Voorwaarden) in het geding gebracht. 4. De bedingen die voor de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 6 lid 2 (Hoofdverblijf houden in het gehuurde) en artikel 6 lid 10 en 11 (In gebruik geven van het gehuurde aan derden) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 5. Eisende partij heeft bij brief van 26 november 2024 (productie 6 bij dagvaarding) gedaagde partij aangeschreven dat zij oneerlijke bedingen over (buiten)gerechtelijke kosten, rente en boetes uit haar algemene voorwaarden wil verwijderen. Daarbij is aan gedaagde partij een reactietermijn van 4 weken gegeven. Uit het overgelegde proces-verbaal van de politie van 6 februari 2026 (productie 2 bij dagvaarding) blijkt voorts dat gedaagde partij in november 2024 is aangehouden en is overgeleverd aan een buitenlandse politiedienst en thans nog steeds in het buitenland gedetineerd zit. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat gedaagde partij de betreffende brief van 26 november 2024 heeft ontvangen. 6. Het voorgaande maakt dat artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden moet worden getoetst. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 11 1. Als de huurder in gebreke blijft in de nakoming van enige verplichting die ingevolge de wet en/of deze overeenkomst op hem rust en daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, komen alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de huurder. 7. Artikel 11 lid 1 is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 8. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hierna met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen. 9. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 139,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.