Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:9458
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/6162 (vovo) en 25/6180 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , eiseres/verzoekster, hierna: verzoekster, en Amstelwijs, stichting voor openbaar primair onderwijs, te Amstelveen, verweerder, (gemachtigde: mr. R.P.J. Hendrikx). Procesverloop 1.1. Verzoekster heeft [naam zoon] op [datum] 2025 aangemeld op OBS [school 1] . Verweerder is het bevoegd gezag van [school 1] . Verweerder heeft de aanmelding bij het besluit van 22 september 2025 buiten behandeling gesteld en is met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van verzoekster bij die beslissing gebleven. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het direct plaatsen van [naam zoon] op [school 1] . 1.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verweerder, [naam 1] , [functie 1] van verweerder en [naam 2] , [functie 2] van [school 1] . 1.5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen. 1.6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de voorzieningenrechter Achtergrond en besluitvorming 2.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [naam zoon] is geboren op [geboortedatum] 2019 en op dit moment dus 6 jaar oud. Hij is in oktober 2023 begonnen op OBS [school 2] . Daar heeft hij een aantal weken onderwijs gevolgd. In december 2023 hebben zijn ouders [naam zoon] aangemeld voor de [school 3] (hierna: [school 3] ) waar hij in januari 2024 is gestart. Op 4 juli 2024 is hij daar uitgeschreven; op het uitschrijvingsformulier heeft de school als reden ‘onbekend’ vermeld. Uit het informatieoverzicht van [school 1] over [naam zoon] van augustus en september 2025 volgt dat [school 3] in een telefonisch overleg heeft verklaard dat [naam zoon] tot en met mei 2024 op school heeft gezeten. Zij hebben een zorggesprek met ouders gevoerd. [school 3] wilde [naam zoon] extra ondersteunen en laten observeren. Ouders waren daarin niet meewerkend. Hij is uitgeschreven zonder dat er een nieuwe school voor hem was. 2.2. In juli 2024 hebben de ouders [naam zoon] aangemeld bij [school 1] . Deze aanmelding heeft niet tot een toelating geleid. Uit het dossier, met name een e-mailwisseling tussen [school 1] en de ouders van oktober 2024, blijkt dat de school toestemming heeft verzocht om informatie over een eventuele zorg/ondersteuningsbehoefte van [naam zoon] te mogen aanvragen bij [school 3] , OBS [school 2] en het kinderdagverblijf. Deze toestemming is niet verleend door de ouders. Ouders meenden dat de school niet voldoende heeft onderbouwd waarom [naam zoon] een ondersteuningsbehoefte zou hebben. [naam zoon] is volgens ouders geen zorgleerling. Nadat de school ouders nogmaals heeft gewezen op de verzochte informatie en toestemming, hebben ouders op 21 oktober 2024 laten weten dat zij een andere school voor [naam zoon] zullen zoeken. Zij bleven van mening dat ook uit het onderwijskundig rapport van [school 3] niet volgt dat [naam zoon] een ondersteuningsbehoefte heeft. Op 4 november 2024 heeft [school 1] laten weten de aanmelding verder niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 van de Awb jo. artikel 63, vierde lid van de Wet op het primaire onderwijs (Wpo). Hiertegen zijn de ouders verder niet meer opgekomen. 2.3. Uit het dossier blijkt verder dat de leerplichtambtenaar op 3 oktober 2024 is geïnformeerd door [school 1] dat er een onvolledige aanvraag lag. [naam zoon] was vanaf 3 nove Ter zitting heeft verweerder nog verwezen naar een ander informatieoverzicht dat is aangehecht aan een e-mail van [school 1] een de ouders van [naam zoon] van 22 augustus 2025 waaruit blijkt dat [school 3] aangeeft dat zij S(B)O als realistische uitstroombestemming zagen wanneer de extra ondersteuning onvoldoende zou renderen voor een start van [naam zoon] in groep 3. 3.2. [school 1] heeft daarom twee observatiedagen voorgesteld, waarbij [naam zoon] op de tweede dag geobserveerd zou worden door een medewerker van [bedrijf 2] ([functie 3]) en [bedrijf 3] ([functie 4]). Doordat ouders hieraan niet meewerken kan [school 1] de onderwijsbehoefte van [naam zoon] niet vaststellen en ook niet inschatten of [school 1] aan de onderwijsbehoefte tegemoet kan komen. Verweerder kan daarom de aanmelding van [naam zoon] niet verder in behandeling nemen. 3.3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat [naam zoon] tot tweemaal toe onrechtmatig is geweigerd door [school 1] . Verzoekster stelt dat het [bedrijf 1] in een gesprek met vader heeft bevestigd dat er geen sprake is van een ondersteuningsbehoefte en er ook geen sprake is van een zorgleerling. Als bewijs overleggen zij een geluidsopname van het gesprek. Het is in het belang van [naam zoon] om zo snel mogelijk weer toegang tot onderwijs te krijgen. Beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter merkt ten eerste op dat het hier gaat om een complexe situatie. Het belang van [naam zoon] om zo spoedig mogelijk passend onderwijs te kunnen volgen moet daarbij voorop worden gesteld. De voorzieningenrechter merkt op dat, hoewel alle betrokken instanties het belang van [naam zoon] benoemen, het tot nu toe niet is gelukt de impasse te doorbreken. Alle partijen dragen bij aan het in stand houden van deze situatie. De voorzieningenrechter wijst op de houding van de ouders. Door meerdere betrokken instanties is deze houding als niet meewerkend getypeerd. Bovendien hebben zij heimelijk gesprekken opgenomen wat niet bijdraagt aan de vertrouwensband en de samenwerking die vereist is om tot een oplossing te komen. Daarbij blijven zij volharden in hun mening dat zij geen hulp nodig hebben en geen betrokkenheid wensen van een professionele onafhankelijke derde die bemiddelend kan optreden in de gesprekken over [naam zoon] en slaan zij (vrijblijvende) adviezen van deskundige organisaties zoals het [bedrijf 1] in de wind. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat zij als ouders een eerlijke kans voor [naam zoon] willen. Hij zou moeten kunnen starten op regulier onderwijs omdat hij geen ondersteuningsbehoefte heeft. Mocht de school na een langere periode van observatie toch van mening zijn dat [naam zoon] naar een school voor speciaal (basis)onderwijs zou moeten, dan zullen de ouders daaraan meewerken. Hoewel het invoelbaar is dat ouders dit wensen, gaan zij eraan voorbij dat hun houding op dit punt eraan bijdraagt dat [naam zoon] op dit moment überhaupt geen onderwijs heeft. 4.2. De voorzieningenrechter wijst ook op de afdoeningswijze van de aanmelding door verweerder. Hoewel zij ter zitting het belang van [naam zoon] voor passend onderwijs onderstrepen, leidt het buiten behandeling stellen van de aanvraag ertoe dat zij geen verantwoordelijkheid hebben in dit dossier. Immers, de zorgplicht die een school heeft om voor een leerling met een extra behoefte aan ondersteuning toelating op een andere school te bewerkstelligen, geldt op grond van artikel 40, vierde lid, alleen bij weigering van die leerling. Door de buiten behandeling stelling blijft het dossier wederom liggen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder zich zorgen maakt over of toelating van [naam zoon] zonder te kunnen inschatten of [school 1] wel in de onderwijsbehoefte van [naam zoon] kan voorzien. Er zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook terechte zorgen over [naam zoon] gelet op de informatie van [school 3] en de intake in combinatie met het feit dat hij al 16 maanden niet op school zit. Verweerder heeft ter zitting benadrukt Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoekster met inachtneming van deze uitspraak; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- (2x € 194,-) aan verzoekster moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verdrag inzake de rechten van het kind Artikel 3, eerste lid Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Artikel 28, eerste lid De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs (…_) Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:5, eerste lid Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: (…) c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Wet op het primair onderwijs Artikel 40, derde lid Het bevoegd gezag beoordeelt of de aanmelding een kind betreft dat extra ondersteuning behoeft. Hiertoe kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen betreffende stoornissen of handicaps van het kind of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Artikel 40, vierde lid Indien de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft, wordt geweigerd, vindt de weigering niet plaats dan nadat het bevoegd gezag er, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en het ondersteuningsaanbod van de betrokken scholen, voor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Artikel 63, vierde lid Het bevoegd gezag van een bijzondere school kan beslissen een aanmelding voor toelating niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanmelding of voor de voorbereiding van de toelatingsbeslissing, mits de ouders de ge