Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-18
ECLI:NL:RBAMS:2026:3278
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,965 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3278 text/xml public 2026-04-14T09:39:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-18 702519 710414 710434 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Tussenbeschikking NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3278 text/html public 2026-04-10T10:18:23 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3278 Rechtbank Amsterdam , 18-03-2026 / 702519 710414 710434 Afwijzing vordering tot opheffing mededelingsverbod. Hoger beroep opengesteld voor deel van beslissingen uit tussenvonnis van 17 september 2025. RECHTBANK Amsterdam Afdeling privaatrecht Rolbeslissing van 18 maart 2026 in de volgende gevoegde zaken in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van de stichting STICHTING EMISSION CLAIM , gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. C. Jeloschek, e i s e r e s, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht RENAULT S.A. , gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk), advocaat mr. Y. Borrius, 2. de naamloze vennootschap RENAULT NEDERLAND N.V. , gevestigd te Schiphol-Rijk, advocaat mr. Y. Borrius, g e d a a g d e n, [tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend] en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van de stichting STICHTING CAR CLAIM , gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. P. Haas, e i s e r e s, tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht RENAULT S.A.S., gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk), advocaat mr. Y. Borrius, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht AUTOMOBILE DACIA S.A. , gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië), advocaat mr. Y. Borrius, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RENAULT-NISSAN B.V., gevestigd te Amsterdam, verstek verleend, g e d a a g d e n, en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030 van de stichting STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE, gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. J.D. Edixhoven, e i s e r e s, en in de op de rol daarbij gevoegde zaken: de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751970 HA ZA 24-615 de stichting STICHTING CAR CLAIM , gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. P. Haas, e i s e r e s, tegen de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019), g e d a a g d e n advocaat mr. R.J. van der Weijden, en de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751971 HA ZA 24-616 de stichting STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE, gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. J.D. Edixhoven, e i s e r e s tegen de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019), g e d a a g d e n advocaat mr. R.J. van der Weijden Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij ook de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. De gedaagden in de zaken C/13/751970 HA ZA 24-615 en C/13/751971 HA ZA 24-616 worden aangeduid als de Autodealers. De zaken tegen Renault c.s. worden de Renault-zaken genoemd, de zaken tegen de Autodealers worden de Autodealer-zaken genoemd. 1 De beoordeling 1.1. In het tussenvonnis van 17 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat Renault c.s. niet mag weigeren om aan het definitieve informatiebevel te voldoen, met verwijzing naar de rol van 1 oktober 2025 om alsnog volledig aan het informatiebevel te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank de Stichtingen verboden om aan derden, zoals bedoeld in overweging 2.19 van het genoemde tussenvonnis, of aan de Autodealers mededelingen te doen omtrent gegevens die Renault c.s. in deze procedure in het geding heeft gebracht of zal brengen ter voldoening aan het informatiebevel (“het mededelingenverbod”). Ook heeft de rechtbank bepaald dat de Stichtingen de in het tussenvonnis genoemde geheimhoudingsbepaling overeen moeten komen met de door hen in te schakelen deskundigen. 1.2. Bij brief van 26 november 2025 hebben de Stichtingen de rechtbank verzocht het mededelingenverbod op te heffen, dan wel producties R61 en R62 buiten beschouwing te laten. Het probleem is dat het mededelingenverbod tot een onwerkbare situatie leidt: de deskundige die de Stichtingen in deze procedure bijstaat is niet bereid om zichzelf en zijn medewerkers te verbinden aan het mededelingenverbod en de daaraan gekoppelde dwangsom vanwege de reële dreiging van claims van Renault c.s. Daarnaast kwalificeren de gegevens niet langer als vertrouwelijk, omdat de High Court of Justice of England and Wales op 25 juli 2025 heeft geconcludeerd dat dezelfde informatie openbaar moet worden gemaakt. 1.3. De rechtbank heeft Renault c.s. in de gelegenheid gesteld om haar standpunt over de gevraagde opheffing van het mededelingenverbod uiterlijk op 12 december 2025 kenbaar te maken. 1.4. Op 12 december 2025 heeft Renault c.s. per brief kenbaar gemaakt dat zij bereid is tot praktisch overleg en dat zij zich verzet tegen het verzoek om het mededelingsverbod op te heffen. Samengevat verzet zij zich tegen opheffing van het mededelingenverbod, omdat er al uitgebreid debat gevoerd is over dit mededelingenverbod, waardoor het opheffen ervan neerkomt op hoger beroep of terugkomen op een bindende eindbeslissing. Renault c.s. herhaalt daarnaast haar zwaarwegende belangen bij de vertrouwelijkheid en betwist dat het mededelingenverbod in de weg staat aan toegang tot de noodzakelijke deskundigenbijstand. Bovendien meent Renault c.s. dat de door de Stichtingen aangehaalde uitspraak van de High Court of Justice of England and Wales van 25 juli 2025 genuanceerder is dan de Stichtingen doen voorkomen. De door Renault c.s. in het geding gebrachte gegevens vallen onder “zeer vertrouwelijk” en deze liggen niet al in het publieke domein, aldus Renault c.s. 1.5. Op 21 januari 2026 informeert Renault c.s. de rechtbank dat partijen geen oplossing hebben bereikt. De Stichtingen bevestigen dit op 22 januari 2026 en wijzen de rechtbank daarnaast op het vonnis van 21 januari 2026 in de collectieve procedure van de Stichtingen tegen Stellantis-PSA, omdat het verzoek om vertrouwelijkheid daar is afgewezen. Renault c.s. heeft daarop op 26 januari 2026 gereageerd en geschreven dat de rechtbank geen acht moet slaan op het door de Stichtingen aangehaalde vonnis, omdat dat een andere zaak is. 1.6. Terwijl de discussie over het mededelingsverbod werd gevoerd, hebben de Stichtingen op 18 februari 2026 hun aangepaste dagvaarding ingediend. Daarnaar gevraagd door de rechtbank, hebben zij op 13 maart 2026 per e-mail laten weten dat zij nog steeds een beslissing wensen op hun verzoek tot opheffing van het mededelingenverbod, omdat zij de door Renault c.s. overgelegde informatie dan kunnen laten beoordelen door hun deskundige. 1.7. De rechtbank oordeelt dat zij niet terugkomt van haar eerder genomen eindbeslissingen over het mededelingenverbod. De rechtbank is in beginsel gebonden aan eindbeslissingen die zij heeft uitgesproken in een tussenuitspraak, maar de rechtbank mag daarvan terugkomen – nadat partijen in gelegenheid zijn gesteld om zich daarover uit te laten – als blijkt dat de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank ziet in de omstandigheden die de Stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat haar eerdere beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Daarom ziet de rechtbank geen reden om terug te komen van haar eindbeslissingen over het mededelingenverbod. De door de Stichtingen geschetste recente ontwikkelingen in de zaak in het Verenigd Koninkrijk en in de zaak tegen Stellantis spelen niet in deze procedure, waardoor deze ontwikkelingen niet relevant zijn voor deze beslissing. 1.8.