Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:2020
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
3,983 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 text/xml public 2026-03-23T15:48:24 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-24 26/487 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 text/html public 2026-03-23T15:47:01 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 Rechtbank Amsterdam , 24-02-2026 / 26/487 Vovo. Toekenning begeleid thuis op grond van de Wmo. Begeleiding wordt in de praktijk niet uitgevoerd. [bedrijf 1] heeft een nieuwe urenomvang van 11:45 uur vastgesteld. Op zitting afgesproken gemaakt tussen partijen. Toewijzen verzoek. Dwangsom voor verweerder. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/487 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. H. Kras). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. 1.1. Het college heeft met het bestreden besluit van 17 april 2025 de voorziening ‘begeleid thuis’ toegekend aan verzoekster op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 6 januari 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij per direct individuele begeleiding krijgt door een passende organisatie. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college. Ook waren twee medewerkers van het [Buurt] en vriendinnen van verzoekster aanwezig. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoekster heeft van het college de voorziening ‘begeleid thuis’ toegekend gekregen. Dit is een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in de Wmo. In het bestreden besluit is volgens verzoekster niet geconcretiseerd welke hulp zij toegekend krijgt en door welke organisatie dit wordt uitgevoerd. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift uiteengezet dat zij langdurig is verstoken van passende hulp en dat zij door alle betrokken instanties van het kastje naar de muur wordt gestuurd. 4. De voorzieningenrechter wil benadrukken dat deze uitspraak betrekking heeft op de toekomst van verzoekster. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster kampt met meervoudige en complexe problematiek en dat zij hulp nodig heeft in haar dagelijks functioneren. Het college is er tot nu toe niet in geslaagd om de benodigde zorg en begeleiding in de praktijk uit te voeren. 5. Het college heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van verzoekster aan [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) gevraagd om de benodigde urenomvang voor een indicatie voor aanvullende individuele ondersteuning vast te stellen. [bedrijf 1] heeft in het advies van 20 februari 2026 geadviseerd om aanvullende individuele ondersteuning met een omvang van 11:45 uur per week toe te kennen. De gemachtigde van het college heeft bevestigd dat dit aantal uren aan verzoekster zal worden toegekend in een nieuw besluit. 6. Op zitting heeft de gemachtigde van verzoekster toegelicht dat er in de afgelopen dagen overleg is geweest tussen verzoekster en de gemachtigde van het college over het advies van [bedrijf 1] . Verzoekster wenst deze procedure voort te zetten, zodat er druk blijft op het college, om de benodigde begeleiding daadwerkelijk te ontvangen door een passende organisatie. Op zitting zijn dan ook afspraken tussen partijen gemaakt. 7. De gemachtigde van het college heeft toegelicht dat het college en de regievoerder (het [Buurt] ) een zorgaanbieder op het oog heeft voor verzoekster, namelijk [bedrijf 3] . Eiseres staat bovenaan op de wachtlijst bij deze zorgaanbieder. Om de benodigde zorg en begeleiding op te starten is volgens het [Buurt] een ondertekend ondersteuningsplan nodig. Op zitting is afgesproken dat het [Buurt] het ondersteuningsplan met de beoogde doelen naar de gemachtigde van verzoekster stuurt. De gemachtigde van verzoekster zorgt dat het ondersteuningsplan ondertekend wordt door verzoekster en dat daarna het ondertekende ondersteuningsplan weer bij het [Buurt] terecht komt zodat de benodigde begeleiding opgestart kan worden. De gemachtigde van het college heeft aangegeven dat zij twee weken de tijd nodig heeft om het voorgaande in werking te zetten en de begeleiding op te laten starten. 8. Verzoekster heeft op zitting aangegeven dat zij niet twee weken zonder begeleiding kan zitten. De voorzieningenrechter heeft op zitting gevraagd wat zij nodig heeft de komende twee weken. Verzoekster heeft hierop geantwoord dat zij een gevulde ijskast nodig heeft. De gemachtigde van het college heeft toegezegd dat dit geregeld gaat worden voor de komende twee weken. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening in die zin dat verzoekster de benodigde begeleiding in de vorm van zorg in natura krijgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college tot dusverre geen uitvoering heeft gegeven aan het bestreden besluit. Verzoekster ontvangt al geruime tijd geen begeleiding, terwijl zij hier wel recht op heeft. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat, indien en zolang het college met ingang van 10 maart 2026 niet voldoet aan deze uitspraak, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat het college in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het tussen een zorgaanbieder en verzoekster moet klikken en stelt daarom het bedrag vast op maximaal € 7.500,-. 9.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in die zin toe dat verzoekster de benodigde zorg en begeleiding in de vorm van zorg in natura krijgt; - bepaalt dat, indien en zolang het college met ingang van 10 maart 2026 niet voldoet aan uitspraak, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 250,-, met een maximum van € 7.500,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke blijft aan deze voorlopige voorziening te voldoen; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026 door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 text/xml public 2026-03-23T15:48:24 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-24 26/487 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 text/html public 2026-03-23T15:47:01 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2020 Rechtbank Amsterdam , 24-02-2026 / 26/487 Vovo. Toekenning begeleid thuis op grond van de Wmo. Begeleiding wordt in de praktijk niet uitgevoerd. [bedrijf 1] heeft een nieuwe urenomvang van 11:45 uur vastgesteld. Op zitting afgesproken gemaakt tussen partijen. Toewijzen verzoek. Dwangsom voor verweerder. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/487 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. H. Kras). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. 1.1. Het college heeft met het bestreden besluit van 17 april 2025 de voorziening ‘begeleid thuis’ toegekend aan verzoekster op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 6 januari 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij per direct individuele begeleiding krijgt door een passende organisatie. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college. Ook waren twee medewerkers van het [Buurt] en vriendinnen van verzoekster aanwezig. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoekster heeft van het college de voorziening ‘begeleid thuis’ toegekend gekregen. Dit is een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in de Wmo. In het bestreden besluit is volgens verzoekster niet geconcretiseerd welke hulp zij toegekend krijgt en door welke organisatie dit wordt uitgevoerd. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift uiteengezet dat zij langdurig is verstoken van passende hulp en dat zij door alle betrokken instanties van het kastje naar de muur wordt gestuurd. 4. De voorzieningenrechter wil benadrukken dat deze uitspraak betrekking heeft op de toekomst van verzoekster. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster kampt met meervoudige en complexe problematiek en dat zij hulp nodig heeft in haar dagelijks functioneren. Het college is er tot nu toe niet in geslaagd om de benodigde zorg en begeleiding in de praktijk uit te voeren. 5. Het college heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van verzoekster aan [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) gevraagd om de benodigde urenomvang voor een indicatie voor aanvullende individuele ondersteuning vast te stellen. [bedrijf 1] heeft in het advies van 20 februari 2026 geadviseerd om aanvullende individuele ondersteuning met een omvang van 11:45 uur per week toe te kennen. De gemachtigde van het college heeft bevestigd dat dit aantal uren aan verzoekster zal worden toegekend in een nieuw besluit. 6. Op zitting heeft de gemachtigde van verzoekster toegelicht dat er in de afgelopen dagen overleg is geweest tussen verzoekster en de gemachtigde van het college over het advies van [bedrijf 1] . Verzoekster wenst deze procedure voort te zetten, zodat er druk blijft op het college, om de benodigde begeleiding daadwerkelijk te ontvangen door een passende organisatie. Op zitting zijn dan ook afspraken tussen partijen gemaakt. 7. De gemachtigde van het college heeft toegelicht dat het college en de regievoerder (het [Buurt] ) een zorgaanbieder op het oog heeft voor verzoekster, namelijk [bedrijf 3] . Eiseres staat bovenaan op de wachtlijst bij deze zorgaanbieder. Om de benodigde zorg en begeleiding op te starten is volgens het [Buurt] een ondertekend ondersteuningsplan nodig. Op zitting is afgesproken dat het [Buurt] het ondersteuningsplan met de beoogde doelen naar de gemachtigde van verzoekster stuurt. De gemachtigde van verzoekster zorgt dat het ondersteuningsplan ondertekend wordt door verzoekster en dat daarna het ondertekende ondersteuningsplan weer bij het [Buurt] terecht komt zodat de benodigde begeleiding opgestart kan worden. De gemachtigde van het college heeft aangegeven dat zij twee weken de tijd nodig heeft om het voorgaande in werking te zetten en de begeleiding op te laten starten. 8. Verzoekster heeft op zitting aangegeven dat zij niet twee weken zonder begeleiding kan zitten. De voorzieningenrechter heeft op zitting gevraagd wat zij nodig heeft de komende twee weken. Verzoekster heeft hierop geantwoord dat zij een gevulde ijskast nodig heeft. De gemachtigde van het college heeft toegezegd dat dit geregeld gaat worden voor de komende twee weken. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening in die zin dat verzoekster de benodigde begeleiding in de vorm van zorg in natura krijgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college tot dusverre geen uitvoering heeft gegeven aan het bestreden besluit. Verzoekster ontvangt al geruime tijd geen begeleiding, terwijl zij hier wel recht op heeft. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat, indien en zolang het college met ingang van 10 maart 2026 niet voldoet aan deze uitspraak, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat het college in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het tussen een zorgaanbieder en verzoekster moet klikken en stelt daarom het bedrag vast op maximaal € 7.500,-. 9.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in die zin toe dat verzoekster de benodigde zorg en begeleiding in de vorm van zorg in natura krijgt; - bepaalt dat, indien en zolang het college met ingang van 10 maart 2026 niet voldoet aan uitspraak, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 250,-, met een maximum van € 7.500,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke blijft aan deze voorlopige voorziening te voldoen; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026 door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.