Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:2927
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,035 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2927 text/xml public 2026-03-24T10:23:36 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-03 13-299352-23 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2927 text/html public 2026-03-24T10:23:01 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2927 Rechtbank Amsterdam , 03-03-2026 / 13-299352-23 Roemeens executie-EAB. Overlevering geweigerd op grond van art. 6a OLW. Schorsingsverzoek bevel artikel 27, vierde lid, OLW is geweigerd. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-299352-23 Datum uitspraak: 3 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 29 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2023 door the Mangalia Court of Law in Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Roemenië), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor het sluiten van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Criminal judgment no. 127 dated 06.04.2023 rendered by the Mangalia Court of Law in the file no. 955/254/2022 of the Mangalia Court of Law, final by the criminal decision no. 1030/P/20.10.2023 of the Constanta Court of Appeal . De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en één maand, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Uit het EAB, onder (f), volgt dat de opgeëiste persoon bij voormeld vonnis van 6 april 2023, onherroepelijk geworden bij arrest van 20 oktober 2023, is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en tien maanden. De opgeëiste persoon was echter eerder bij vonnis van the Constanta Court of Law in criminal case no.7403/212/2019, final by criminal decision no. 49/P/22.01.2020 rendered by the Constanta Court of Appeal , veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden met een proeftijd van twee jaren wegens het rijden onder invloed van alcohol. Omdat de opgeëiste persoon binnen die proeftijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, is bij voormeld vonnis van 6 april 2023 (waarin hij voor die feiten is veroordeeld) tevens de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden. Tezamen levert dit de in het EAB onder (c) 2. genoemde vrijheidsstraf van drie jaren en één maand op. Anders dan uit onderdeel (c) van het EAB volgt, neemt de rechtbank daarom aan dat het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van twee afzonderlijke vrijheidsstraffen. Het vonnis van the Mangalia Court of Law van 6 april 2023 en het arrest van the Constanta Court of appeal van 20 oktober 2023, betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot artikel 12 OLW. De officier van justitie heeft betoogd dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank oordeelt als volgt. Criminal decision no. 1030/P/20.10.2023 of the Constanta Court of Appeal Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal, gelet op de door de Roemeense justitiële autoriteit verstrekte gegevens, de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de verstrekte aanvullende informatie van 14 januari 2026 en het daarbij gevoegde D-formulier met betrekking tot de procedure in hoger beroep, blijkt echter dat de opgeëiste persoon terwijl op de hoogte was van deze procedure, tijdens het proces is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat die ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. De opgeëiste persoon heeft dit ten tijde van zijn voorgeleiding ook bevestigd tegenover de rechter in Amsterdam. De in artikel 12, sub b, OLW genoemde omstandigheid heeft zich daarom voorgedaan. Gelet daarop mag de rechtbank de overlevering niet weigeren en staat artikel 12 OLW daarom niet aan overlevering in de weg. Criminal decision no. 49/P/22.01.2020 handed down by the Constanta Court of Appeal De rechtbank zal, gelet op de door de Roemeense justitiële autoriteit verstrekte gegevens, de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de verstrekte aanvullende informatie van 2 februari 2026 en het daarbij gevoegde D-formulier, blijkt echter dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was dat deze procedure liep. Er is één zitting geweest in hoger beroep: op deze zitting was hij niet aanwezig maar is hij vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat die ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Ook dit heeft de opgeëiste persoon bevestigd. De in artikel 12, sub b, OLW genoemde omstandigheid heeft zich daarom voorgedaan. Gelet daarop mag de rechtbank de overlevering niet weigeren. Zoals onder paragraaf 3. van deze uitspraak is weergegeven, is de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In het onderhavige geval is dat de procedure die geleid heeft tot het vonnis en arrest van 2023 waarvoor nu de overlevering wordt verzocht. Zoals hiervoor onder het kopje “ Criminal decision no. 1030/P/20.10.2023 of the Constanta Court of Appeal ” is geoordeeld, staat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd; overtreding van artikel 9, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994 . 6.
Volledig
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 13 januari 2026 volgt dat niet de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Overname van de opgelegde vrijheidsstraffen De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. Uit de hiervoor onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt echter dat de opgelegde vrijheidsstraffen de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De rechtbank constateert dat de opgelegde vrijheidsstraffen namelijk een langere duur hebben dan de voor de desbetreffende feiten naar Nederlands recht – met inachtneming van de wettelijke samenloop-regeling in artikel 57 Wetboek van Strafrecht (WvSr) – toepasselijke strafmaxima. Derhalve vindt overeenkomstig artikel 6a, derde lid, OLW verlaging van de opgelegde vrijheidsstraffen tot die strafmaxima plaats. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank onder 3. heeft overwogen, is de opgeëiste persoon in Roemenië in 2019 veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en drie maanden (voorwaardelijk) wegens het rijden onder invloed van alcohol. Ingevolge 176 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) staat op overtreding van artikel 8 WVW 1994 een gevangenisstraf van maximaal één jaar. De maximale gevangenisstraf die naar Nederlands recht aan de opgeëiste persoon voor dit misdrijf kan worden opgelegd, bedraagt dan ook één jaar gevangenisstraf. In het vonnis van 6 april 2023 is de opgeëiste persoon eveneens veroordeeld voor het besturen van een auto onder de invloed van alcohol (artikel 8 WVW) en voor overtreding van artikel 9, vijfde lid, WVW 1994. Op beide misdrijven staat een gevangenisstraf van maximaal één jaar. Wat betreft de overtreding van artikel 8 WVW 1994, is in dit vonnis sprake van recidive. Dit betekent dat de maximumstraf van één jaar op grond van artikel 43a Sr met een derde wordt verhoogd en dus zestien maanden bedraagt. Nu in het vonnis van 6 april 2023 bovendien sprake is van samenloop van het rijden onder invloed van alcohol en met het besturen van een voertuig zonder een geldig rijbewijs, wordt op grond van artikel 57, tweede lid, Sr het strafmaximum gevormd door het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, maar niet meer dan een derde boven het hoogste maximum. Het hoogste strafmaximum is gesteld op de overtreding van artikel 8 WVW 1994 begaan in recidive, te weten een straf van zestien maanden. Deze maximumstraf moet ingevolge artikel 57, tweede lid, WvSr met één-derde worden verhoogd, waardoor het toepasselijke strafmaximum in dit geval 21 maanden en tien dagen beslaat. Het totaal van de aangepaste vrijheidsstraffen bedraagt daarmee 2 jaar, negen maanden en tien dagen. De rechtbank zal dan ook op grond van artikel 6a, derde lid, OLW de opgelegde straffen van in totaal drie jaren en één maand verlagen naar in totaal twee jaar, negen maanden en tien dagen. De opgelegde sancties zijn voor het overige naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, vierde en vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen zal daarom bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de beslissingsstaat toestemming gegeven voor het overnemen van de straffen door Nederland doordat de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 20 januari 2026 het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis en arrest waarbij de straffen zijn opgelegd, heeft toegestuurd. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en de tenuitvoerlegging bevelen van de hiervoor bedoelde verlaagde vrijheidsstraffen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Verzoek om schorsing van de gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW Door de raadsman is verzocht om de gevangenhouding te schorsen. De reden hiervoor is dat een gratieverzoek zal worden ingediend en de opgeëiste persoon, gelet op de behandelduur van een dergelijk verzoek, waarschijnlijk al zes maanden gedetineerd zal zijn alvorens op het verzoek wordt beslist. De opgeëiste persoon is eigenaar van een hond en als hij gedetineerd raakt, dan zal zijn hond naar een asiel moeten worden gebracht. De officier van justitie heeft tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bevel gevangenhouding te schorsen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die schorsing van het bevel gevangenhouding rechtvaardigt. De rechtbank kan niet vooruitlopen op de uitkomst van een eventueel gratieverzoek en verder heeft de opgeëiste persoon inmiddels voldoende tijd gehad om opvang voor zijn hond te regelen. Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 43a en 57 Wetboek van Strafrecht, 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. 9 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Mangalia Court of Law in Roemenië. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de onder 3.