Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:3113
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,041 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3113 text/xml public 2026-04-09T15:51:19 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 C/13/770924 / JE RK 25-434 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3113 text/html public 2026-04-02T10:04:14 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3113 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / C/13/770924 / JE RK 25-434 Ondertoezichtstelling RECHTBANK AMSTERDAM Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/13/770924 / JE RK 25-434 Datum uitspraak: 11 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , Amsterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. A.J. Robbers uit Amsterdam, en [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. P.W.M. Franssen uit Amsterdam en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam , hierna te noemen JBRA. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft bij beschikking van 26 juli 2024 – in de zaak met kenmerk C/13/735070 / FA RK 23-3853 over gezag en omgangskwesties – een raadsonderzoek gelast om onderzoek in te stellen naar een zorgregeling die in het belang van [minderjarige] is. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de Raad ambtshalve aanleiding gezien om het onderzoek uit te breiden naar een kinderbeschermingsonderzoek. Op grond van dit onderzoek is de Raad tot de conclusie gekomen dat een ondertoezichtstelling voor [minderjarige] nodig is. 1.2. Op 26 juni 2025 is onder andere het verzoek van de Raad over een ondertoezichtstelling behandeld. Bij beschikking van 14 juli 2025 heeft de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van het mediationtraject tussen ouders. 1.3. De beschikking van 14 juli 2025 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. 1.4. De kinderrechter heeft nadien kennis genomen van de volgende stukken: - een bericht van de Raad van 29 juli 2025 over de aangehouden beslissing; - een bericht aan de zijde van de vader van 29 juli 2025; - een bericht aan de zijde van de moeder van 1 augustus 2025; - een bericht aan de zijde van de vader van 25 augustus 2025; - een bericht aan de zijde van de vader van 16 oktober 2025; - een bericht van de Raad van 17 oktober 2025; - een bericht aan de zijde van de moeder van 20 oktober 2025; - een bericht aan de zijde van de moeder van 2 februari 2026, met bijlagen 18-19; - een bericht aan de zijde van de vader van 2 februari 2026, met bijlagen 1-2; - een bericht aan de zijde van de moeder van 9 maart 2026, met bijlagen 20-24. 1.5. De voortzetting van de mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door een tolk, met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - mw. [persoon 1] van de Raad; - mw. [persoon 2] van JBRA. 2 2. De feiten 2.1. Ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 14 juli 2025 is de volgende zorgregeling vastgesteld met ingang van na de zomervakantie van 2025: - [minderjarige] is om de week van maandagmiddag uit school tot en met de volgende maandagochtend naar school bij de vader; - Op donderdag is er tussen 18:00-18:30 uur een (video)belmoment van maximaal 30 minuten met de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment niet is. De ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft, is niet bij dat (video)belgesprek aanwezig. 2.4. De moeder is tegen voornoemde beschikking over de zorgregeling in hoger beroep gegaan. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten De Raad 4.1. De Raad handhaaft het verzoek en voert ter onderbouwing het volgende aan. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] groet de afgelopen jaren op in een spanningsvolle, onrustige en emotioneel onveilige opvoedingssituatie als gevolg van de ernstige samenwerkings- en communicatieproblemen tussen de ouders. [minderjarige] ervaart mogelijk problemen in zijn loyaliteit aan beide ouders, waardoor hij wordt bedreigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling. De Raad acht de ouders op dit moment niet in staat om de zorgen onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren, mede omdat de ouders het niet eens zijn over [minderjarige] gezondheidstoestand. Daarom acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat de ouders ondersteund zullen worden door een jeugdbeschermer. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing over de zorgregeling. Het continue blijven procederen moet stoppen. Er moet rust en stabiliteit komen voor [minderjarige] . Hij is nog maar zes jaar, maar moet zich volledig in zijn eentje verhouden tot beide ouders. Hij wil het goed doen voor de moeder, goed doen voor de vader en goed doen op school. De vrees is dat [minderjarige] zichzelf volledig kwijtraakt. Er moet iemand meekijken naar het belang van [minderjarige] . Ouders hebben de beste intenties, maar zij hebben continue onenigheid. Gekeken moet worden naar wat de vader en de moeder nodig hebben en daarop moet worden ingezet. JBRA 4.2. JBRA sluit zich aan bij de Raad. Er is per direct een gezinsmanager beschikbaar die me het gezin aan de slag kan gaan. De doelen zoals door de Raad geformuleerd zijn werkbaar. Begonnen zal worden met een analysefase waarin wordt gekeken naar welke hulp nodig is en ingezet moet worden. De vader 4.3. De vader kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Hij vindt het belangrijk dat er stabiliteit en rust komt. Het is fijn als er een regievoerder komt die overkoepelend gaat werken, zodat ouders niet met elkaar hoeven te communiceren en/of procederen. De vader vind het goed als de Raad en/of JBRA contact opneemt met de mediator, mevrouw [persoon 3] , om haar bevindingen te vernemen over het mislukken van de mediation. De moeder 4.4. De moeder voert verweer tegen het verzoek van de Raad. Volgens haar wordt niet voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. De moeder wil aan alles meewerken, Zij heeft uitdrukkelijk laten weten dat wat haar betreft de Raad contact mocht opnemen met de mediator, mevrouw [persoon 3] , om haar bevindingen te vernemen over de recent mislukte mediation. De Raad heeft dat niet gedaan en heeft daarmee opnieuw niet de volledige informatie tot zich genomen om te kunnen adviseren. Ouders hebben sinds de beschikking van 14 juli 2025 uitvoering gegeven aan de zorgregeling en over en weer toestemming verleend. De geschillen die zijn blijven bestaan, betreffen in hoofdzaak de invulling van vrije tijd, sport, vakanties, reisformulieren, belmomenten en soortgelijke praktische kwesties. Dat zijn reële conflicten die vooral laten zien dat ouders moeite hebben met de praktische afbakening van hun ouderschap. Zij laten niet zien dat noodzakelijke hulp voor [minderjarige] in vrijwillig kader niet tot stand komt. [minderjarige] volgt inmiddels KIES, hetgeen laat zien dat hulpverlening wel degelijk op gang is gekomen. De moeder wenst te benadrukken dat de insteek van het hoger beroep tegen de beschikking van 14 juli 2025 niet is dat zij af wil van de co-ouderschapsregeling, maar dat zij een andere verdeling van het co-ouderschap wil. De week-op-week-af-regeling maakt dat ouders veel over en weer moeten overleggen over de invulling van de gedeelde tijd. De moeder wenst daarom dat beide ouders vaste dagen hebben, zodat zij eigen beslissingsruimte hebben binnen hun eigen tijd. Op die manier zijn er ook niet voortdurend conflicten over praktische zaken. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.