Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:8558
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,606 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/066092-25
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten, en wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P. America naar voren hebben gebracht.
De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd,plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13/066108-25 tegen medeverdachte [medeverdachte] .
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van
het opzettelijke aanwezig hebben van 1.039 gram hennep;
het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en munitie;
het voorhanden hebben van een pistool, munitie en een onderdeel/hulpstuk van een automatisch aanvalsgeweer;
het witwassen van € 13.400,-.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en geldt
als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het opzettelijk voorhanden hebben van hennep en al de vuurwapen gerelateerde goederen (feiten 1, 2 en 3) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daar afspeelt, tenzij er sprake is van contra-indicaties. Deze aanname kan ook worden weerlegd als een verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. De verklaring van zoon en medeverdachte [medeverdachte] over de wetenschap van zijn ouders is onvoldoende betrouwbaar. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen (feit 4) omdat hij over het in zijn woning aangetroffen contante geld een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. Die verklaring is verder niet onderzocht door het Openbaar Ministerie.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep (feiten 1, 2 en 3), omdat hij geen wetenschap had van de aangetroffen hennep, vuurwapens en munitie. Ook dient vrijspraak te volgen voor het witwassen (feit 4), omdat verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van zijn contante geld.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Op 3 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen de woning van verdachte aan het [adres] doorzocht.
In een slaapkamer op de eerste verdieping werden twee vuurwapens, patroonhouders en patronen aangetroffen in een rode bigshopper tas, die in een spiegelwandkast stond. In een andere slaapkamer werden in een reiskoffer AK-magazijnen inclusief patronen aangetroffen.
In een bergingsruimte in een van de slaapkamers werd ook 1.039 gram hennep gevonden. Tijdens de doorzoeking verklaarde verdachte dat er contant spaargeld in de woning aanwezig was, wat in totaal om een bedrag van € 13.400,- bleek te gaan.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn vrouw op de begane grond leven en slapen. De bovenverdieping werd volgens verdachte vooral gebruikt als opslagruimte en verdachte kwam daar slechts één à twee keer per maand om een factuur uit de printer te halen. Verder heeft verdachte verklaard dat zowel zijn zoon (medeverdachte [medeverdachte] ) als dochter toegang hebben tot de woning, en zij soms hun eigen spullen – zoals kleding – opslaan op de bovenverdieping.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie op 3 juli 2025 verklaard dat hij een huissleutel van het [adres] heeft en dat hij de wapens, munitie en hennep twee à drie dagen voor de doorzoeking bij zijn ouders heeft neergelegd zonder hun medeweten, omdat hij “het risico wilde verspreiden” vanwege de wapens en drugs die bij hem zelf in de woning lagen. Ook heeft hij verklaard dat hij wist dat zijn ouders niet op de bovenverdieping komen, en waar de spullen precies lagen.
Ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep (feiten 1, 2 en 3)
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van wapens en drugs gelden twee voorwaarden: wetenschap van de aanwezigheid daarvan en beschikkingsmacht daarover. Als uitgangspunt geldt volgens vaste jurisprudentie dat de bewoner van een woning geacht mag worden weet te hebben (en dus opzet te hebben op) al hetgeen zich in de woning bevindt. Echter, rechtvaardigt het enkele feit dat iemand bewoner is van de woning waar de wapens en drugs zijn aangetroffen, volgens eveneens vaste jurisprudentie niet zonder meer de conclusie dat diegene daar wetenschap van had. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan meespelen of anderen toegang hebben tot de woning en niet onaannemelijk is dat zij de drugs en wapens in de woning hebben achtergelaten. Ook de ruimte waarin de wapens en drugs worden aangetroffen, verborgen of niet, kan meespelen.
Gelet op de plaatsen waar de vuurwapens, de munitie en de hennep in de woning van verdachte zijn aangetroffen – uit het zicht, verborgen in een tas en koffer in afgesloten kasten – kan de rechtbank hieruit niet de wetenschap van verdachte vaststellen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de wapens, munitie en hennep in zijn woning. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de medeverdachte, de zoon van verdachte, dat hij een sleutel van de woning had en de wapens, munitie en hennep boven in de woning heeft neergelegd. Dit scenario kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten. Verder zijn er geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn woning de wapens, munitie en hennep werden bewaard. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat verdachte kennis heeft gehad van de aanwezigheid hiervan in de woning. De rechtbank zal verdachte vrijspreken.
Ten aanzien van het witwassen (feit 4)
De rechtbank is, overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4:
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter
mrs. B. Kuppens en M. Smayel, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2025.
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/066092-25
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten, en wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P. America naar voren hebben gebracht.
De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd,plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13/066108-25 tegen medeverdachte [medeverdachte] .
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van
het opzettelijke aanwezig hebben van 1.039 gram hennep;
het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en munitie;
het voorhanden hebben van een pistool, munitie en een onderdeel/hulpstuk van een automatisch aanvalsgeweer;
het witwassen van € 13.400,-.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en geldt
als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het opzettelijk voorhanden hebben van hennep en al de vuurwapen gerelateerde goederen (feiten 1, 2 en 3) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daar afspeelt, tenzij er sprake is van contra-indicaties. Deze aanname kan ook worden weerlegd als een verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. De verklaring van zoon en medeverdachte [medeverdachte] over de wetenschap van zijn ouders is onvoldoende betrouwbaar. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen (feit 4) omdat hij over het in zijn woning aangetroffen contante geld een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. Die verklaring is verder niet onderzocht door het Openbaar Ministerie.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep (feiten 1, 2 en 3), omdat hij geen wetenschap had van de aangetroffen hennep, vuurwapens en munitie. Ook dient vrijspraak te volgen voor het witwassen (feit 4), omdat verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van zijn contante geld.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Op 3 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen de woning van verdachte aan het [adres] doorzocht.
In een slaapkamer op de eerste verdieping werden twee vuurwapens, patroonhouders en patronen aangetroffen in een rode bigshopper tas, die in een spiegelwandkast stond. In een andere slaapkamer werden in een reiskoffer AK-magazijnen inclusief patronen aangetroffen.
In een bergingsruimte in een van de slaapkamers werd ook 1.039 gram hennep gevonden. Tijdens de doorzoeking verklaarde verdachte dat er contant spaargeld in de woning aanwezig was, wat in totaal om een bedrag van € 13.400,- bleek te gaan.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn vrouw op de begane grond leven en slapen. De bovenverdieping werd volgens verdachte vooral gebruikt als opslagruimte en verdachte kwam daar slechts één à twee keer per maand om een factuur uit de printer te halen. Verder heeft verdachte verklaard dat zowel zijn zoon (medeverdachte [medeverdachte] ) als dochter toegang hebben tot de woning, en zij soms hun eigen spullen – zoals kleding – opslaan op de bovenverdieping.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie op 3 juli 2025 verklaard dat hij een huissleutel van het [adres] heeft en dat hij de wapens, munitie en hennep twee à drie dagen voor de doorzoeking bij zijn ouders heeft neergelegd zonder hun medeweten, omdat hij “het risico wilde verspreiden” vanwege de wapens en drugs die bij hem zelf in de woning lagen. Ook heeft hij verklaard dat hij wist dat zijn ouders niet op de bovenverdieping komen, en waar de spullen precies lagen.
Ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep (feiten 1, 2 en 3)
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van wapens en drugs gelden twee voorwaarden: wetenschap van de aanwezigheid daarvan en beschikkingsmacht daarover. Als uitgangspunt geldt volgens vaste jurisprudentie dat de bewoner van een woning geacht mag worden weet te hebben (en dus opzet te hebben op) al hetgeen zich in de woning bevindt. Echter, rechtvaardigt het enkele feit dat iemand bewoner is van de woning waar de wapens en drugs zijn aangetroffen, volgens eveneens vaste jurisprudentie niet zonder meer de conclusie dat diegene daar wetenschap van had. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan meespelen of anderen toegang hebben tot de woning en niet onaannemelijk is dat zij de drugs en wapens in de woning hebben achtergelaten. Ook de ruimte waarin de wapens en drugs worden aangetroffen, verborgen of niet, kan meespelen.
Gelet op de plaatsen waar de vuurwapens, de munitie en de hennep in de woning van verdachte zijn aangetroffen – uit het zicht, verborgen in een tas en koffer in afgesloten kasten – kan de rechtbank hieruit niet de wetenschap van verdachte vaststellen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de wapens, munitie en hennep in zijn woning. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de medeverdachte, de zoon van verdachte, dat hij een sleutel van de woning had en de wapens, munitie en hennep boven in de woning heeft neergelegd. Dit scenario kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten. Verder zijn er geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn woning de wapens, munitie en hennep werden bewaard. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat verdachte kennis heeft gehad van de aanwezigheid hiervan in de woning. De rechtbank zal verdachte vrijspreken.
Ten aanzien van het witwassen (feit 4)
De rechtbank is, overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4:
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter
mrs. B. Kuppens en M. Smayel, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2025.
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]