Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:2528
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,995 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2528 text/xml public 2026-03-23T11:00:22 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 13-000245-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2528 text/html public 2026-03-19T16:13:55 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2528 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / 13-000245-26 Executie-EAB uit Polen. De weigeringsgrond van artikel 12, onder d, OLW is van toepassing. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-000245-26 Datum uitspraak: 11 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 augustus 2025 (en aangepast op 20 januari 2026) door the Regional Court in Poznań , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, waarnemend voor mr. D.W.H.M. Wolters, beiden advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Poznań van 5 maart 2024, met kenmerk III K 311/23. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren en vijftien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die tot het vonnis heeft geleid en hij zijn verdedigingsrechten onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Gelet op de wijziging van het EAB van 20 januari 2026 kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie. Deze wijziging doet afbreuk aan het vertrouwen dat daarin gesteld moet worden. Het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Hij had geen kennis van de uitspraak of van de mogelijkheid van hoger beroep en hij heeft dit ook niet met de door de rechtbank aangewezen advocaat besproken. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij slechts kort contact heeft gehad met de aangewezen advocaat, maar dat deze niet veel heeft uitgevoerd. Het is niet duidelijk of de advocaat door de opgeëiste persoon is gemachtigd. In het EAB staat weliswaar dat de oproep voor de zitting naar zijn adres is gestuurd en dat hij een adresinstructie heeft gekregen: de opgeëiste persoon kan zich dat niet herinneren en het is de vraag of de oproep wel naar het goede adres is gegaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. Het EAB van 20 januari 2026 moet worden gezien als een aanvulling op het eerder uitgevaardigde EAB. In het EAB van 20 januari 2026 wordt vermeld dat de opgeëiste persoon ter zitting is verdedigd door een door de rechtbank aangewezen advocaat, in plaats van een door de opgeëiste persoon gekozen advocaat. Het is juist zorgvuldig dat de uitvaardigende justitiële autoriteit dit aangepast heeft. Deze wijziging betekent niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de overige informatie in het EAB en de begeleidende brief van 20 januari 2026. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding op 2 januari 2026 verklaard dat hij zijn advocaat gemachtigd had: dat is in overeenstemming met de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 20 januari 2026. Deze aangewezen advocaat heeft ter zitting de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. Daarnaast heeft de advocaat - zo verklaart de opgeëiste persoon ten tijde van de voorgeleiding - overlegd met de opgeëiste persoon. Dat de advocaat niet goed zou hebben gefunctioneerd, maakt niet dat geen sprake is van een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Uit de toelichting onder D.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een procedure tegen hem liep en dat hij daaraan heeft deelgenomen. De oproep voor de zitting is niet door hem opgehaald en hij was ook niet op de zitting aanwezig. De door de rechtbank aangewezen advocaat heeft de zitting wel bijgewoond. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 januari 2026 blijkt dat deze advocaat tijdens de zitting hem vertegenwoordigd heeft en daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Verder heeft de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding op 2 januari 2026 verklaard dat hij de advocaat heeft gemachtigd om hem op zitting te verdedigen. Op de zitting van 25 februari 2026 heeft hij dat, op een vraag van de rechtbank, herhaald. Dat de opgeëiste persoon niet tevreden is over de verdediging door de advocaat, maakt dit niet anders. Dit alles tezamen maakt dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 4 Strafbaarheid 4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten – met uitzondering van het hierna onder 4.2 bedoelde feit – aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: oplichting; vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; handel in gestolen voertuigen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5.