Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:3010
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3010 text/xml public 2026-03-25T08:23:45 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-06 AMS 24/5171 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3010 text/html public 2026-03-25T08:23:06 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3010 Rechtbank Amsterdam , 06-01-2026 / AMS 24/5171 Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer, in het geding is of het meetmiddel voor de snelheidsovertreding op de juiste wijze is gebruikt en of het op de juiste locatie is gebruikt, beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/5171 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. G.W.M. de Leest), en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (hierna: het CBR) (gemachtigde: mr. I. Metaal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (LEMG). 1.1. In het besluit van 27 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een LEMG opgelegd. In het bestreden besluit van 2 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze beslissing gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser fysiek en de gemachtigde van het CBR digitaal deelgenomen. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de oplegging van de LEMG aan eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Het CBR heeft met het primaire besluit een LEMG aan eiser opgelegd – een cursus over verantwoord rijgedrag – naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de Politie Eenheid Haaglanden van 20 juni 2024. In die mededeling staat het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, die vereist is voor het besturen van de motorrijtuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het proces-verbaal waarin staat dat eiser op 20 juni 2024 staande gehouden is. Bij een snelheidsmeting met een lasergun is na toepassing van de correctie vastgesteld dat eiser met een snelheid van 154 kilometer per uur (hierna: km/uur) reed en dus de maximumsnelheid van 100 km/uur met 54 km/uur heeft overschreden. Volgens de regelgeving moet eiser dan een cursus over verantwoord rijgedrag volgen. Het CBR mag ervan uitgaan dat de informatie die van de politie is ontvangen juist is. Het CBR heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit in het bestreden besluit ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel gehandhaafd. Onjuist gebruik meetmiddel 5. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet rechtens juist is. Eiser legt hieraan ten grondslag dat er getwijfeld kan worden aan het proces-verbaal van de politie, omdat het meetmiddel onjuist is gebruikt. Eiser betwist dat de meetapparatuur op de juiste, voorgeschreven wijze is gebruikt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten vanuit hun politievoertuig een snelheidsmeting hebben gedaan, terwijl uit de NMi - verklaring blijkt dat de meetapparatuur enkel is gekeurd voor opstelling zonder afscherming tussen apparaat en het gemeten voertuig. Een reden dat het belangrijk is voor meetapparatuur om te worden getest en gekeurd voor opstellingen met bijvoorbeeld een autoruit tussen het apparaat en het gemeten voertuig, is de brekingswet, ook wel de wet van Snellius genoemd. 5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt ook voor de rechter, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot afwijking van dit uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiertoe onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd en overweegt hierover het volgende. 5.2. Zoals het CBR ook heeft opgemerkt, staat in het proces-verbaal verkeersovertredingen van 20 juni 2024 dat twee agenten op ambtsbelofte verklaren te zijn opgeleid om en/of gecertificeerd voor de bediening van de voor de meting gebruikte radar- en/of laserapparatuur. Daarnaast verklaart één van de agenten dat de snelheid overeenkomstig de geldende Aanwijzing meting snelheidsovertredingen en Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (hierna: Aanwijzing) is vastgesteld met behulp van een op de voorgeschreven wijze gebruikte lasersnelheidsmeter. Op basis hiervan acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat er sprake was van een afscherming tussen het meetapparaat en de auto van eiser, in de vorm van bijvoorbeeld een autoruit. De enkele stelling van eiser hiertoe is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal. Daarnaast heeft het CBR erop gewezen dat van het type meetapparatuur dat is gebruikt, een lasergun, algemeen bekend is dat het gebruikt wordt uit een open raam. Omdat het CBR het onaannemelijk heeft mogen vinden dat de snelheidsmeting heeft plaatsgevonden met een autoruit tussen het apparaat en het gemeten voertuig, gaat ook het beroep van eiser op de wet van Snellius niet op. De overgelegde andere NMi-verklaring van eiser maakt dit niet anders, nu het CBR mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal. De beroepsgrond slaagt niet. Onjuiste meetlocatie 6. Ook hebben de verbalisanten volgens eiser niet voldaan aan de juiste plaats van de meetlocatie. De minimale afstand tussen het gebod en de meetplaats moest minimaal 300 meter zijn, terwijl hier na 299 meter gemeten is. Dit is één meter te vroeg. Eiser ziet ook in dat dit maar één meter betreft, maar desondanks geeft ook dit, naast het verkeerd hanteren van het meetapparaat, blijk van onvoldoende kennis bij de verbalisanten omtrent het verrichten van een geldige snelheidsmeting. 6.1. De rechtbank kan het CBR volgen in de stelling dat niet is gebleken dat de verbalisanten zich niet hebben gehouden aan de juiste meetlocatie. Uit paragraaf 2.2 van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers volgt dat er twee methodes zijn om de minimale afstand tussen het gebod en de meetplaats te berekenen. In de eerste plaats kan gekeken worden naar de tabel in deze instructie. Daarnaast kan, zonder gebruik te maken van de tabel, de toegestane snelheid vermenigvuldigd worden met het getal drie. Eisers berekening gaat uit van de tweede methode, dus de toegestane snelheid (100 km/uur) vermenigvuldigd met drie, dus 300 meter. Uit de tabel volgt echter dat de minimale afstand tussen gebod en meetplaats 280 meter moet zijn. Volgens de berekening die eiser heeft uitgevoerd op basis van het proces-verbaal, was de afstand tussen het gebod en de meetplaats 299 meter. Dat is meer dan de minimale afstand van 280 meter die volgens de tabel wordt voorgeschreven. Deze grond kan dus ook niet slagen. Conclusie en gevolgen 7. Conclusie is dat het CBR terecht aan eiser een LEMG heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.