Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:843
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,409 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5094
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. C.A. Madern),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Munk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen de aan hem opgelegde bestuurlijke boete van € 6.000,- omdat hij geen melding heeft gemaakt van de verhuur van zijn woning aan toeristen (het boetebesluit).
1.1.
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. Hierdoor bleef het boetebesluit in stand. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met een herzieningsverzoek van eiser ten aanzien van de opgelegde boete (zaaknummer 21/486). Hierin wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Op 22 november 2024 heeft de rechtbank de zaak heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. Partijen hebben nadere standpunten ingediend. Nadat de rechtbank is nagegaan of een van de partijen behoefte had aan een nadere zitting en dit niet het geval bleek te zijn, heeft de rechtbank het onderzoek schriftelijk gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of het boetebesluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat eiser niet verwijtbaar te laat bezwaar heeft ingediend en het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank herroept vervolgens het boetebesluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Bij een onderzoek van toezichthouders van de gemeente Amsterdam zijn toeristen aangetroffen in de woning van eiser aan de [adres] [huisnummer] te Amsterdam. Volgens verweerder heeft eiser zijn woning aan de woonruimtevoorraad onttrokken omdat hij zijn woning aan toeristen had verhuurd zonder dat bij de gemeente te melden.
4.1.
Bij brief van 31 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser en zijn zoon, die tevens stond ingeschreven op het adres van eiser, het voornemen bekendgemaakt aan hen gezamenlijk een bestuurlijke boete op te leggen van € 6.000,- wegens het in strijd met artikel 21, aanhef onder a, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening verhuren van de woning aan toeristen. De zoon van eiser heeft op 16 september 2018 per e-mail zijn zienswijze gegeven op het voornemen. Op 1 oktober 2018 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd (het boetebesluit).
4.2.
Eiser heeft een brief van 8 oktober 2019 van de gemeente Amsterdam ontvangen, waarin verwezen werd naar een betalingsachterstand en een beslissing van de gemeente. Eiser heeft naar aanleiding hiervan telefonisch contact opgenomen met de gemeente en vernomen dat deze betalingsachterstand betrekking heeft op een boetebesluit vanwege het onttrekken van woonruimte.
4.3.
Eiser heeft zich vervolgens laten bijstaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft na meerdere verzoeken bij de gemeente op 26 februari 2020 een kopie van het boetebesluit van 1 oktober 2018 ontvangen. Op 18 maart 2020 heeft hij namens eiser bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken is ontvangen en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (het bestreden besluit).
Toetsingskader verschoonbaarheid termijnoverschrijding
5. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat hoe dat bekendmaken moet gebeuren, namelijk door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n) tot wie het besluit is gericht. De bezwaartermijn begint dus op de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden.
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, zal het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dat is het geval wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij deze toets zijn twee aspecten van belang. Eerst moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van bezwaar of beroep aan de indiener kan worden toegerekend. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar. Voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, kan grond bestaan als deze het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend, dan moet worden beoordeeld of het bezwaar of beroep is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Is dat niet het geval, dan is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
5.2.
Indien een belanghebbende ontkent dat een besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat dit wel is gebeurd. Het bestuursorgaan kan dit doen door aannemelijk te maken dat het besluit is verzonden. In gevallen waarin een belanghebbende pas kennis neemt van een besluit als de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kon nemen van het besluit, rijst de vraag binnen welke termijn belanghebbende alsnog bezwaar moet maken. Sinds de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 geldt voor deze gevallen dat een termijn van zes weken wordt gehanteerd waarbinnen de belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. Hiermee wordt dus aangesloten bij de wettelijke bezwaar- en beroepstermijn en wordt afstand genomen van de hiervoor in de rechtspraak gehanteerde termijn van twee weken nadat een belanghebbende bekend is geraakt met het besluit, de zogenaamde twee weken-plus regel.
Heeft eiser verwijtbaar te laat bezwaar ingediend?
Standpunt eiser
6. Eiser stelt het boetebesluit niet te hebben ontvangen en betwist dat de boete daadwerkelijk en aangetekend is verzonden. Eiser is eerst op de hoogte geraakt van de boete toen hij een brief over de betalingsachterstand van 8 oktober 2019 heeft ontvangen. Eiser stelt dat zijn zoon, aan wie de boete was gericht, op 16 september 2018 een zienswijze heeft gegeven op het voornemen en dacht dat de zaak daarmee was afgedaan. Volgens eiser blijkt dit onder meer uit de reactie van de zoon tijdens een huisbezoek door de toezichthouders van de gemeente op 16 april 2019 waar hij heeft opgemerkt dat hij een boete kreeg van € 6000,- voor het illegaal verhuren van de woning maar dat hij die boete uiteindelijk toch niet hoefde te betalen. Eiser stelt verder dat het bezwaar op 18 maart 2020 op tijd is ingediend omdat eiser de boete eerst op 26 februari 2020 heeft ontvangen en dus op die dag bekend is geraakt met het besluit.
Standpunt verweerder
7. Verweerder stelt dat de boete aangetekend en per gewone post is verzonden naar het adres waar eiser in de Basis Registratie Persoonsgegevens stond ingeschreven. Naar ditzelfde adres is ook het voornemen verstuurd. Dat voornemen had eiser wel ontvangen. Het is daardoor niet geloofwaardig dat eiser het boetebesluit niet zou hebben ontvangen. Het boetebesluit is volgens verweerder dus op de juiste wijze bekendgemaakt op 1 oktober 2018. Verweerder stelt dat ook als ervan uitgegaan zou worden dat eiser het boetebesluit niet zou hebben ontvangen, het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk zou zijn. Eiser heeft namelijk op 18 maart 2020 bezwaar gemaakt, terwijl hij sinds 26 februari 2020 kennis heeft van de boete. Dat eiser niet binnen twee weken alsnog bezwaar heeft gemaakt komt voor rekening en risico van eiser. Er zijn verder geen omstandigheden op basis waarvan het bezwaar als niet verwijtbaar te laat moet worden aangemerkt.
Oordeel van de rechtbank
8. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank beoordeeld de twee aspecten die van belang zijn zoals die blijken uit overweging 5.1.
Kan de termijnoverschrijding aan eiser worden toegerekend?
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend en overweegt hiertoe als volgt.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 6:11 van de Awb is genomen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept met toepassing van artikel 8:72a van de Awb de aan eiser opgelegde boete van 1 oktober 2018. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat geen boete aan eiser wordt opgelegd.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 augustus 2020;
- herroept het boetebesluit van 1 oktober 2018;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, geldig tot 1 januari 2020.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 6:11 van de Awb.
Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.3. Deze uitspraak is met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling gedaan door een grote kamer die uit vijf rechters bestaat: twee van het CBb, twee van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en één van de Centrale Raad van Beroep.
Zie de uitspraken van de Afdeling van21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:585; van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:749 en van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84.
Zie de uitspraak van het Cbb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 4.2 en 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 14 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:936), van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1665) en van 15 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:261.