Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-14
ECLI:NL:RBAMS:2026:3669
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11938976 \ CV EXPL 25-14819 Vonnis van 14 april 2026 in de zaak van WONINGSTICHTING ROCHDALE , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Rochdale, gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 8 oktober 2025, met producties, - het proces-verbaal van het mondeling gegeven antwoord, - het aanvullend schriftelijke antwoord, - de aanvullende producties van Rochdale. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Namens de gemachtigde van Rochdale is verschenen mr. M.T.O. Bakker. [gedaagde] is verschenen, samen met mevrouw [naam] ( [buurtteam] ). Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Sinds 14 december 2012 huurt [gedaagde] de woonruimte aan de [adres] van Rochdale. De aanvangshuurprijs bedroeg € 548,10 (€ 555,65 inclusief servicekosten). 2.2. Op 23 mei 2013 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat de huurprijs vanaf 14 december 2012 tijdelijk verlaagd wordt tot € 231,33 per maand wegens de aanwezigheid van een gebrek in de categorie C, nummer V1 (zaakummer [nummer 1] ). 2.3. Op 25 maart 2014 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat de huurprijs vanaf 25 maart 2014 tijdelijk wordt verlaagd tot € 230,91 per maand wegens de aanwezigheid van een gebrek in de categorie C, nummer C8 (zaaknummer [nummer 2] ). 2.4. Op 3 februari 2025 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat het gebrek in de categorie C (nummer V1) is hersteld en dat de huurder onvoldoende meewerkt aan het herstel van het gebrek in de categorie C (nummer C8). Ook heeft de Huurcommissie bepaald dat Rochdale de huurprijs van € 548,10 per maand vanaf 1 januari 2025 weer aan [gedaagde] in rekening mag brengen (zaaknummer [nummer 3] ). 3 Het geschil 3.1. Rochdale vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 646,89, vermeerderd met de wettelijke rente over € 634,38, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. Rochdale legt aan haar vordering ten grondslag dat de Huurcommissie in haar uitspraak van 3 februari 2025 heeft bepaald dat de tijdelijke huurverlaging met ingang van 1 januari 2025 wordt opgeheven en dat [gedaagde] vanaf die datum weer de kale huurprijs van € 548,10 moet betalen. [gedaagde] heeft in de maanden januari en februari 2025 nog de oude verlaagde huurprijs van € 230,91 betaald, daarom heeft zij een huurachterstand van € 634,38 laten ontstaan. 3.3. [gedaagde] voert verweer en stelt dat er sprake is van gebreken en achterstallig onderhoud aan het gehuurde. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 4.1. De overeenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten met een consument, zodat ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht moet plaatsvinden, in het bijzonder aan de Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). 4.2. Rochdale heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de algemene voorwaarden in het geding gebracht, zodat de kantonrechter ambtshalve kan beoordelen of de bedingen die daarin staan een oneerlijk karakter hebben. 4.3. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst, artikel 4.1 (rente) en artikel 17.2 (buitengerechtelijke kosten) van de Algemene Huurvoorwaarden Woonruimte, versie 2009 (hierna: de algemene voorwaarden), zijn door de kantonrechter getoetst. 4.4. Artikel 5 van de huurovereenkomst en artikel 4.1 van de algemene voorwaarden worden niet oneerlijk bevonden. 4.5. Ten aanzien van artikel 17.2 wordt het volgende overwogen. Dit artikel luidt als volgt: Buitengerechtelijke kosten 17.2 Is één v