Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-08
ECLI:NL:RBAMS:2025:87
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1572
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2024.
2. De heffingsambtenaar heeft op 23 november 2023 aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd, omdat zijn auto op 20 november 2023 om 14.30 uur geparkeerd stond op de locatie [adres 1] [huisnummer] in Amsterdam, zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door de heer [naam] , en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Parkeerregime voldoende duidelijk?
8. Eiser heeft aangegeven dat hij langs een zogenaamde ‘blauwe zone’ is gereden, waar je 1.5 uur gratis mag parkeren. Vervolgens is hij een bord met de tekst ‘einde blauwe zone’ gepasseerd. Hij heeft zijn auto voorbij dit bord geparkeerd en is uitgestapt om te bekijken of hij hier parkeergeld moest betalen. Hij zag dat het bord betaald parkeren pas een stuk verderop stond, bij de kruising van de [adres 2] en de [adres 3] . De parkeerplaats leek volgens eiser te horen bij de bibliotheek. Volgens eiser was voor hem niet duidelijk dat op deze locatie sprake was van betaald parkeren. Er leek sprake te zijn van een ‘vacuümzone’; een gebied tussen twee parkeerregimes waar geen belastingplicht geldt.
9. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser verplicht was parkeerbelasting te voldoen en dat dit ook voldoende duidelijk was. De heffingsambtenaar heeft er op gewezen dat uit de bebording ter plaatse blijkt dat de door eiser gebruikte parkeerplaats geen onderdeel uitmaakt van de blauwe zone. Het had op de weg van eiser gelegen om te onderzoeken of er een betaald parkeerregime van toepassing was. Eiser had op de website van de gemeente Amsterdam kunnen zien dat er betaald moest worden voor het parkeren. Volgens de heffingsambtenaar is eiser tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht.
10. De rechtbank overweegt dat het enerzijds aan de heffingsambtenaar is om op zodanige wijze duidelijk te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is, dat daarover redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (de informatieplicht / het kenbaarheidsvereiste). Volgens vaste rechtspraak kan dit blijken uit bebording, maar ook uit aanwezigheid van parkeerapparatuur in de directe omgeving van de parkeerplaats. Anderzijds mag van een parkeerder worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of er parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich, nadat hij heeft geparkeerd, inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is (de onderzoeksplicht).
11. Uit streetview van Google Maps maakt de rechtbank op dat de plaats waar eiser zijn auto heeft geparkeerd een klein en apart stukje parkeergebied is, waarvan de rechtbank zich kan voorstellen dat de status niet direct duidelijk is. Het lijkt volgens de rechtbank namelijk onlogisch dat voor die locatie geen blauwe zone meer geldt, omdat deze parkeerplaatsen ook bij de bibliotheek lijken te horen. De blauwe zone aan de andere (linker)zijde van de weg loopt bovendien wel door tot ter hoogte van ná de parkeerplaats waar eiser stond. Nu staat niet ter discussie dat eiser het bord “einde blauwe zone” is gepasseerd en dat hij dit heeft gezien. Het staat echter ook niet ter discussie dat het eerstvolgende bord “betaald parkeren” pas een stuk verderop staat, bij het eerste begin van een woonwijk. In het tussenliggende deel van de weg is geen parkeergelegenheid. Ter zitting is daarnaast vastgesteld dat eiser op zijn route geen andere bebording of parkeerautomaten is tegengekomen of had kunnen zien. De situatie is wat dat betreft verwarrend en onduidelijk, wat volgens de rechtbank betekent dat redelijkerwijs wel een misverstand kan bestaan over de vraag of ter plaatse parkeerbelasting moet worden voldaan. De heffingsambtenaar heeft volgens de rechtbank dan ook niet aan het kenbaarheidsvereiste voldaan.
12. De rechtbank overweegt wel dat bijna overal in Amsterdam een parkeerbelastingplicht geldt en dat dit een feit van algemene bekendheid is, juist bij inwoners van Amsterdam zoals eiser. Het bestaan van een “vacuümzone” in een bijzonder klein deel van [adres 4] waar geen belastingplicht zou gelden vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk en eiser mocht daar niet zonder meer van uit gaan. Dit neemt echter niet weg dat de heffingsambtenaar aan het kenbaarheidsvereiste moet voldoen en dat hij daar onder deze omstandigheden niet in geslaagd is. Het beroep is daarom gegrond.
Motivering
13. Eiser stelt zich voor het overige op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar niet aansluit bij de door hem ingediende bezwaren. Eiser heeft het gevoel gekregen dat verweerder helemaal niet naar zijn bezwaar heeft gekeken.
14. De rechtbank vat dit standpunt op als een beroep op het motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank ziet dat er in de uitspraak op bezwaar ook een aantal algemene stellingen en onderbouwingen staan, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende aansluit op hetgeen door eiser is gesteld in bezwaar en verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat het in dit geval voor eiser duidelijk had moeten zijn dat hij parkeerbelasting had moeten voldoen.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond. De heffingsambtenaar heeft ten onrechte de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen of, als hij al heeft betaald, het betaalde bedrag terugkrijgt van de heffingsambtenaar. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
16. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en vernietigt de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
17. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2024;
- vernietigt de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van 23 november 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
griffier
rechter
de rechter is buiten staat deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:506.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1572
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2024.
2. De heffingsambtenaar heeft op 23 november 2023 aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd, omdat zijn auto op 20 november 2023 om 14.30 uur geparkeerd stond op de locatie [adres 1] [huisnummer] in Amsterdam, zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door de heer [naam] , en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Parkeerregime voldoende duidelijk?
8. Eiser heeft aangegeven dat hij langs een zogenaamde ‘blauwe zone’ is gereden, waar je 1.5 uur gratis mag parkeren. Vervolgens is hij een bord met de tekst ‘einde blauwe zone’ gepasseerd. Hij heeft zijn auto voorbij dit bord geparkeerd en is uitgestapt om te bekijken of hij hier parkeergeld moest betalen. Hij zag dat het bord betaald parkeren pas een stuk verderop stond, bij de kruising van de [adres 2] en de [adres 3] . De parkeerplaats leek volgens eiser te horen bij de bibliotheek. Volgens eiser was voor hem niet duidelijk dat op deze locatie sprake was van betaald parkeren. Er leek sprake te zijn van een ‘vacuümzone’; een gebied tussen twee parkeerregimes waar geen belastingplicht geldt.
9. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser verplicht was parkeerbelasting te voldoen en dat dit ook voldoende duidelijk was. De heffingsambtenaar heeft er op gewezen dat uit de bebording ter plaatse blijkt dat de door eiser gebruikte parkeerplaats geen onderdeel uitmaakt van de blauwe zone. Het had op de weg van eiser gelegen om te onderzoeken of er een betaald parkeerregime van toepassing was. Eiser had op de website van de gemeente Amsterdam kunnen zien dat er betaald moest worden voor het parkeren. Volgens de heffingsambtenaar is eiser tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht.
10. De rechtbank overweegt dat het enerzijds aan de heffingsambtenaar is om op zodanige wijze duidelijk te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is, dat daarover redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (de informatieplicht / het kenbaarheidsvereiste). Volgens vaste rechtspraak kan dit blijken uit bebording, maar ook uit aanwezigheid van parkeerapparatuur in de directe omgeving van de parkeerplaats. Anderzijds mag van een parkeerder worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of er parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich, nadat hij heeft geparkeerd, inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is (de onderzoeksplicht).
11. Uit streetview van Google Maps maakt de rechtbank op dat de plaats waar eiser zijn auto heeft geparkeerd een klein en apart stukje parkeergebied is, waarvan de rechtbank zich kan voorstellen dat de status niet direct duidelijk is. Het lijkt volgens de rechtbank namelijk onlogisch dat voor die locatie geen blauwe zone meer geldt, omdat deze parkeerplaatsen ook bij de bibliotheek lijken te horen. De blauwe zone aan de andere (linker)zijde van de weg loopt bovendien wel door tot ter hoogte van ná de parkeerplaats waar eiser stond. Nu staat niet ter discussie dat eiser het bord “einde blauwe zone” is gepasseerd en dat hij dit heeft gezien. Het staat echter ook niet ter discussie dat het eerstvolgende bord “betaald parkeren” pas een stuk verderop staat, bij het eerste begin van een woonwijk. In het tussenliggende deel van de weg is geen parkeergelegenheid. Ter zitting is daarnaast vastgesteld dat eiser op zijn route geen andere bebording of parkeerautomaten is tegengekomen of had kunnen zien. De situatie is wat dat betreft verwarrend en onduidelijk, wat volgens de rechtbank betekent dat redelijkerwijs wel een misverstand kan bestaan over de vraag of ter plaatse parkeerbelasting moet worden voldaan. De heffingsambtenaar heeft volgens de rechtbank dan ook niet aan het kenbaarheidsvereiste voldaan.
12. De rechtbank overweegt wel dat bijna overal in Amsterdam een parkeerbelastingplicht geldt en dat dit een feit van algemene bekendheid is, juist bij inwoners van Amsterdam zoals eiser. Het bestaan van een “vacuümzone” in een bijzonder klein deel van [adres 4] waar geen belastingplicht zou gelden vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk en eiser mocht daar niet zonder meer van uit gaan. Dit neemt echter niet weg dat de heffingsambtenaar aan het kenbaarheidsvereiste moet voldoen en dat hij daar onder deze omstandigheden niet in geslaagd is. Het beroep is daarom gegrond.
Motivering
13. Eiser stelt zich voor het overige op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar niet aansluit bij de door hem ingediende bezwaren. Eiser heeft het gevoel gekregen dat verweerder helemaal niet naar zijn bezwaar heeft gekeken.
14. De rechtbank vat dit standpunt op als een beroep op het motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank ziet dat er in de uitspraak op bezwaar ook een aantal algemene stellingen en onderbouwingen staan, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende aansluit op hetgeen door eiser is gesteld in bezwaar en verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat het in dit geval voor eiser duidelijk had moeten zijn dat hij parkeerbelasting had moeten voldoen.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond. De heffingsambtenaar heeft ten onrechte de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen of, als hij al heeft betaald, het betaalde bedrag terugkrijgt van de heffingsambtenaar. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
16. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en vernietigt de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
17. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2024;
- vernietigt de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van 23 november 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
griffier
rechter
de rechter is buiten staat deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:506.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.