Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:3019
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
1,694 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3019 text/xml public 2026-04-03T14:54:40 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-05 10610707 \ CV EXPL 23-9844 Uitspraak Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3019 text/html public 2026-03-30T13:35:00 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3019 Rechtbank Amsterdam , 05-02-2026 / 10610707 \ CV EXPL 23-9844 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Oneerlijk beding ontbinding. Overgrote gedeelte van de vordering afgewezen. Proceskosten gecompenseerd. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10610707 \ CV EXPL 23-9844 Vonnis van 5 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STELLANTIS FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V. , gevestigd te Rotterdam, eisende partij, gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 4 december 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (de gevolgen van) het buiten toepassing laten van het beding over ontbinding in de algemene voorwaarden van eisende partij, dat als oneerlijk is aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft laten weten dat het beding in een schriftelijke aanmaning met een redelijke termijn van 14 dagen voorziet, waarbij de gevolgen worden omschreven en de gelegenheid wordt geboden alsnog aan de verplichting te voldoen. Dat waarborgt dat de consument niet bij een geringe of incidentele tekortkoming direct wordt geconfronteerd met ontbinding. De consument wordt ook niet in een juridisch minder gunstige positie geplaatst dan hij heeft op grond van de wet. De schuldeiser kan ingevolge de wet volstaan met het stellen van een tekortkoming. Het is aan de schuldenaar om omstandigheden te stellen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Die omstandigheden laten zich niet opnemen in een beding. Het opnemen van een redelijkheidstoets in de vorm van een tenzij-bepaling voegt daarom niets toe aan de vraag of in een concreet geval de tekortkoming wel of niet van geringe betekenis is. Eisende partij merkt voorts op dat de tekortkoming van gedaagde partij niet gering was. De algemene voorwaarden die eisende partij hanteert zijn opgesteld door een onafhankelijke stichting, die ook de belangen van consumenten beoogt te beschermen, zodat een eventueel oneerlijk beding haar niet kan worden verweten. 2.3. Wat eisende partij heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan verwoord in overweging 2.9 van het tussenvonnis. Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat – aanmaning of geen aanmaning – iedere tekortkoming eisende partij de mogelijkheid geeft de overeenkomst te ontbinden, dus ook bij zeer geringe tekortkomingen die op grond van de wettelijke regeling ontbinding niet zouden rechtvaardigen. Nu het beding, in tegenstelling tot de wettelijke regeling, niet stelt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen, is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht. De wijze waarop eisende partij het beding in de praktijk (of in het concrete geval) toepast, is voor de beoordeling op oneerlijkheid niet van belang. Het argument dat de tekortkoming van gedaagde partij niet gering was, is dan ook niet relevant. Evenmin is relevant dat eisende partij algemene voorwaarden hanteert die door anderen zijn opgesteld. 2.4. De kantonrechter zal dan ook overgaan tot het buiten toepassing laten van het beding en daaraan de gevolgen verbinden genoemd in overweging 2.11 van het tussenvonnis. 2.5. Het voorgaande en het overwogene in de tussenvonnissen van 28 augustus 2025 en 4 december 2025, leidt tot toewijzing van de onbetaald gelaten leasetermijnen tot 14 juni 2022. Dat komt uit op een bedrag van € 2.126,24 (facturen over maart 2022 t/m mei 2022, plus 14/30e gedeelte van de factuur over juni 2022). De kilometerafrekening van € 126,46 is eveneens toewijsbaar, alsmede de factuur met betrekking tot de inleverschades van € 68,00. Het meer aan hoofdsom gevorderde, waaronder de voortijdige beëindigingskosten en de kosten in verband met het (laten) innemen en bergen van de auto, is niet toewijsbaar. 2.6. Aan hoofdsom wordt daarom toegewezen een bedrag van € 2.320,70. 2.7. In artikel 22 AV Keurmerk wordt gerefereerd aan de mogelijkheid tot het in rekening kunnen brengen van vertragingsrente. Nu deze vertragingsrente niet nader is gespecificeerd en een verwijzing naar de wettelijke rente ontbreekt, kan eisende partij met een beroep op dit beding iedere rente in rekening brengen die zij wenselijk acht. Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het rentebeding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Gevolg daarvan is dat eisende partij ook geen aanspraak kan maken op wettelijke rente. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen. 2.8. In artikel 21 AV Keurmerk staat een beding dat gaat over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling. Eisende partij kan zich dus beroepen op de wettelijke regeling. Aan alle wettelijke vereisten is voldaan. Wel wordt het gevorderde bedrag gematigd naar het bedrag dat ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zou zijn bij voormeld bedrag aan hoofdsom. Daarom wordt € 421,21 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Het meer gevorderde wordt afgewezen. 2.9. Bij deze uitkomst blijkt dat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, eisende partij zelfs in overwegende mate, gelet op de hoogte van de totale vordering van € 6.298,27 waarvan toewijsbaar is een bedrag van € 2.741,91. Dat geeft de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van: - € 2.320,70 aan hoofdsom, - € 421,21 aan buitengerechtelijke incassokosten, 3.2. compenseert de proceskosten, 3.3. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026. 991