Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBAMS:2026:3402
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,068 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3402 text/xml public 2026-04-10T12:00:32 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-01 13/260615-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3402 text/html public 2026-04-10T10:56:24 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3402 Rechtbank Amsterdam , 01-04-2026 / 13/260615-25 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van aangeefster, tevens zijn ex-partner, en haar moeder. Verdachte heeft via Snapchat zeer dreigende berichten gestuurd en is vervolgens naar de woning van de moeder van aangeefster gegaan, waar ook aangeefster aanwezig was. De rechtbank heeft als strafverzwarend in aanmerking genomen dat het feit heeft plaatsgevonden binnen de relationele sfeer, en dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank legt ook aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel een contact- en gebiedsverbod op. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/260615-25 Parketnummer vordering tul: 13/128309-23 Datum uitspraak: 1 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is — samengevat en na een wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 18 maart 2026 — ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: 1. bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 4 oktober 2025 in Nederland; 2. bedreiging van [slachtoffer 2] middels tussenkomst van haar dochter [slachtoffer 1] in de periode van 1 mei 2025 tot en met 4 oktober 2025 in Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat het onduidelijk is of, dan wel, per wanneer, [slachtoffer 2] van de bedreiging op de hoogte is geraakt. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geen bewijsverweer gevoerd. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Feit 2: Vrijspraak bedreiging [slachtoffer 2] De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bedreigen van [slachtoffer 2] en overweegt daartoe als volgt. Voor een bewezenverklaring van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat degene die wordt bedreigd ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Dit hoeft niet rechtstreeks te gebeuren, maar kan ook indirect. Bovendien moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gebeurd dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou worden. Het gaat erom dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees zou kunnen opwekken. Op 4 oktober 2025 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van bedreiging. Zij heeft verklaard dat zij op 1 mei 2025 een bericht heeft ontvangen van een onbekend nummer waarin staat: ''Ik ga je vermoorden” (het vierde gedachtestreepje in de tenlastelegging). Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] op 17 juli 2025 via haar dochter, [slachtoffer 1] , erachter kwam dat dit nummer van verdachte (de ex-partner van [slachtoffer 1] ) is. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] er pas na meer dan twee maanden later achter kwam dat de bedreiging afkomstig was van verdachte en dat zij pas nog een aantal maanden aangifte heeft gedaan van deze bedreiging. Hoewel de bewoordingen bedreigend zijn, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het lange tijdsverloop tussen de bedreiging en het doen van aangifte, niet is komen vast te staan dat bij [slachtoffer 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Uit het dossier volgt ook dat verdachte op 1 mei 2025 de bedreigende berichten, die onder het eerste tot en met derde én vijfde gedachtestreepje in de tenlastelegging worden genoemd, heeft gestuurd aan [slachtoffer 1] . In deze berichten staat dat verdachte [slachtoffer 2] gaat vermoorden. Verdachte heeft bekend dat hij deze berichten heeft gestuurd. Uit het dossier blijkt echter niet dat [slachtoffer 2] daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van deze bedreigende uitlatingen. Daarmee is ook voor deze uitlatingen niet aan de vereisten voor een bewezenverklaring van bedreiging voldaan. Feit 1: bewezenverklaring bedreiging [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit onder 1 heeft gepleegd. Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering, met onderstaande opgave van de bewijsmiddelen. - Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 6 oktober 2025, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte. - Een proces-verbaal van aangifte, met nummer 251004-2142-985 van 4 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s A1 4 tot en met A1 7. - Een geschrift, zijnde een fotoblad bestaande uit een afdruk van de bedreiging van 4 oktober 2025, pagina 1 uit fotobijlage 2025250161. - Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , met nummer PL1300-2025250161-14 van 5 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s A1 11 tot en met A1 13. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde: op 4 oktober 2025, in Nederland, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , via Snapchat en middels tussenkomst van een vriend dreigend de woorden toe te voegen: “Luister ik wil mijn zoon zien vandaag. [persoon] is bij der moeder dus ik ga nu daar en aanbellen en kloppen. Niemand helpt mij, dan help ik mij zelf. En iedereen steek ik neer. Mag ze ook weten. Ik speel niet om me zoon”, en door vervolgens naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] toe te gegaan en meerdere malen aan te bellen en door de ramen van voornoemde woning te kijken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 Strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregel 8.1.
Volledig
Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod gevorderd met [slachtoffer 1] . Bovendien heeft zij als vrijheidsbeperkende maatregel een locatieverbod gevorderd waarbij verdachte zich niet in een straal van 2000 meter rond het adres van [slachtoffer 1] en ook niet in een straal van 1500 meter rond het adres van [slachtoffer 2] mag bevinden. Het contact- en locatieverbod gelden behoudens de momenten waarop verdachte op grond van een omgangsregeling zijn zoon zou mogen zien.. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewogen. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van aangeefster, zijn ex-partner, en haar moeder. Dit is een ernstig feit dat plaats heeft gevonden in de relationele sfeer. Verdachte heeft via Snapchat zeer dreigende berichten gestuurd en is vervolgens naar de woning van de moeder van aangeefster gegaan, waar ook aangeefster aanwezig was. Verdachte heeft bij de woning meerdere keren aangebeld en door de ramen naar binnen gekeken, hetgeen voor aangeefster en haar moeder zeer beangstigend is geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat hij zijn zoontje wilde zien. Er was een omgangsregeling, maar deze is door Veilig Thuis stopgezet en verdachte neemt dit aangeefster kwalijk. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in 2023 eerder is veroordeeld voor bedreiging. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 februari 2026. Uit dit advies blijkt dat er in de huidige zaak sprake is geweest van een schorsingstoezicht met bijzondere voorwaarden. Op 14 januari 2026 werd de schorsing van preventieve hechtenis opgeheven, omdat verdachte meermaals het opgelegde contactverbod- en locatieverbod had overtreden. Volgens de reclassering laat verdachte zich niet, althans nauwelijks, sturen of begeleiden door de reclassering of andere hulpverleningsinstanties, zoals het behandelend FACT team van Inforsa en de woonzetting HVO-Querido. Gelet op het voorgaande ziet de reclassering geen mogelijkheden om middels toezicht of interventies te komen tot gedragsverandering of risicobeperking. De reclassering adviseert daarom om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen. Op te leggen straf Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank houdt rekening met de context waarin de bedreiging heef plaatsgevonden en waarbij verdachte naar de woning van de moeder van aangeefster is gegaan, hetgeen zeer beangstigend is geweest voor de slachtoffers. Daarnaast heeft de rechtbank als strafverzwarend in aanmerking genomen dat het feit heeft plaatsgevonden binnen de relationele sfeer, en dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Opheffing voorlopige hechtenis Omdat verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die hem uiteindelijk wordt opgelegd, is de voorlopige hechtenis met ingang van 18 maart 2026 opgeheven. 38v maatregel De rechtbank legt ook aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel een contactverbod op met [slachtoffer 1] , op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat verdachte gedurende twee jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , tenzij dit contact tussen verdachte en [slachtoffer 1] plaatsvindt ten behoeve van een eventuele omgangsregeling met de zoon van partijen. De rechtbank legt als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v van het Wetboek van Strafrecht ook een locatieverbod op, waarbij verdachte zich niet in een straal van 2000 meter rond het adres van [slachtoffer 1] en ook niet in een straal van 1500 meter rond het adres van [slachtoffer 2] mag bevinden, tenzij dit noodzakelijk is ten behoeve van een eventuele omgangsregeling met de zoon van verdachte en [slachtoffer 1] . De rechtbank acht de oplegging van een locatieverbod noodzakelijk, gelet op het feit dat verdachte, nadat hij de dreigende berichten onder het feit 1 tenlastegelegde had gestuurd, naar de woning van de moeder van zijn ex-partner is gegaan, waar ook zijn ex-partner aanwezig was. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat verdachte hen zal benaderen. De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van twee maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wordt ingeperkt. 9 De vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling (13/128309-23) Bij de stukken bevindt zich de op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/128309-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 30 oktober 2023 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 dagen, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. 9.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd. 9.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 9.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat de rechtbank het toewijzen van de vordering niet opportuun acht nu verdachte in de huidige strafzaak langer in voorlopige hechtenis heeft gezeten dan de uiteindelijk aan hem opgelegde straf. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38v, 38w, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.