Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2026:1875
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81.026777.24 Datum uitspraak: 20 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1971, wonende op het adres [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 17 en 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. J.C. Dekkers, naar voren heeft gebracht. Verdachte was zelf niet aanwezig. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk zonder registratie: in voorraad hebben van 150 kilogram ketamine; (laten) afleveren van 145 kilogram ketamine; en het drijven van een groothandel in ketamine. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis. 3 Bevoegdheid van de rechtbank 3.1. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat de rechtbank niet bevoegd is, omdat de zaak tegen verdachte is aangebracht bij de (gewone) strafkamer van de rechtbank, terwijl alleen economische delicten zijn tenlastegelegd. Anders dan de rechtbank in reactie op het preliminair gevoerde verweer heeft gesteld, kan de rechtbank niet van pet wisselen en de zaak afdoen als economische kamer. 3.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen, nu de rechtbank voornemens is om als economische kamer uitspraak te doen. Omdat de feitelijke zittingscombinatie bestaat uit rechters die zijn aangewezen als economische rechters, zijn er ook geen belangen geschaad. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging alleen een economisch delict bevat en dat daarom alleen de economische kamers van de rechtbank bevoegd zijn over het tenlastegelegde te oordelen. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte gedagvaard is voor de (gewone) strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Gelet hierop staat vast dat op de dagvaarding niet het juiste forum is vermeld. De rechtbank is echter van oordeel dat dit in dit geval niet hoeft te leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is over de zaak tegen verdachte te oordelen. Daarvoor is van belang dat de rechtbank vaststelt dat de zaak is toebedeeld aan team 1 van de teams strafrecht van de rechtbank Amsterdam, het team waarin de economische zaken worden behandeld, en dat de individuele rechters die in deze zaak samen de meervoudige kamer vormen deel uitmaken van dit team en daarmee zijn aangewezen als economische rechter. Deze aanwijzing als economische rechter volgt uit het volgende wettelijke kader: Artikel 38 van de Wet op de economische delicten bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Wet op de rechterlijke organisatie. In artikel 52 van de Wet op de rechtelijke organisatie wordt bepaald dat het bestuur [van de rechtbank] voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten economische kamers vormt en de bezetting van deze kamers bepaalt. In het bestuursreglement van de rechtbank Amsterdam (Staatscourant 2025, 23151) is in artikel 4 opgenomen: “1. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) een overzicht vast welke categorieën zaken door elk van de afdelingen en teams worden behandeld. Het schema wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en ligt op iedere zittingsplaats van het gerecht ter inzage. 2. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) de bezetting van de afdelingen en teams vast, welke afdelingen en teams enkelvoudige en meervoudige kamers Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van Sky-ID [account 1] . [account 4] , [account 3] en [account 2] Tijdens de doorzoeking bij [medeverdachte 3] is een notitie in beslag genomen waarop staat ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ en ‘ [account 3] ’. Uit berichten van [account 3] wordt afgeleid dat de gebruiker gebruikmaakt van de naam [bijnaam van medeverdachte 2] . Hetzelfde geldt voor de gebruiker ‘ [account 4] . [account 3] en [account 4] geven allebei ‘ [e-mailadres] ’ door voor het ontvangen van een e-mailbericht. Op 24 juni 2020 stuurt [account 3] vermoedelijk 67 Sky-id’s door naar [account 2] . Op 24 juni 2020 vraagt [account 6] aan [account 2] ‘nieuwe toch?’ [account 2] schrijft zelf aan [account 7] ‘Deze is new’ en dat andere ‘nog 2 maanden is’ en zijn back up is. [account 8] vraagt die dag aan [account 2] ‘Is dit he nieuwe [bijnaam van medeverdachte 2] ?’. Uit meer berichten is op te maken dat [account 2] de bijnaam [bijnaam van medeverdachte 2] gebruikt. Op [datum] schrijft [account 9] aan [account 2] ‘happy happy Bday’. [medeverdachte 2] is op [geboortedag 2] 1970 geboren. In een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. Dit nummer staat op naam van [vrouw van medeverdachte 2] , de vrouw van [medeverdachte 2] . Op 13 december 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] ‘ [medeverdachte 2] ’ en op 4 juni 2020 stuurt hij twee foto’s naar [medeverdachte 1] met de tekst ‘ben getrimd’. De verbalisant herkent op deze foto’s [medeverdachte 2] van zijn foto uit het politieregistratiesysteem. In de telefoon van [medeverdachte 1] is het nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. [bijnaam van medeverdachte 2] stuurt op 18 oktober 2018 naar [medeverdachte 1] : “Boss. Dit is mijn dubai nr.” Op 23 januari 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] een foto waarop de verbalisanten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van de foto’s uit het politieregistratiesystemen herkennen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de persoon die hij in zijn verhoren [bijnaam van medeverdachte 2] noemde, herkent op een foto uit het politieregistratiesysteem als [medeverdachte 2] . Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het Encrochat-account [account 4] en de Sky-accounts [account 3] en [account 2] een en dezelfde ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ als gebruiker hebben, dat [medeverdachte 2] deze ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ is en dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] in gebruik zijn bij [medeverdachte 2] . [account 5] Het Sky-account [account 5] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] is de telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] aangetroffen. Tijdens de doorzoeking is in een portemonnee ook een notitie aangetroffen met daarop ‘ [naam 1] ’ en ‘ [account 10] ’. In het onderzoek zijn Sky-gesprekken tussen [account 10] en [account 5] aangetroffen. Op 26 augustus 2020 stuurt [medeverdachte 1] naar [account 5] dat hij om 11.00 in Soest is, en later ‘sorry 13:30 kroeg’. [account 5] reageert hierop met ‘oké’. Een observatieteam heeft op 26 augustus 2020 om 17.13 uur [medeverdachte 3] uit de woning zien lopen op het adres waar [medeverdachte 1] stond ingeschreven en waar zijn kroeg ook is gevestigd. Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het Sky-account [account 5] . 4.4.2. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 27 augustus 2020 is de woning aan het [adres 5] , de woning van de vader van medeverdachte [medeverdachte 3] , doorzocht en daarbij zijn in drie ruimtes dozen met een witte stof aangetroffen en in beslag genomen. De witte stof is gewogen en bemon De chatgeschiedenis laat zien dat [medeverdachte 1] en verdachte regelmatig contact hebben. In een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [persoon] geeft [medeverdachte 1] aan dat [persoon] bij een bestelling moet zetten ‘hallo [naam 7] ik ben het [persoon] van [naam 5] ’. Op 26 augustus 2026 is door een observatieteam gezien dat verdachte kort na [medeverdachte 1] arriveerde op het adres [adres 2] in Driemond. Kort na het vertrek van verdachte vertrok ook [medeverdachte 3] uit de woning. Het Sky-account [account 16] heeft als gebruikersnaam [naam 6] en was actief tot 31 augustus 2020. Op 15 augustus 2020 schrijft [account 16] ‘ja ben jarig morgen maar wordt 49’. Verdachte is geboren op [geboortedag 1] 1971. Vanaf 30 augustus 2020 is het Sky-account [account 17] , met gebruikersnaam [naam 6] new, actief. Op 7 juni 2020 vraagt [account 16] of het Sky-account [account 19] van [naam 8] verlengt kan worden. Op 24 september 2020 zegt [account 17] of iemand [account 17] ’s broer kan ‘texen’ en geeft [account 19] door. De broer van verdachte heet [broer van verdachte] . Een van de zonen van verdachte heet [persoon] . Op 29 juli 2020 bericht [account 16] aan [account 7] dat hij een sample heeft en dat het gewoon goeie van ‘ [naam 11] ’ is. [persoon] heeft in een verhoor in 2021 in een ander onderzoek verklaard dat dit gesprek over ketamine ging. Later in dit verhoor heeft verdachte in het algemeen erkend dat hij zich heeft bezig gehouden met de handel in ketamine. [account 7] zegt op 28 augustus 2020 tegen [medeverdachte 2] dat ze gisteren een inval hadden bij [naam 11] en op de vraag wie [naam 11] is antwoordt [account 7] ‘Driemond’. [medeverdachte 1] is op 27 augustus 2020 aangehouden in zijn woning aan de [adres 2] in Amsterdam (Driemond), tevens het adres van [medeverdachte 1] en zijn café [bedrijf 2] . In het onderzoek is gekeken of er bedrijven en/of instanties zijn met een API-registratie met betrekking tot ketamine die te linken en/of te koppelen zijn aan verdachte en/of de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , maar die zijn er niet. 4.4.3. Overwegingen De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank neemt de bij [medeverdachte 3] aangetroffen notitie als uitgangspunt voor wat er aan ketaminehandel heeft plaatsgevonden. De betekenis van de notitie wordt bevestigd door de aangetroffen 185 kilogram ketamine en de cryptogesprekken die onder andere [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gevoerd. Gelet daarop kan de rechtbank aan de hand van de notitie het volgende vaststellen. De notitie heeft betrekking op een partij ketamine van aanvankelijk 1125 kilogram. In de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 augustus 2020 hebben leveringen plaatsgevonden aan vier (groepen) afnemers, aangeduid met de bijnamen: [naam 5] , [naam 1] , [naam 9] en [naam 10] . Na 17 augustus 2020 resteerde nog een partij van 185 kilogram ketamine, wat overeenkomt met de bij de vader van [medeverdachte 3] aangetroffen partij ketamine. Van de voorraad ketamine is dus in totaal (netto) 940 kilogram afgeleverd. In het bijzonder is op 18 maart 2020 een partij van 150 kilogram geleverd aan ‘ [naam 5] ’ en op 17 juni 2020 is een partij van 145 kilogram (retour)geleverd door [naam 5] . De rechtbank leidt uit de weergegeven feiten en omstandigheden af dat verdachte degene is die met [naam 5] wordt bedoeld en dat hij dus degene is die de ketamine geleverd heeft gekregen. In de eerste plaats is van belang dat [medeverdachte 1] naar verdachte verwijst als ‘ [naam 5] ’. [naam 5] klinkt als [naam 6] en onder die naam staat het telefoonnummer van verdachte bij [medeverdachte 1] in zijn telefoon opgeslagen. Verdachte en [medeverdachte 1] kennen elkaar en zijn gelijktijdig met [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] geweest. Verdachte heeft in een ander onderzoek in het algemeen erkend dat hij in ketamine heeft gehandeld. In dat verband is ook van belang De rechtbank leidt uit de manier waarop in de ketamine werd gehandeld af dat verdachte gericht was op de markt voor partydrugs, en niet op de geneesmiddelenmarkt. In die zin bestaat er bij ketaminehandel aanleiding om aansluiting te zoeken bij straffen voor harddrugs. Tegelijkertijd is de rechtbank het met de raadsvrouw eens dat er de afgelopen periode sprake is van een opwaartse ontwikkeling in de straffen die voor ketaminefeiten worden opgelegd. Als de strafzaak kort na het einde van de pleegperiode zou zijn berecht, zou vermoedelijk sprake zijn geweest van een lagere strafeis. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte enigszins rekening met de straffen die in de beginjaren ’20 voor illegale ketaminehandel werden opgelegd. Volgens de raadsvrouw is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet dat anders. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in de zaak van verdachte is aangevangen op 7 februari 2024, de dag waarop het Openbaar Ministerie de concept tenlastelegging aan de toenmalige raadsman van verdachte heeft gestuurd met het verzoek eventuele onderzoekswensen in te dienen. Dit betekent dat, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, op 7 februari 2026 vonnis had moeten worden gewezen. Er is sprake van een termijnoverschrijding van 13 dagen. De rechtbank ziet in deze beperkte overschrijding geen aanleiding tot strafvermindering. Vanwege het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het feit en gelet op het feit dat verdachte de afgelopen jaren niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om boven op het onvoorwaardelijke strafdeel niet nog een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, hetgeen zij anders wel zou hebben gedaan. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden . Dit vonnis is gewezen door mr. F. Dekkers, voorzitter, mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026. [(...)] ECLI:NL:PHR:2006:AY8322, randnummers 7 en 8 (ECLI:NL:HR:2006:AY8322: 81 RO) en ECLI:NL:PHR:2023:818, randnummers 16 en 17 (ECLI:NL:HR:2023:1267: 81 RO). Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften. AMB-065, p. 1638. DOC-268, p. 5187. V-01-01, p. 641. DOC-175, p. 4199. AMB-065, p. 1639. AMB-064, p. 1633. AMB-064, p. 1634. AMB-064, p. 1635. AMB-064, p. 1635-1636. AMB-064, p. 1636-1637. AMB-064, p. 1637. AMB-048, p. 1271. AMB-048, p. 1271