Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:3743
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11844988 \ CV EXPL 25-11297 Vonnis van 27 maart 2026 in de zaak van de naamloze vennootschap CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V. , gevestigd te Haarlem, eisende partij, hierna te noemen: Connexxion, gemachtigde: mr. E.J.M. van Hal, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M. Kluft. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 14 augustus 2025, - de conclusie van antwoord met producties van 24 oktober 2025, - een usb-stick met geluidsfragment, behorende bij productie 3 van de conclusie van antwoord, - het instructievonnis van 14 november 2025, - de dagbepaling mondelinge behandeling, - een productie van de zijde van Connexxion. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Voor Connexxion zijn verschenen [naam 1] , medewerker van Connexxion, vergezeld door de gemachtigde, alsmede mr. C. Azouagh en mr. A. Bach Kolling namens de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde zittingsaantekeningen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 10 augustus 2023 is tussen Connexxion, h.o.d.n. Transdev Nederland Openbaar Vervoer, en [gedaagde] een ‘opleidingsovereenkomst Transdev’ tot stand gekomen voor een basisopleiding buschauffeur (hierna: de opleidingsovereenkomst). In de opleidingsovereenkomst wordt door Connexxion de intentie uitgesproken om met [gedaagde] , als hij de opleiding met goed gevolg heeft afgerond en zijn inzet en gedrag tijdens de opleidingsperiode als goed is beoordeeld, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan. Het Reglement Opleidingen Transdev Openbaar Vervoer 2022 (verder te noemen: het Reglement) maakt onderdeel uit van de overeenkomst. 2.2. In de overeenkomst zijn de volgende voor zover in deze procedure van belang bepalingen opgenomen: “3.1 Transdev betaalt de kosten van de basisopleiding van Cursist. 3.2 Vanwege het feit dat Cursist gedurende 3 maanden 40 uur per week beschikbaar moet zijn om de Basisopleiding te kunnen volgen, zal Cursist gedurende 3 maanden maandelijks een beschikbaarheidsvergoeding van € 1.869,62 bruto ontvangen. 3.3 De beschikbaarheidsvergoeding is uitsluitend bedoeld als onkostenvergoeding voor het feit dat Cursist beschikbaar is om de Basisopleiding te volgen en in die tijd geen inkomsten kan genereren. De beschikbaarheidsvergoeding is geen loon, Cursist verricht gedurende de Basisopleiding geen productieve arbeid. 4.1 Cursist is gehouden om de Opleidingskosten volledig aan Transdev terug te betalen in de gevallen zoals genoemd in artikel 6 van het Reglement Opleidingen. (…) 4.2 De terug te betalen Opleidingskosten worden te allen tijde gebaseerd op de door Transdev gemaakte kosten, bestaande uit: a. De kosten voor de Basisopleiding zoals beschreven in artikel 1.1 zijnde € 4.400,-- b. Kosten voortkomend uit overige extra lessen (in combinatie met een volgend herexamen praktijk) en andere herexamens, voor zover zij niet in de Basisopleiding zijn inbegrepen. (…) 4.4 Na het aangaan van de arbeidsovereenkomst met Transdev wordt het saldo van de Opleidingskosten per maand met 1/36e afgebouwd. Als er sprake is van een verplichting tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de Opleidingskosten worden deze verrekend met het laatst te betalen salaris. Is dit ontoereikend dan verplicht Cursist zich binnen één maand na beëindiging van het dienstverband de resterende Opleidingskosten terug te betalen aan Transdev.” 2.3. Artikel 6 sub a sub 6 van het Reglement luidt: “Verrekening Opleidingskosten a. Cursist dient de volledige Opleidingskosten aan Transdev direct terug te betalen: 6) bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen 3 jaar na datum indiensttreding op initiatief van Cursist danwel o [gedaagde] heeft derhalve geen werkzaamheden verricht ten behoeve van Connexxion, ook niet later in de opleiding, onder supervisie van de opleider. De opleiding betrof dan ook een periode waarin hij enkel zijn startkwalificatie als buschauffeur heeft behaald. Zonder die kwalificatie was hij niet bevoegd om op de bus te rijden. Nu [gedaagde] geen arbeid heeft verricht is geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Het beroep op artikel 7:610a BW gaat daarom niet op. 4.3. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat deze is ingegaan op 14 augustus 2023. Hij gaat er hierbij echter aan voorbij dat deze is ingegaan op 29 oktober 2023 en dat de datum van 14 augustus 2023 enkel in de arbeidsovereenkomst is vermeld voor het berekenen van het aantal dienstjaren ten behoeve van de vaststelling van zijn dienstjubileum. 4.4. De door [gedaagde] aangehaalde vergelijking van de rijopleiding voor buschauffeur met de beroepsopleiding van een advocaat in opleiding gaat dan ook niet op. De Beroepsopleiding Advocatuur wordt door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025 naar aanleiding van prejudiciële vragen van het gerechtshof Den Haag beschouwd als een opleiding tijdens het werk (‘training on the job’). Een advocaat-stagiair dient bij de start van de Beroepsopleiding reeds te beschikken over een afgeronde WO-opleiding rechten (de startkwalificatie). Zonder deze opleiding kan iemand niet in dienst treden als advocaat-stagiair. De opleiding tot buschauffeur is net zoals de WO-opleiding rechten een opleiding voor het werk (startkwalificatie), waarbij geldt dat tijdens de opleiding, zoals hiervoor overwogen, geen arbeid wordt verricht. 4.5. De conclusie is dan ook dat de opleidingsovereenkomst van 10 augustus 2023 niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 7:611a lid 2 en lid 4 BW en het bepaalde in artikel 50 en de daarbij behorende bijlage 24 van de CAO gaan dan ook niet op. Deze voorschriften gelden immers alleen wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, die ten tijde van de opleiding niet bestond. Het studiekostenbeding waarnaar in de opleidingsovereenkomst wordt verwezen, is dan ook niet nietig. Dat Connexxion later werkgever is geworden van [gedaagde] , maakt het voorgaande niet anders. 4.6. Het studiekostenbeding komt verder niet onredelijk bezwarend voor. Het is schriftelijk overeengekomen, het bedrag aan studiekosten is daarin benoemd en [gedaagde] heeft niet betwist dat, zoals in de dagvaarding is vermeld, de verplichting tot terugbetaling uitvoerig is besproken bij het intakegesprek voor de rijopleiding. Verder is in het beding bepaald dat het saldo van de opleidingskosten per maand met 1/36e zal worden afgebouwd, zodat rekening is gehouden met een zogenaamde “baatperiode”. 4.7. Connexxion heeft op 12 februari 2024 de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst tegen [gedaagde] ingeroepen omdat gebleken was dat [gedaagde] met ingang van 12 februari 2024 niet meer beschikte over een geldig rijbewijs. [gedaagde] is hiertegen niet opgekomen, zodat het einde van de arbeidsovereenkomst definitief is. 4.8. Connexxion heeft onder die omstandigheden een rechtsgeldig beroep kunnen doen op het studiekostenbeding. 4.9. Aanvullend heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij, gelet op het gesprek dat hij op 9 februari 2024 heeft gevoerd met zijn leidinggevende en een HR-adviseur, erop mocht vertrouwen dat hij weer voor Connexxion kon gaan werken op het moment dat hij weer beschikte over een geldig rijbewijs en dat Connexxion in dat geval de opleidingskosten niet zou terugvorderen. Op 20 februari 2024 beschikte hij weer over een geldig rijbewijs, aldus [gedaagde] . 4.10. De kantonrechter is van oordeel dat, ook al zou er door Connexxion een toezegging tijdens het gesprek van 9 februari 2024 zijn gedaan om de opleidingskosten niet terug te vorderen, deze toezegging wordt doorbroken door de brief van dezelfde datum, waarin wordt aangegeven dat de arbeidso