Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-17
ECLI:NL:RBAMS:2026:1707
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-238923-25 Datum uitspraak: 17 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 september 2025 door de Chișineu Criș District Court , Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Roemenië), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Chișineu Criș District Court van 28 november 2024 met kenmerk 305/28.11.2024, waarover in hoger beroep is geoordeeld door the Timișoara Court of Appeal op 19 mei 2025 met kenmerk 416/19.05.2025. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om de overlevering te weigeren. De oproepingen heeft de opgeëiste persoon niet in persoon ontvangen, zoals in de aanvullende informatie is gesteld door de Roemeense autoriteiten. Op de in het D-formulier genoemde data, waarop de oproepingen uitgereikt zouden zijn, woonde en werkte hij in Nederland. De opgeëiste persoon heeft weliswaar een advocaat gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, maar die advocaat is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet op de zitting verschenen. Hierdoor is de opgeëiste persoon in zijn verdediging geschaad. De opgeëiste persoon heeft de Roemeense rechtbank om die reden verzocht zijn strafzaak te heropenen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ten aanzien van het uitoefenen van zijn verdedigingsrechten kennelijk onzorgvuldig is geweest. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de Roemeense autoriteiten nadere vragen te stellen ten aanzien van de kennisgevingen en of de advocaat ter zitting aanwezig was in hoger beroep. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie was de opgeëiste persoon op de hoogte van de strafzaak. De Roemeense autoriteiten hebben de opgeëiste persoon viermaal in persoon gedagvaard en bovendien heeft hij zelf hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon is vervolgens in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is het vonnis in eerste aanleg in stand gelaten en onherroepelijk geworden. De opgeëiste persoon wist van de zittingsdatum en was dan ook in de gelegenheid om op de zitting aanwezig te zijn om aldaar zijn verdediging te voeren. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de be 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Roemenië De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Bij brief van 18 december 2025 heeft de Director General van de National Administration of Penitentiaries de volgende garantie gegeven: “(…) Considering the request submitted in case file no. 4291121012023 dated 17.12.2025, concerning the inquiry regarding the detention conditions that [opgeëiste persoon] (born on [geboortedatum] , domiciled in Arad County, sentenced to 1 year of imprisonment) would benefit from, should he be transferred to the Romanian authorities, we hereby inform you as follows: ln the event that the person deprived of liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coandd International Airport, Bucharest, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for the purpose of completing the quarantine period, for a duration of 21 days, in a cell ensuring a minimum personal space of 3 square meters. (…) Considering the length of the sentence, it is most likely that the person will initially serve the custodial sentence under the open regime. (…) It is most likely that, initially, the sentence will be served at Timisoara Penitentiary. (…) The person named [opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 square meters throughout the execution of the sentence, except during allocation within the open regime, during which he will benefit from 4 square meters, including the bed and related furniture, excluding the space allocated to the sanitary facilities. (…)” Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op 18 december 2025 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Ook in de quarantaineperiode wordt immers een persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel gegarandeerd. Verzoek vertaling detentiegarantie De raadsvrouw heeft verzocht om de verstrekte detentiegarantie ook in de originele (Roemeense) taal aan het dossier toe te voegen. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (Richtlijn 2010/64/EU). Uit deze richtlijn volgt volgens de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon recht heeft op een vertaling van de essentiële stukken in de overleveringsprocedure, waaronder ook moet worden verstaan de aanvullende informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt verstrekt in het kader van de beoordeling van de detentieomstandigheden. Het IRC heeft een schriftelijk verzoek door de raadsvrouw om de niet-vertaalde versie van de detentiegarantie op te vragen bij de Roemeense autoriteiten afgewezen. De officier van justitie heeft op dit punt ter zitting geen standpunt ingenomen. De rechtbank overweegt als volgt. De Richtlijn 2010/64/64 is in Nederland, voor wat betreft het deel daarvan dat ziet op vertaling van stukken in procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, geïmplementeerd in artikel 23, derde lid, OLW. In dat artikellid is bepaald dat de opgeëiste per