Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:3115
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,031 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3115 text/xml public 2026-04-02T12:32:57 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-06 25/2848 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3115 text/html public 2026-04-01T08:29:13 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3115 Rechtbank Amsterdam , 06-03-2026 / 25/2848 Vernietiging invordering van te veel ontvangen AOW-uitkering. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/2848, AMS 25/4785 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer), en de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Pinas). Samenvatting Deze uitspraak gaat over terugvordering van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) van eiser van € 6.166,19 en de invordering van dat bedrag. Procesverloop 1. Met een primair besluit van 14 januari 2025 heeft verweerder een bedrag van € 6.166,19 van eiser teruggevorderd vanwege te veel ontvangen AIO-uitkering. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. 2. Verweerder heeft op 17 juni 2025 een besluit tot invordering genomen. Eiser heeft daarom op 19 augustus 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank, waarin hij heeft gevraagd de betalingsverplichting op te schorten en een voorziening te treffen omtrent het bedrag van terugbetaling. 3. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit van 17 juni 2025. Op de zitting is daarom met partijen afgesproken dat zijn verzoek om een voorlopige voorziening zal worden beschouwd als een rechtstreeks beroep tegen dat besluit, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4. De rechtbank heeft de beroepen op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.S. Vlieger en mr. I.M.F. van Bragt als vervangers van eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. 5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven om met elkaar tot een schikking te komen. Daarnaast heeft verweerder de gelegenheid gekregen om te reageren op de door eiser ingediende stukken omtrent zijn financiële situatie. Verweerder heeft bij brief van 6 november 2025 een reactie gegeven. 6. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank sluit het onderzoek. Totstandkoming besluiten 7. Eiser, geboren in 1935, ontvangt vanaf januari 2000 een ouderdomspensioen. Bij besluit van 5 december 2014 heeft verweerder eiser een AIO-uitkering toegekend van € 60,27 voor zowel eiser als zijn vrouw. In totaal verkregen zij daardoor een netto inkomen van € 1.001,15. In april 2015 is de AIO verhoogd naar € 129,43 per maand. Daarna is de AIO elk jaar aangepast (verhoging dan wel verlaging wegens inkomsten). Eisers vrouw is overleden in 2023. Eisers ouderdomspensioen is naar aanleiding daarvan aangepast naar een pensioen voor een ongehuwde; de AIO-uitkering is ongewijzigd gebleven. 8. Verweerder heeft een bedrag van € 6.166,19 van eiser teruggevorderd, omdat eiser een teruggave van de Belastingdienst over de jaren 2019 tot en met mei 2023 heeft gekregen die hij niet heeft opgegeven aan verweerder. 9. Met het besluit van 17 juni 2025 heeft verweerder een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld van € 173,72. Standpunt van eiser 10. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij de teruggave inkomstenbelasting niet als inkomen heeft herkend. Er is geen sprake van kwade wil geweest. Eiser heeft benadrukt dat hij op een minimum inkomen leeft en niet in staat is om terug te betalen. Hij heeft daarom om kwijtschelding verzocht. Beoordeling door de rechtbank 11. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in 2024 geoordeeld dat het begrip ‘dringende redenen’ voortaan ruimer moet worden uitgelegd, waarbij betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Bij de oorzaak van de terugvordering is bijvoorbeeld van belang of sprake is van fouten van verweerder zelf of trage besluitvorming waardoor de terugvordering onnodig is ontstaan of opgelopen. Van belang is ook het eigen aandeel van betrokkene in de ontstane situatie. De financiële gevolgen van een terugvordering doen zich in het algemeen pas voor bij de invordering of verrekening. In het kader van het invorderingstraject zal een afbetalingsregeling getroffen moeten worden die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van de betrokkene op dat moment. Dan heeft de betrokkene de bescherming van onder meer de beslagvrije voet. Bijzondere omstandigheden die al voorzienbaar zijn op het moment van het terugvorderingsbesluit moet verweerder dan al meewegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een schuldhulpverleningstraject dat dreigt te worden beëindigd. 12. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden in het licht van deze nieuwe rechtspraak van de Raad over dringende redenen om van terugvordering af te zien, te matigen dan wel het bedrag van de invordering aan te passen. De terugvordering 13. Vast staat dat eiser te veel AIO-uitkering heeft ontvangen doordat zijn inkomen hoger werd door een teruggave inkomstenbelasting van de Belastingdienst over meerdere jaren. Eiser had volgens verweerder kunnen weten dat hij de teruggave van de Belastingdienst aan verweerder door had moeten geven als ontvangen inkomen. Verweerder is gehouden om dit bedrag terug te vorderen, tenzij er sprake is van dringende redenen om de terugvordering te matigen of daarvan in het geheel af te zien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien het hierboven omschreven ruimere toetsingskader, die dringende redenen voldoende heeft onderzocht. Verweerder heeft rekening gehouden met eisers leeftijd (90) door de terugvorderingstermijn van tien jaar terug te brengen naar vijf jaar. Ook de rechtbank is van oordeel dat de oorzaak van de terugvordering is gelegen in eisers handelen, dan wel het nalaten daarvan. Indien de situatie voor eiser, gelet op zijn hoge leeftijd, niet helemaal duidelijk was, had hij zijn kinderen om hulp kunnen vragen. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding om de terugvordering verder te matigen, dan wel kwijt te schelden. Eisers beroep is in zoverre ongegrond. De invordering 14. Eiser heeft voornamelijk financiële redenen aangevoerd waarom hij niet kan voldoen aan de maandelijkse invordering. Eiser heeft diverse stukken overgelegd teneinde aan te tonen dat hij met een maandelijkse aflossing van € 173,72 onder de beslagvrije voet uitkomt. Verweerder heeft in zijn nadere reactie van 6 november 2025 gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat er aanleiding is voor een afwijkende betalingsregeling, zoals vastgelegd in Beleidsregel SB1251. Eiser heeft volgens verweerder een inkomen van € 1.500,44. Voor de beslagvrije voet geldt een bedrag van 95% van de bijstandsnorm, te weten € 1.278,00. Een bedrag van € 173,72 zou hij daarom kunnen betalen, aldus verweerder. 15. Eiser heeft een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven overgelegd, gestaafd door bankafschriften. Eiser heeft een inkomen (inclusief toeslagen) van € 1.850.99. Na aftrek van huur (inclusief gas en licht) en verzekeringen houdt hij een bedrag van € 287,38 over om van te leven. Met de overige kosten die eiser heeft opgevoerd is dan nog niet eens rekening gehouden. De rechtbank merkt op dat ook deze kosten geen vreemde of overbodige kosten zijn. Ook is er geen bedrag gereserveerd voor onvoorziene (zorg)kosten en de aflossing van de crematiekosten van zijn overleden vrouw. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de kosten die eiser heeft opgevoerd. Verweerder heeft slechts gekeken naar de beslagvrije voet, en heeft niet gekeken naar de daadwerkelijke uitgaven die eiser heeft. 16.