Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:2558
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,472 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 text/xml public 2026-03-12T16:02:33 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 81/139513-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 text/html public 2026-03-12T15:23:42 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / 81/139513-23 Vrijspraak valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81/139513-23 Datum uitspraak: 5 maart 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende op het adres [adres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat de raadsman van verdachte, mr. S. Ben Tarraf, naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich tussen mei 2022 en februari 2023 heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van voorhanden hebben/gebruikmaken van valse geschriften als ware zij echt en onvervalst, door het indienen van twee nihilaangiften omzetbelasting namens [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ) nadat een ambtshalve aanslag was opgelegd door de Belastingdienst, terwijl hij wist dat [bedrijfsnaam] wel belastbare activiteiten had verricht waaruit omzet was gerealiseerd; feitelijke leidinggeven aan het doen van twee onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting door [bedrijfsnaam] , door in deze aangiften geen omzet aan te geven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. De gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 3 Vrijspraak 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het ten laste gelegde kan worden bewezen. 3.2. Standpunt van de verdediging Verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn broer, [broer verdachte] (hierna: [broer verdachte] ), samen de leiding hadden over [bedrijfsnaam] . Daarom kan worden bewezen dat verdachte en [broer verdachte] samen de onjuiste aangiften hebben ingediend. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dit standpunt naar voren gebracht, dat [broer verdachte] heeft verklaard dat verdachte werkzaamheden verrichtte binnen [bedrijfsnaam] en dat zij beiden hetzelfde salaris verdienden. Daarnaast hebben getuigen verklaard dat verdachte en [broer verdachte] samen de leiding hadden. Dit baseren de getuigen voornamelijk op hun ervaringen in het contact met [bedrijfsnaam] . Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. [broer verdachte] heeft verklaard dat hij de baas was van [bedrijfsnaam] en dat verdachte alleen een werknemer was. Verdachte was volgens [broer verdachte] ook niet betrokken bij het doen van belastingaangiften en kon of mocht deze niet namens [bedrijfsnaam] indienen. Tot slot blijkt uit het dossier dat [broer verdachte] op papier eigenaar van [bedrijfsnaam] was. Net als de verdediging is de rechtbank op grond van het dossier van oordeel dat niet kan worden vastgesteld, dat verdachte betrokken is geweest bij het doen van belastingaangiften. De aanwijzingen in het dossier, waaronder de verklaringen van getuigen dat verdachte en [broer verdachte] naar buiten toe de indruk wekten dat zij samen de leiding over de onderneming hadden, zijn niet voldoende om vast te stellen dat de rol van verdachte binnen [bedrijfsnaam] groter was dan [broer verdachte] heeft verklaard. Dat verdachte (samen met anderen) gebruik heeft gemaakt van valse geschriften namens [bedrijfsnaam] (feit 1) en feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het doen van onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte door [bedrijfsnaam] (feit 2), kan dan ook niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde. 4 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, voorzitter, mrs. C.M. Berkhout en M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026. [..]
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 text/xml public 2026-05-12T16:26:12 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 81/139513-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026031708 FutD 2026-0500 NDFR Nieuws 2026/750 NTFR 2026/829 met annotatie van mr. R.B.H. Beune http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 text/html public 2026-03-12T15:23:42 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2558 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / 81/139513-23 Vrijspraak valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81/139513-23 Datum uitspraak: 5 maart 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende op het adres [adres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat de raadsman van verdachte, mr. S. Ben Tarraf, naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich tussen mei 2022 en februari 2023 heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van voorhanden hebben/gebruikmaken van valse geschriften als ware zij echt en onvervalst, door het indienen van twee nihilaangiften omzetbelasting namens [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ) nadat een ambtshalve aanslag was opgelegd door de Belastingdienst, terwijl hij wist dat [bedrijfsnaam] wel belastbare activiteiten had verricht waaruit omzet was gerealiseerd; feitelijke leidinggeven aan het doen van twee onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting door [bedrijfsnaam] , door in deze aangiften geen omzet aan te geven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. De gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 3 Vrijspraak 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het ten laste gelegde kan worden bewezen. 3.2. Standpunt van de verdediging Verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn broer, [broer verdachte] (hierna: [broer verdachte] ), samen de leiding hadden over [bedrijfsnaam] . Daarom kan worden bewezen dat verdachte en [broer verdachte] samen de onjuiste aangiften hebben ingediend. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dit standpunt naar voren gebracht, dat [broer verdachte] heeft verklaard dat verdachte werkzaamheden verrichtte binnen [bedrijfsnaam] en dat zij beiden hetzelfde salaris verdienden. Daarnaast hebben getuigen verklaard dat verdachte en [broer verdachte] samen de leiding hadden. Dit baseren de getuigen voornamelijk op hun ervaringen in het contact met [bedrijfsnaam] . Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. [broer verdachte] heeft verklaard dat hij de baas was van [bedrijfsnaam] en dat verdachte alleen een werknemer was. Verdachte was volgens [broer verdachte] ook niet betrokken bij het doen van belastingaangiften en kon of mocht deze niet namens [bedrijfsnaam] indienen. Tot slot blijkt uit het dossier dat [broer verdachte] op papier eigenaar van [bedrijfsnaam] was. Net als de verdediging is de rechtbank op grond van het dossier van oordeel dat niet kan worden vastgesteld, dat verdachte betrokken is geweest bij het doen van belastingaangiften. De aanwijzingen in het dossier, waaronder de verklaringen van getuigen dat verdachte en [broer verdachte] naar buiten toe de indruk wekten dat zij samen de leiding over de onderneming hadden, zijn niet voldoende om vast te stellen dat de rol van verdachte binnen [bedrijfsnaam] groter was dan [broer verdachte] heeft verklaard. Dat verdachte (samen met anderen) gebruik heeft gemaakt van valse geschriften namens [bedrijfsnaam] (feit 1) en feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het doen van onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte door [bedrijfsnaam] (feit 2), kan dan ook niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde. 4 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, voorzitter, mrs. C.M. Berkhout en M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026. [..]