Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:4162
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,038 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 text/xml public 2026-04-29T08:09:46 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 13-026738-26 (EAB II) Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 text/html public 2026-04-28T15:19:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / 13-026738-26 (EAB II) Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan. EAB gelijktijdig behandeld met executie-EAB Tsjechië. De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat moet worden gegeven aan het Duitse EAB. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-026738-26 (EAB II) Datum uitspraak: 22 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 augustus 2019 door die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Turkije), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [J.C.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal. Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer 13-026716-26 (EAB I). De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Kleve van 2 oktober 2012 met kenmerk 10 Gs 1941/11. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6 Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen 6.1 Inleiding De rechtbank stelt vast dat naast het Duitse EAB een Tsjechisch EAB (met parketnummer 13-026716-26, EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd door the Regional Court in Usti Nad Labem ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, opgelegd bij een vonnis uit 2019, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van Tsjechië. De rechtbank heeft vandaag bij afzonderlijke uitspraak de overlevering op grond van het Tsjechische EAB toegestaan. Het is aan de rechtbank om op grond van artikel 28, vierde lid OLW en met inachtneming van artikel 26, derde lid, OLW te beslissen over de vraag aan welke van de concurrerende EAB’s voorrang moet worden gegeven. Daarbij vermeldt de officier van justitie op grond van artikel 26, derde lid, OLW aan welk aanhoudingsbevel de rechtbank naar haar oordeel voorrang moet geven. 6.2 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB. Daarbij is het tijdsverloop van belang, nu Duitsland eerder een (nationaal) aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de uitdrukkelijke wens geuit om eerst aan Duitsland overgeleverd te worden, het land waar hij (met onderbrekingen) sinds 1984 woonachtig is. De opgeëiste persoon bezit uitsluitend de Duitse nationaliteit en heeft familie in Duitsland wonen. In Duitsland gaat het om een strafvervolging waarin de opgeëiste persoon, samen met zijn advocaat, zelf de verdediging wenst te voeren. In Tsjechië is de opgeëiste persoon al veroordeeld in het vonnis van 2019. De opgeëiste persoon wil wel verzet of hoger beroep instellen tegen het Tsjechische vonnis, maar hij wil dat vanuit Duitsland doen. Indien het hoger beroep in Tsjechië niet tot het gewenste resultaat leidt, kan Duitsland de Tsjechische straf overnemen zodat hij in Duitsland die straf kan ondergaan. Andersom bestaat die mogelijkheid niet. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat de opgeëiste persoon nooit in Tsjechië is geweest en geen enkele binding met dat land heeft. Het is ook niet gelukt in Tsjechië een advocaat te vinden die zijn belangen kan behartigen. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie moet in beginsel aan het Duitse EAB voorrang worden gegeven, omdat in Duitsland sprake is van een lopende strafvervolging, die zij niet wenst te doorkruisen. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich er ook in vinden als aan het Tsjechische EAB voorrang wordt gegeven. Voor het Tsjechische EAB geldt dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft om hoger beroep of verzet in te stellen (van welke mogelijkheid hij zegt gebruik te zullen maken), waardoor dat EAB dient te worden aangemerkt als strekkende tot (verdere) vervolging. Ook in het Tsjechische EAB is dus sprake van een lopende strafvervolging. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat doorlevering vanuit Duitsland naar Tsjechië mogelijk lastig kan zijn, omdat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft. Daar staat tegenover dat, indien het vonnis in Tsjechië in hoger beroep wordt bevestigd, de overlevering in Duitsland kan worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van die straf in Duitsland kan plaatsvinden. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat moet worden gegeven aan het Duitse EAB. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Beide EAB’s dateren uit 2019. De ernst van de feiten is in beide EAB’s in grote mate vergelijkbaar. Het gaat in beide EAB’s om belastingontduiking door te handelen in producten in verschillende landen zonder belastingaangifte te doen. Ook de periode waarin de feiten geleegd zouden zijn, is in beide EAB’s vrijwel gelijk, namelijk een periode in 2011. Uit de stukken blijkt dat de strafrechtelijk vervolging in Duitsland nog gaande is en niet gebleken is dat al sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van die strafzaak op zitting. Ten aanzien van het Tsjechische EAB met parketnummer 13-026716-26 concludeert de rechtbank, nu de opgeëiste persoon in Tsjechië bij verstek is veroordeeld, het onderzoek naar het strafbare feit was afgerond en dat er voldoende gegevens voorhanden waren om de zaak bij de rechtbank in Tsjechië aan te brengen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 text/xml public 2026-04-29T08:09:46 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 13-026738-26 (EAB II) Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 text/html public 2026-04-28T15:19:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4162 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / 13-026738-26 (EAB II) Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan. EAB gelijktijdig behandeld met executie-EAB Tsjechië. De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat moet worden gegeven aan het Duitse EAB. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-026738-26 (EAB II) Datum uitspraak: 22 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 augustus 2019 door die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Turkije), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [J.C.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal. Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer 13-026716-26 (EAB I). De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Kleve van 2 oktober 2012 met kenmerk 10 Gs 1941/11. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6 Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen 6.1 Inleiding De rechtbank stelt vast dat naast het Duitse EAB een Tsjechisch EAB (met parketnummer 13-026716-26, EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd door the Regional Court in Usti Nad Labem ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, opgelegd bij een vonnis uit 2019, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van Tsjechië. De rechtbank heeft vandaag bij afzonderlijke uitspraak de overlevering op grond van het Tsjechische EAB toegestaan. Het is aan de rechtbank om op grond van artikel 28, vierde lid OLW en met inachtneming van artikel 26, derde lid, OLW te beslissen over de vraag aan welke van de concurrerende EAB’s voorrang moet worden gegeven. Daarbij vermeldt de officier van justitie op grond van artikel 26, derde lid, OLW aan welk aanhoudingsbevel de rechtbank naar haar oordeel voorrang moet geven. 6.2 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB. Daarbij is het tijdsverloop van belang, nu Duitsland eerder een (nationaal) aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de uitdrukkelijke wens geuit om eerst aan Duitsland overgeleverd te worden, het land waar hij (met onderbrekingen) sinds 1984 woonachtig is. De opgeëiste persoon bezit uitsluitend de Duitse nationaliteit en heeft familie in Duitsland wonen. In Duitsland gaat het om een strafvervolging waarin de opgeëiste persoon, samen met zijn advocaat, zelf de verdediging wenst te voeren. In Tsjechië is de opgeëiste persoon al veroordeeld in het vonnis van 2019. De opgeëiste persoon wil wel verzet of hoger beroep instellen tegen het Tsjechische vonnis, maar hij wil dat vanuit Duitsland doen. Indien het hoger beroep in Tsjechië niet tot het gewenste resultaat leidt, kan Duitsland de Tsjechische straf overnemen zodat hij in Duitsland die straf kan ondergaan. Andersom bestaat die mogelijkheid niet. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat de opgeëiste persoon nooit in Tsjechië is geweest en geen enkele binding met dat land heeft. Het is ook niet gelukt in Tsjechië een advocaat te vinden die zijn belangen kan behartigen. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie moet in beginsel aan het Duitse EAB voorrang worden gegeven, omdat in Duitsland sprake is van een lopende strafvervolging, die zij niet wenst te doorkruisen. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich er ook in vinden als aan het Tsjechische EAB voorrang wordt gegeven. Voor het Tsjechische EAB geldt dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft om hoger beroep of verzet in te stellen (van welke mogelijkheid hij zegt gebruik te zullen maken), waardoor dat EAB dient te worden aangemerkt als strekkende tot (verdere) vervolging. Ook in het Tsjechische EAB is dus sprake van een lopende strafvervolging. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat doorlevering vanuit Duitsland naar Tsjechië mogelijk lastig kan zijn, omdat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft. Daar staat tegenover dat, indien het vonnis in Tsjechië in hoger beroep wordt bevestigd, de overlevering in Duitsland kan worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van die straf in Duitsland kan plaatsvinden. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat moet worden gegeven aan het Duitse EAB. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Beide EAB’s dateren uit 2019. De ernst van de feiten is in beide EAB’s in grote mate vergelijkbaar. Het gaat in beide EAB’s om belastingontduiking door te handelen in producten in verschillende landen zonder belastingaangifte te doen. Ook de periode waarin de feiten geleegd zouden zijn, is in beide EAB’s vrijwel gelijk, namelijk een periode in 2011. Uit de stukken blijkt dat de strafrechtelijk vervolging in Duitsland nog gaande is en niet gebleken is dat al sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van die strafzaak op zitting. Ten aanzien van het Tsjechische EAB met parketnummer 13-026716-26 concludeert de rechtbank, nu de opgeëiste persoon in Tsjechië bij verstek is veroordeeld, het onderzoek naar het strafbare feit was afgerond en dat er voldoende gegevens voorhanden waren om de zaak bij de rechtbank in Tsjechië aan te brengen.