Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2026:3651
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,138 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 text/xml public 2026-04-15T11:43:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-31 C/13/785496 / KG ZA 26-241 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 text/html public 2026-04-14T13:52:12 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2026 / C/13/785496 / KG ZA 26-241 KG vordering tot opheffing conservatoir beslag opgeheven. Beslag leidt tot het frustreren van de executie van een Dubai gewezen vonnis. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785496 / KG ZA 26-241 NB/MV Vonnis in kort geding van 31 maart 2026 in de zaak van 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NIJSSEN JUNIOR B.V., gevestigd te De Kwakel, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EJAKRO BEHEER B.V , gevestigd te Castricum, 3. [eiser 3] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 30 maart 2026, hierna samen te noemen: Nijssen c.s., advocaat: mr. I.E. Moustaïne, tegen de rechtspersoon naar vreemd recht BLISS FZE , gevestigd te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), gedaagde partij, hierna te noemen: Bliss, advocaten: mr. A.I.M. van Essen en mr. T. de Mönnink. 1 De procedure Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 31 maart 2026 heeft Nijssen c.s. de dagvaarding toegelicht. Bliss heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: aan de zijde van Nijssen c.s.: [eiser 3] en [naam 1] met mr. Moustaïne; aan de zijde van Bliss: mr. Van Essen en mr. De Mönnink. In verband met de spoedeisendheid is op 31 maart 2026 een zogenoemd ‘kopstaartvonnis’ gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking die op 14 april 2026 aan partijen is verstrekt. 2 De feiten 2.1. Eiseres sub 1 (hierna Nijssen) is een handelaar in bloemen. Eiseres sub 2 (hierna Ejakro) is de bestuurder van Nijssen. Eiser sub 3 (hierna [eiser 3] ) is de [functie 1] van Ejakro. 2.2. Sinds 2011 bestaat tussen Nijssen en Bliss een commerciële relatie op grond waarvan Nijssen bloemen levert aan Bliss. De afspraak tussen partijen is dat Nijssen hiervoor een commissie ontvangt van 15% van de kostprijs van de bloemen. 2.3. Bij dagvaarding van 14 maart 2025 heeft Bliss Nijssen c.s. opgeroepen te verschijnen voor deze rechtbank. In die procedure vordert Bliss primair een verklaring voor recht dat Nijssen c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Subsidiair vordert Bliss een verklaring voor recht dat Nijssen wanprestatie heeft gepleegd jegens Bliss en dat Ejakro en [eiser 3] hiervan een ernstig verwijt treft. Bliss neemt in de dagvaarding het standpunt in dat zij op enig moment ontdekte dat Nijssen meer in rekening bracht dan de afgesproken commissie van 15%. Blijkens een nadien door Bliss ingediende akte eisvermeerdering vordert zij tevens betaling van een schadevergoeding van € 3.913.911,92. Bij die akte eisvermeerdering heeft Bliss aanvullende producties in het geding gebracht, waaronder een rapport/opinion paper dat in opdracht van Bliss is opgesteld door financieel advies-& consultancybureau Beekman & Verbeek B.V. In dit rapport is de schade van Bliss als gevolg van de ‘overfacturering’ becijferd op het genoemde bedrag van € 3.913.911,92. 2.4. Op 1 mei 2025 is Nijssen een procedure gestart tegen Bliss bij de rechter in Dubai. In die procedure heeft Nijssen een bedrag gevorderd van € 1.725.902,06 vanwege onbetaald gelaten facturen. Bliss is in die procedure vertegenwoordigd door een advocaat die verweer heeft gevoerd. Op 29 september 2025 heeft de rechter in Dubai vonnis gewezen waarin het bedrag van € 1.725.902,06 (te vermeerderen met rente en kosten) is toegewezen. Op 9 oktober 2025 heeft Bliss hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op 21 januari 2026 is dit hoger beroep verworpen. Op 2 februari 2026 heeft Bliss cassatie ingesteld bij het Supreme Court van Dubai. Op 26 februari 2026 is dit cassatieberoep verworpen. 2.5. Op 10 maart 2026 is Nijssen in Dubai aangevangen met de executie ten laste van Bliss van haar vordering van € 1.725.902,06 (te vermeerderen met rente en kosten), zoals toegewezen door de rechter in Dubai. Op 25 maart 2026 heeft Nijssen in Dubai beslag laten leggen ten laste van Bliss. 2.6. Op 26 maart 2026 heeft Bliss een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van Nijssen c.s. conservatoir (derden)beslag te mogen leggen onder een aantal banken en op het woonhuis van [eiser 3] tot zekerheid van terugbetaling van het ‘overgefactureerde’ bedrag van € 3.913.911,92. 2.7. Diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter het verlof verleend. De vordering waarvoor beslag mocht worden gelegd is hierbij begroot op € 4.580.900,- (inclusief rente en kosten). Bepaald is dat ten laste van Nijssen repeterend beslag mag worden gelegd onder de banken, gedurende een periode van 30 dagen, met een maximum van drie keer. 2.8. In het onder 2.6 bedoelde beslagrekest staat onder meer: 22. Daarbij komt dat Bliss gedurende de gehele samenwerking alle facturen van Nijssen heeft betaald, behoudens de facturen die zij heeft opgeschort nadat bleek dat sprake was van stelselmatige overfacturering. Deze niet-betaalde facturen (waarvan de incasso in Dubai nu plaatsvindt) dienen op dezelfde wijze te worden gecorrigeerd, omdat dezelfde systematiek van verhoging daarop van toepassing is. (…) 30. Nu Nijssen de uitspraak van de rechter in Dubai ten uitvoer legt, leidt dit ertoe dat Nijssen zich - ten koste van Bliss - nog verder verrijkt. Dit schaadt de verhaalspositie van Bliss ernstig en onherstelbaar. Conservatoir beslag is daarom noodzakelijk om te voorkomen dat Nijssen een executie-voordeel behaalt voordat de Nederlandse rechter zich over de vorderingen van Btiss heeft kunnen uitlaten. 31. Het beslag is bovendien proportioneel. Bliss richt haar verzoek uitsluitend op vermogensbestanddelen die zich naar hun aard goed lenen voor verhaal, zoals banktegoeden en onroerende zaken, en waarvan aannemelijk is dat Nijssen en haar [functie 2] hieruit kunnen voldoen. Het beslag beperkt de bedrijfsvoering van Nijssen c.s. niet onevenredig, omdat het hen niet verhindert om hun normale activiteiten voort te zetten en slechts ziet op het veiligstellen van verhaal. Gelet op de omvang van de vordering en het feit dat Nijssen nu is overgegaan tot executie voordat Bliss haar verrekeningsverweer kan doen gelden, is het beslag niet alleen proportioneel maar noodzakelijk om de verhaalspositie van Bliss te beschermen. 32. Het conservatoire beslag is bovendien gerechtvaardigd omdat er nog niet geoordeeld is over de stellingen van Bliss die inhouden dat Nijssen onrechtmatig heeft gehandeld en hoe dat handelen heeft plaatsgevonden. De rechters in Dubai hebben slechts geoordeeld over de gehoudenheid tot betaling van openstaande facturen voor bloemenleveranties. Het oordeel over de overfacturering zal de rechtbank Amsterdam geven en voor de vordering op grond daarvan is het beslag zoals betoogd ook noodzakelijk. 2.9. Nadien heeft Bliss de conservatoire (derden)beslagen ten laste van Nijssen c.s. gelegd. 2.10. Op 24 juni 2026 vindt de mondelinge behandeling plaats in de onder 2.3 genoemde bodemprocedure bij deze rechtbank. 3 Het geschil 3.1. Nijssen c.s. vordert Bliss bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen: I. om de door haar gelegde conservatoire (derden)beslagen, waaronder in het bijzonder de beslagen onder de diverse banken ten laste van Nijssen, Ejakro en [eiser 3] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis volledig op te heffen, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Bliss in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; II.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 text/xml public 2026-04-15T11:43:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-31 C/13/785496 / KG ZA 26-241 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 text/html public 2026-04-14T13:52:12 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3651 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2026 / C/13/785496 / KG ZA 26-241 KG vordering tot opheffing conservatoir beslag opgeheven. Beslag leidt tot het frustreren van de executie van een Dubai gewezen vonnis. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785496 / KG ZA 26-241 NB/MV Vonnis in kort geding van 31 maart 2026 in de zaak van 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NIJSSEN JUNIOR B.V., gevestigd te De Kwakel, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EJAKRO BEHEER B.V , gevestigd te Castricum, 3. [eiser 3] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 30 maart 2026, hierna samen te noemen: Nijssen c.s., advocaat: mr. I.E. Moustaïne, tegen de rechtspersoon naar vreemd recht BLISS FZE , gevestigd te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), gedaagde partij, hierna te noemen: Bliss, advocaten: mr. A.I.M. van Essen en mr. T. de Mönnink. 1 De procedure Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 31 maart 2026 heeft Nijssen c.s. de dagvaarding toegelicht. Bliss heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: aan de zijde van Nijssen c.s.: [eiser 3] en [naam 1] met mr. Moustaïne; aan de zijde van Bliss: mr. Van Essen en mr. De Mönnink. In verband met de spoedeisendheid is op 31 maart 2026 een zogenoemd ‘kopstaartvonnis’ gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking die op 14 april 2026 aan partijen is verstrekt. 2 De feiten 2.1. Eiseres sub 1 (hierna Nijssen) is een handelaar in bloemen. Eiseres sub 2 (hierna Ejakro) is de bestuurder van Nijssen. Eiser sub 3 (hierna [eiser 3] ) is de [functie 1] van Ejakro. 2.2. Sinds 2011 bestaat tussen Nijssen en Bliss een commerciële relatie op grond waarvan Nijssen bloemen levert aan Bliss. De afspraak tussen partijen is dat Nijssen hiervoor een commissie ontvangt van 15% van de kostprijs van de bloemen. 2.3. Bij dagvaarding van 14 maart 2025 heeft Bliss Nijssen c.s. opgeroepen te verschijnen voor deze rechtbank. In die procedure vordert Bliss primair een verklaring voor recht dat Nijssen c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Subsidiair vordert Bliss een verklaring voor recht dat Nijssen wanprestatie heeft gepleegd jegens Bliss en dat Ejakro en [eiser 3] hiervan een ernstig verwijt treft. Bliss neemt in de dagvaarding het standpunt in dat zij op enig moment ontdekte dat Nijssen meer in rekening bracht dan de afgesproken commissie van 15%. Blijkens een nadien door Bliss ingediende akte eisvermeerdering vordert zij tevens betaling van een schadevergoeding van € 3.913.911,92. Bij die akte eisvermeerdering heeft Bliss aanvullende producties in het geding gebracht, waaronder een rapport/opinion paper dat in opdracht van Bliss is opgesteld door financieel advies-& consultancybureau Beekman & Verbeek B.V. In dit rapport is de schade van Bliss als gevolg van de ‘overfacturering’ becijferd op het genoemde bedrag van € 3.913.911,92. 2.4. Op 1 mei 2025 is Nijssen een procedure gestart tegen Bliss bij de rechter in Dubai. In die procedure heeft Nijssen een bedrag gevorderd van € 1.725.902,06 vanwege onbetaald gelaten facturen. Bliss is in die procedure vertegenwoordigd door een advocaat die verweer heeft gevoerd. Op 29 september 2025 heeft de rechter in Dubai vonnis gewezen waarin het bedrag van € 1.725.902,06 (te vermeerderen met rente en kosten) is toegewezen. Op 9 oktober 2025 heeft Bliss hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op 21 januari 2026 is dit hoger beroep verworpen. Op 2 februari 2026 heeft Bliss cassatie ingesteld bij het Supreme Court van Dubai. Op 26 februari 2026 is dit cassatieberoep verworpen. 2.5. Op 10 maart 2026 is Nijssen in Dubai aangevangen met de executie ten laste van Bliss van haar vordering van € 1.725.902,06 (te vermeerderen met rente en kosten), zoals toegewezen door de rechter in Dubai. Op 25 maart 2026 heeft Nijssen in Dubai beslag laten leggen ten laste van Bliss. 2.6. Op 26 maart 2026 heeft Bliss een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van Nijssen c.s. conservatoir (derden)beslag te mogen leggen onder een aantal banken en op het woonhuis van [eiser 3] tot zekerheid van terugbetaling van het ‘overgefactureerde’ bedrag van € 3.913.911,92. 2.7. Diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter het verlof verleend. De vordering waarvoor beslag mocht worden gelegd is hierbij begroot op € 4.580.900,- (inclusief rente en kosten). Bepaald is dat ten laste van Nijssen repeterend beslag mag worden gelegd onder de banken, gedurende een periode van 30 dagen, met een maximum van drie keer. 2.8. In het onder 2.6 bedoelde beslagrekest staat onder meer: 22. Daarbij komt dat Bliss gedurende de gehele samenwerking alle facturen van Nijssen heeft betaald, behoudens de facturen die zij heeft opgeschort nadat bleek dat sprake was van stelselmatige overfacturering. Deze niet-betaalde facturen (waarvan de incasso in Dubai nu plaatsvindt) dienen op dezelfde wijze te worden gecorrigeerd, omdat dezelfde systematiek van verhoging daarop van toepassing is. (…) 30. Nu Nijssen de uitspraak van de rechter in Dubai ten uitvoer legt, leidt dit ertoe dat Nijssen zich - ten koste van Bliss - nog verder verrijkt. Dit schaadt de verhaalspositie van Bliss ernstig en onherstelbaar. Conservatoir beslag is daarom noodzakelijk om te voorkomen dat Nijssen een executie-voordeel behaalt voordat de Nederlandse rechter zich over de vorderingen van Btiss heeft kunnen uitlaten. 31. Het beslag is bovendien proportioneel. Bliss richt haar verzoek uitsluitend op vermogensbestanddelen die zich naar hun aard goed lenen voor verhaal, zoals banktegoeden en onroerende zaken, en waarvan aannemelijk is dat Nijssen en haar [functie 2] hieruit kunnen voldoen. Het beslag beperkt de bedrijfsvoering van Nijssen c.s. niet onevenredig, omdat het hen niet verhindert om hun normale activiteiten voort te zetten en slechts ziet op het veiligstellen van verhaal. Gelet op de omvang van de vordering en het feit dat Nijssen nu is overgegaan tot executie voordat Bliss haar verrekeningsverweer kan doen gelden, is het beslag niet alleen proportioneel maar noodzakelijk om de verhaalspositie van Bliss te beschermen. 32. Het conservatoire beslag is bovendien gerechtvaardigd omdat er nog niet geoordeeld is over de stellingen van Bliss die inhouden dat Nijssen onrechtmatig heeft gehandeld en hoe dat handelen heeft plaatsgevonden. De rechters in Dubai hebben slechts geoordeeld over de gehoudenheid tot betaling van openstaande facturen voor bloemenleveranties. Het oordeel over de overfacturering zal de rechtbank Amsterdam geven en voor de vordering op grond daarvan is het beslag zoals betoogd ook noodzakelijk. 2.9. Nadien heeft Bliss de conservatoire (derden)beslagen ten laste van Nijssen c.s. gelegd. 2.10. Op 24 juni 2026 vindt de mondelinge behandeling plaats in de onder 2.3 genoemde bodemprocedure bij deze rechtbank. 3 Het geschil 3.1. Nijssen c.s. vordert Bliss bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen: I. om de door haar gelegde conservatoire (derden)beslagen, waaronder in het bijzonder de beslagen onder de diverse banken ten laste van Nijssen, Ejakro en [eiser 3] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis volledig op te heffen, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Bliss in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; II.
Volledig
tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten. 3.2. Nijssen c.s. stelt hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Het vonnis van de rechter in Dubai waarin Bliss is veroordeeld tot betaling aan Nijssen van € 1.725.902,06 is in hoger beroep en cassatie bekrachtigd en dus onherroepelijk. Het verweer van Bliss dat sprake was van ‘overfacturering’ is inhoudelijk beoordeeld door de rechter in Dubai en vervolgens verworpen. De juistheid van de door Nijssen gehanteerde kostenstructuur staat hiermee vast. De bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam gaat inhoudelijk over exact hetzelfde onderwerp als de procedure in Dubai (namelijk over de vraag of sprake is geweest van overfacturering). Het is niet de bedoeling dat Bliss die discussie (die in Dubai tot in hoogste instantie in het voordeel van Nijssen c.s. is beslecht) bij de Nederlandse rechter opnieuw gaat voeren. Bliss stelt weliswaar dat zij de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam eerder (op 14 maart 2025) is gestart dan Nijssen de procedure in Dubai (1 mei 2025), maar Nijssen heeft Bliss er al vóór 1 maart 2025 op gewezen dat een aantal facturen onbetaald was gebleven. Omdat Bliss het geld niet had om de facturen te betalen, heeft Nijssen destijds een afbetalingsregeling voorgesteld, maar partijen konden het daar niet eens over worden. Nijssen heeft Bliss toen een procedure in het vooruitzicht gesteld in Dubai, waarna Bliss heel snel een procedure tegen Nijssen c.s. aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Bliss heeft in de gesprekken over een afbetalingsregeling niets gezegd over mogelijke overfacturering door Nijssen. Dit betekent dat Bliss zich enkel op de beweerde overfacturering beroept om haar wanbetaling te rechtvaardigen. Dit alles maakt dat de vordering waarvoor Bliss conservatoir beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. Het beslag moet dan ook worden opgeheven, te meer nu ook een belangenafweging in het voordeel van Nijssen c.s. uitvalt. Bliss beoogt met het beslag, waarvoor zij verlof heeft verzocht één dag nadat Nijssen in Dubai ten laste van Bliss beslag had laten leggen, enkel de executie van het vonnis in Dubai te frustreren en druk uit te oefenen op Nijssen c.s. om het door de rechter in Dubai onherroepelijk toegewezen bedrag niet te hoeven betalen. 3.3. Bliss heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Nijssen c.s. heeft in haar dagvaarding verzwegen dat Bliss op 14 maart 2025 een procedure aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Amsterdam en de advocaat van Nijssen c.s. heeft evenmin het beslagrekest van Bliss in het geding gebracht. Dit is in strijd met artikel 21 Rv. In de dagvaarding staat verder dat de rechter in Dubai zich een oordeel heeft gevormd over de door Bliss gestelde overfacturering. Dit is onjuist omdat de advocaat van Bliss in Dubai alleen heeft verzocht om aanhouding van de zaak en verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam. Ook dit is in strijd met artikel 21 Rv. Aangezien in Dubai niet is geoordeeld over de overfacturering (Bliss wilde de procedures in Dubai en Amsterdam niet door elkaar heen laten lopen) is het van groot belang dat Bliss haar zekerheid behoudt voor haar door een deskundige deugdelijk onderbouwde vordering van € 3.913.911,92 die zij heeft ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Omdat Nijssen zelf is begonnen met de executie in Dubai is Bliss genoodzaakt geweest om in Nederland conservatoir beslag te laten leggen voor haar vordering. Bliss heeft Nijssen aangeboden om het conservatoire beslag op te heffen als Nijssen zou stoppen met de executiemaatregelen in Dubai en vervangende zekerheid zou bieden, maar Nijssen heeft dit aanbod afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling summierlijke (on)deugdelijkheid van de vordering 4.1. Een conservatoir beslag kan onder meer worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd (artikel 705 lid 2 Rv). De vordering waarvoor Bliss beslag heeft gelegd ziet op de beweerde overfacturering door Nijssen. Partijen twisten over de vraag of die overfacturering reeds is meegewogen door de rechter in Dubai in zijn oordeel dat Bliss de openstaande facturen van Nijssen moet voldoen. Uitgangspunt bij beantwoording van die vraag is dat Bliss de desbetreffende facturen niet heeft betaald omdat (in haar visie) sprake was van overfacturering. Dit blijkt in ieder geval uit het beslagrekest van Bliss waarin staat: “ Daarbij komt dat Bliss gedurende de gehele samenwerking alle facturen van Nijssen heeft betaald, behoudens de facturen die zij heeft opgeschort nadat bleek dat sprake was van stelselmatige overfacturering ” (zie 2.8 van dit vonnis). Dat Bliss in de procedure in Dubai, waar zij werd bijgestaan door een advocaat, geen melding zou hebben gemaakt van de overfacturering, nota bene de reden om de facturen niet te betalen (dan wel op te schorten), is moeilijk voor te stellen. Dat Bliss de claim ten aanzien van de overfacturering niet heeft doen gelden (“ No substantive claim was asserted on behalf of the Clients ”, aldus de schriftelijke verklaring van de advocaat van Bliss in Dubai) betekent niet zonder meer dat die claim niet ter sprake is gekomen bij wijze van verweer tegen de vordering van Nijssen tot betaling van de facturen. Dit zou ook kunnen volgen uit het feit dat het rapport van de deskundige waarin de schade van Bliss is begroot op € 3.913.911,92 in de hogerberoepsprocedure in Dubai in het geding is gebracht, zoals de advocaat van Bliss op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft erkend na raadpleging van de advocaat in Dubai. Al met al zijn er aanwijzingen dat de overfacturering door de rechter in Dubai is meegewogen in zijn oordeel. Dit zou kunnen betekenen dat de vordering met betrekking tot de overfacturering niet (opnieuw) bij de rechter in Nederland kan worden ingediend, waardoor die vordering mogelijk summierlijk ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Dat de voorzieningenrechter hierover in dit kort geding (dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten) geen definitief uitsluitsel kan geven, is niet doorslaggevend, nu het beslag op grond van een belangenafweging (zie hieronder) zal worden opgeheven. belangenafweging 4.2. Zoals uit het voorgaande blijkt, beschikt Nijssen over een onherroepelijke executoriale titel om in Dubai ten laste van Bliss, die daar is bijgestaan door een advocaat, beslag te leggen. Eén dag nadat dit beslag is gelegd, heeft Bliss de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verzocht om in Nederland conservatoir beslag te mogen leggen, voor een vordering die reeds sinds maart 2025 bij deze rechtbank aanhangig is. In dit kort geding heeft Bliss aangevoerd dat zij bereid is het conservatoire beslag in Nederland op te heffen, mits Nijssen de executiemaatregelen in Dubai stopzet. Op die wijze frustreert Bliss met haar beslaglegging de executie van een onherroepelijk vonnis. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag – in tegenstelling tot hetgeen hierover is opgenomen in het beslagrekest – niet proportioneel en onevenredig is. Nijssen is een handelaar in bloemen die dagelijks bloemen inkoopt op de veiling en die bloemen ook dagelijks moet afrekenen. Het beslag rust op alle bankrekeningen van Nijssen c.s. en treft dus het volledige werkkapitaal dat essentieel is voor de bedrijfsvoering. Aannemelijk is dat dit de gehele onderneming, waar 35 personeelsleden werkzaam zijn, volledig plat legt. Bovendien is het beslag gelegd in de week voor Pasen en aangenomen kan worden dat dit voor een bloemenhandelaar bij uitstek een drukke week is. Het belang bij opheffing van het beslag is dus zwaarwegend. Het belang van Bliss om te beschikken over zekerheid voor een vordering (waarvan niet kan worden vastgesteld dat die summierlijk deugdelijk is, zie hiervoor onder 4.1) weegt hier niet tegenop. Dit betekent dat het beslag op grond van een belangenafweging zal worden opgeheven. schending van artikel 21 Rv 4.3.
Volledig
tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten. 3.2. Nijssen c.s. stelt hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Het vonnis van de rechter in Dubai waarin Bliss is veroordeeld tot betaling aan Nijssen van € 1.725.902,06 is in hoger beroep en cassatie bekrachtigd en dus onherroepelijk. Het verweer van Bliss dat sprake was van ‘overfacturering’ is inhoudelijk beoordeeld door de rechter in Dubai en vervolgens verworpen. De juistheid van de door Nijssen gehanteerde kostenstructuur staat hiermee vast. De bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam gaat inhoudelijk over exact hetzelfde onderwerp als de procedure in Dubai (namelijk over de vraag of sprake is geweest van overfacturering). Het is niet de bedoeling dat Bliss die discussie (die in Dubai tot in hoogste instantie in het voordeel van Nijssen c.s. is beslecht) bij de Nederlandse rechter opnieuw gaat voeren. Bliss stelt weliswaar dat zij de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam eerder (op 14 maart 2025) is gestart dan Nijssen de procedure in Dubai (1 mei 2025), maar Nijssen heeft Bliss er al vóór 1 maart 2025 op gewezen dat een aantal facturen onbetaald was gebleven. Omdat Bliss het geld niet had om de facturen te betalen, heeft Nijssen destijds een afbetalingsregeling voorgesteld, maar partijen konden het daar niet eens over worden. Nijssen heeft Bliss toen een procedure in het vooruitzicht gesteld in Dubai, waarna Bliss heel snel een procedure tegen Nijssen c.s. aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Bliss heeft in de gesprekken over een afbetalingsregeling niets gezegd over mogelijke overfacturering door Nijssen. Dit betekent dat Bliss zich enkel op de beweerde overfacturering beroept om haar wanbetaling te rechtvaardigen. Dit alles maakt dat de vordering waarvoor Bliss conservatoir beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. Het beslag moet dan ook worden opgeheven, te meer nu ook een belangenafweging in het voordeel van Nijssen c.s. uitvalt. Bliss beoogt met het beslag, waarvoor zij verlof heeft verzocht één dag nadat Nijssen in Dubai ten laste van Bliss beslag had laten leggen, enkel de executie van het vonnis in Dubai te frustreren en druk uit te oefenen op Nijssen c.s. om het door de rechter in Dubai onherroepelijk toegewezen bedrag niet te hoeven betalen. 3.3. Bliss heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Nijssen c.s. heeft in haar dagvaarding verzwegen dat Bliss op 14 maart 2025 een procedure aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Amsterdam en de advocaat van Nijssen c.s. heeft evenmin het beslagrekest van Bliss in het geding gebracht. Dit is in strijd met artikel 21 Rv. In de dagvaarding staat verder dat de rechter in Dubai zich een oordeel heeft gevormd over de door Bliss gestelde overfacturering. Dit is onjuist omdat de advocaat van Bliss in Dubai alleen heeft verzocht om aanhouding van de zaak en verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam. Ook dit is in strijd met artikel 21 Rv. Aangezien in Dubai niet is geoordeeld over de overfacturering (Bliss wilde de procedures in Dubai en Amsterdam niet door elkaar heen laten lopen) is het van groot belang dat Bliss haar zekerheid behoudt voor haar door een deskundige deugdelijk onderbouwde vordering van € 3.913.911,92 die zij heeft ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Omdat Nijssen zelf is begonnen met de executie in Dubai is Bliss genoodzaakt geweest om in Nederland conservatoir beslag te laten leggen voor haar vordering. Bliss heeft Nijssen aangeboden om het conservatoire beslag op te heffen als Nijssen zou stoppen met de executiemaatregelen in Dubai en vervangende zekerheid zou bieden, maar Nijssen heeft dit aanbod afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling summierlijke (on)deugdelijkheid van de vordering 4.1. Een conservatoir beslag kan onder meer worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd (artikel 705 lid 2 Rv). De vordering waarvoor Bliss beslag heeft gelegd ziet op de beweerde overfacturering door Nijssen. Partijen twisten over de vraag of die overfacturering reeds is meegewogen door de rechter in Dubai in zijn oordeel dat Bliss de openstaande facturen van Nijssen moet voldoen. Uitgangspunt bij beantwoording van die vraag is dat Bliss de desbetreffende facturen niet heeft betaald omdat (in haar visie) sprake was van overfacturering. Dit blijkt in ieder geval uit het beslagrekest van Bliss waarin staat: “ Daarbij komt dat Bliss gedurende de gehele samenwerking alle facturen van Nijssen heeft betaald, behoudens de facturen die zij heeft opgeschort nadat bleek dat sprake was van stelselmatige overfacturering ” (zie 2.8 van dit vonnis). Dat Bliss in de procedure in Dubai, waar zij werd bijgestaan door een advocaat, geen melding zou hebben gemaakt van de overfacturering, nota bene de reden om de facturen niet te betalen (dan wel op te schorten), is moeilijk voor te stellen. Dat Bliss de claim ten aanzien van de overfacturering niet heeft doen gelden (“ No substantive claim was asserted on behalf of the Clients ”, aldus de schriftelijke verklaring van de advocaat van Bliss in Dubai) betekent niet zonder meer dat die claim niet ter sprake is gekomen bij wijze van verweer tegen de vordering van Nijssen tot betaling van de facturen. Dit zou ook kunnen volgen uit het feit dat het rapport van de deskundige waarin de schade van Bliss is begroot op € 3.913.911,92 in de hogerberoepsprocedure in Dubai in het geding is gebracht, zoals de advocaat van Bliss op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft erkend na raadpleging van de advocaat in Dubai. Al met al zijn er aanwijzingen dat de overfacturering door de rechter in Dubai is meegewogen in zijn oordeel. Dit zou kunnen betekenen dat de vordering met betrekking tot de overfacturering niet (opnieuw) bij de rechter in Nederland kan worden ingediend, waardoor die vordering mogelijk summierlijk ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Dat de voorzieningenrechter hierover in dit kort geding (dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten) geen definitief uitsluitsel kan geven, is niet doorslaggevend, nu het beslag op grond van een belangenafweging (zie hieronder) zal worden opgeheven. belangenafweging 4.2. Zoals uit het voorgaande blijkt, beschikt Nijssen over een onherroepelijke executoriale titel om in Dubai ten laste van Bliss, die daar is bijgestaan door een advocaat, beslag te leggen. Eén dag nadat dit beslag is gelegd, heeft Bliss de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verzocht om in Nederland conservatoir beslag te mogen leggen, voor een vordering die reeds sinds maart 2025 bij deze rechtbank aanhangig is. In dit kort geding heeft Bliss aangevoerd dat zij bereid is het conservatoire beslag in Nederland op te heffen, mits Nijssen de executiemaatregelen in Dubai stopzet. Op die wijze frustreert Bliss met haar beslaglegging de executie van een onherroepelijk vonnis. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag – in tegenstelling tot hetgeen hierover is opgenomen in het beslagrekest – niet proportioneel en onevenredig is. Nijssen is een handelaar in bloemen die dagelijks bloemen inkoopt op de veiling en die bloemen ook dagelijks moet afrekenen. Het beslag rust op alle bankrekeningen van Nijssen c.s. en treft dus het volledige werkkapitaal dat essentieel is voor de bedrijfsvoering. Aannemelijk is dat dit de gehele onderneming, waar 35 personeelsleden werkzaam zijn, volledig plat legt. Bovendien is het beslag gelegd in de week voor Pasen en aangenomen kan worden dat dit voor een bloemenhandelaar bij uitstek een drukke week is. Het belang bij opheffing van het beslag is dus zwaarwegend. Het belang van Bliss om te beschikken over zekerheid voor een vordering (waarvan niet kan worden vastgesteld dat die summierlijk deugdelijk is, zie hiervoor onder 4.1) weegt hier niet tegenop. Dit betekent dat het beslag op grond van een belangenafweging zal worden opgeheven. schending van artikel 21 Rv 4.3.