Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:840
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,052 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2488
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Follebu (Noorwegen), eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigden: mr. D. Brandt-van Es en [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, via een beeldverbinding, en de gemachtigde van verweerder mr. D. Brandt-Es. Ter zitting is het onderzoek geschorst.
1.4.
In de beslissing tot schorsing van 16 april 2024 en in een brief van 27 november 2024 heeft de rechtbank nadere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft de vragen beantwoord bij brieven van respectievelijk 25 juni 2024 en 3 december 2024.
1.5.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op een zitting op 5 december 2024. Hieraan hebben eiseres en bovengenoemde gemachtigden van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
Feiten
2.1.
Eiseres heeft van 1988 tot 2005 in Nederland gewoond en als werknemer gewerkt. Eiseres woont sinds 2007 in Noorwegen.
2.2
In Noorwegen was zij laatstelijk als directeur werkzaam in een bedrijf waarin zij 55% van de aandelen had. De verdiensten daaruit vloeiden terug in dat bedrijf.
2.3.
Eiseres heeft op 23 april 2017 een ongeval gehad, waarna zij tot en met 31 oktober 2021 een Noorse revalidatieuitkering heeft ontvangen. Per 1 november 2021 heeft het Noorse orgaan NAV eiseres voor 50% arbeidsongeschikt geacht en haar een invaliditeitsuitkering toegekend. Eiseres heeft bij verweerder een aanvullende Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd.
2.4.
Verweerder heeft de aanvraag in eerste instantie beoordeeld aan de hand van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Met het primaire besluit van 4 november 2022 heeft verweerder beslist dat eiseres geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat de arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden na 1 augustus 2004 en een WAZ-uitkering alleen kan worden toegekend als iemand vóór 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden.
2.5.
Met het bestreden besluit van 13 april 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft nu ook beoordeeld of eiseres recht heeft op een pro rata WIA-uitkering. Dat is volgens verweerder niet het geval omdat eiseres niet direct voorafgaand aan haar eerste ziektedag werknemer was in de zin van de Wet WIA.
Standpunten van partijen
3.1.
Verweerder heeft in de onder 1.4 genoemde brieven en op de zitting van 5 december 2024 zijn standpunt herhaald dat geen recht bestaat op grond van de WAZ omdat deze wet sinds 1 augustus 2004 niet meer bestaat. Ter nadere motivering van het standpunt dat noch recht bestaat op een WAZ-, noch op een WIA-uitkering heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 27 november 2015 en naar het arrest Drake versus de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van het Hof van Justitie van de EU. De Verordening is een coördinatie-instrument. Elke lidstaat, dus ook Nederland, mag zijn eigen regels en voorwaarden hanteren ten aanzien van sociale zekerheid. Verweerder handhaaft het standpunt dat eiseres voorafgaand aan haar eerste ziektedag werkzaam was als zelfstandige en dat zij niet als werknemer verzekerd was voor het risico van arbeidsongeschiktheid. De WIA is immers een risico-stelsel. Als eiseres in Nederland was blijven wonen, zou zij evenmin voor een WIA-uitkering in aanmerking zijn gekomen, aldus verweerder.
3.2.
Eiseres is van mening dat zij wel recht heeft op een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering uit Nederland omdat zij in het verleden als werknemer in Nederland heeft gewerkt. Het gaat haar daarbij niet om de WAZ, maar om de WIA. De NAV heeft daartoe ook informatie opgevraagd bij verweerder. Eiseres begrijpt niet waarom verweerder haar niet verzekerd heeft geacht; de weigering van een uitkering leidt tot discriminatie en is in strijd met Europese regels, aldus eiseres. Zij kent in Noorwegen bovendien mensen die wel een aanvullende WIA-uitkering ontvangen.
Beoordeling
4.1.
Eiseres heeft in Nederland, Duitsland en Noorwegen gewerkt. Daarmee is sprake van een situatie die moet worden beoordeeld aan de hand van Europese regelgeving als neergelegd in het VWEU en de EG-Verordening 883/2004 (hierna: de Verordening), die ook in EER-land Noorwegen van toepassing is.
Geen harmonisatie maar coördinatie
4.2.
Zoals het Hof van Justitie van de EU meermaals heeft overwogen leidt de op artikel 48 van het VWEU gebaseerde Verordening niet tot harmonisatie maar (slechts) tot coördinatie van de wetgeving van de lidstaten. Zij laat de afzonderlijke nationale stelsels voortbestaan. De lidstaten blijven dan ook bevoegd om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten en het staat elke lidstaat vrij om met name de voorwaarden vast te stellen waaronder recht bestaat op uitkeringen.
4.3.
Het Hof heeft in dit verband ook herhaaldelijk beklemtoond dat die verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten kunnen betekenen dat het voor een werknemer meer of minder voordelig kan uitpakken als hij in een andere lidstaat gaat werken. Dat ligt niet wezenlijk anders als het gaat om een zelfstandige. De rechtbank gaat daarop hierna nog nader in naar aanleiding van de stellingname van verweerder.
Bevoegdheidsverdeling tussen lidstaten
4.4.
De coördinatie van wettelijke socialezekerheidsstelsels heeft niet alleen gevolgen voor (aanspraken van) werknemers en andere personen die onder de personele werkingssfeer van de Verordening vallen, maar ook voor de bevoegdheidsverdeling tussen lidstaten onderling.
4.5.
Onder verwijzing naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van 27 november 2015 voegt de rechtbank daar nog aan toe dat een lidstaat zoals Nederland in beginsel ook vrijstaat om af te zien van de inrichting van een nationaal stelsel van sociale zekerheid op bijvoorbeeld het gebied van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.
4.6
Dat is echter een andere vraag dan die welke hier feitelijk voorligt naar mogelijke pro rata aanspraken binnen een bestaand nationaal stelsel zoals de WIA. De rechtbank benadrukt daarbij dat eiseres haar claim onder de WAZ juist heeft laten vallen, maar die onder de WIA juist heeft doorgezet. De situatie van eiseres is dan ook niet vergelijkbaar met die van de betrokkene in de uitspraak van 27 november 2015.
Bevoegdheidsinkadering
4.7.
Een belangrijk principe waar het bevoegde orgaan in de betreffende lidstaat bij de unierechtelijke beoordeling van een aanspraak op een socialezekerheidsuitkering van moet uitgaan is het samentellen van tijdvakken van verzekering of van wonen die in een andere lidstaat zijn vervuld. Het gaat dus bij die unierechtelijke beoordeling niet om het zelf vaststellen daarvan. Dat blijkt ook uit het opschrift en de tekst van het in deze zaak relevante artikel 51 van de Verordening, dat bijzondere bepalingen bevat over het samentellen van dergelijke tijdvakken waar het gaat om het verkrijgen, behoud of herstel van het recht op uitkering.
4.8.
Daarbij past niet dat een andere lidstaat naar eigen nationale maatstaven een beoordeling of kwalificatie van die in het buitenland vervulde tijdvakken geeft zoals verweerder doet met betrekking tot de werkzaamheden van eiseres in Noorwegen.
4.9.
Verweerder heeft daarbij verwezen naar het arrest Drake, een arrest van (meer dan) dertig jaar geleden. Daarin speelde een bijzondere regeling uit Bijlage VI van de toenmalige Verordening 1408/71 een rol. Die verordening en die bijzondere regeling zijn inmiddels echter komen te vervallen en vervangen door Verordening 883/2004. Deze verwijzing kan verweerder alleen al daarom niet baten.
4.10.
De door verweerder voorgestane wijze van beoordeling achteraf door Nederland van de feitelijke situatie van eiseres in Noorwegen waardoor in Noorwegen als verzekerd aangemerkte tijdvakken naar Nederlandse maatstaven (alsnog) niet verzekerd gelden, zou ook een aantasting vormen van de unierechtelijke rechtszekerheid waarop eiseres aanspraak kan maken.
4.11.
Waar het betreft de werkzaamheden van eiseres in Noorwegen is daarom uitsluitend het oordeel van het Noorse orgaan naar Noors recht beslissend, en niet dat van verweerder naar Nederlands recht. De rechtbank gaat dan ook uit van een verzekering van eiseres naar Noors recht.
Vaststelling Noorse orgaan
5.1.
In het Noorse stelsel ten aanzien van onder meer arbeidsongeschiktheid/invaliditeit wordt (naar ook niet in geschil is) geen onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen. Er lijkt sprake van een volksverzekering. Dat verplicht Nederland niet om een soortgelijk stelsel in te richten, ook al had Nederland in het verleden met de AAW (ook) een volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Het verplicht verweerder ook niet om net te doen alsof een dergelijk stelsel hier nog steeds bestaat, maar staan blijft dat verweerder waar het betreft de feitelijk vervulde Noorse tijdvakken de keuze van de Noorse wetgever voor een dergelijk stelsel wel dient te respecteren.
5.2.
Het Noorse orgaan, de NAV, heeft in het E204-formulier vermeld dat eiseres op de eerste ziektedag, 21 april 2017, in Noorwegen verzekerd was als werknemer of zelfstandige voor het risico van invaliditeit. Aan die vaststelling is verweerder gebonden.
Opbouwstelsel versus risicostelsel
6.1.
Naar niet in geschil is, is het Noorse stelsel niet een risicostelsel maar een opbouwstelsel.
6.2.
Verweerder stelt dat de WIA (echter) niet een opbouw-, maar een risicostelsel is, ook al is de WIA niet als zodanig aangemeld in de EU. Omdat eiseres op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid naar nationaalrechtelijke maatstaven niet verzekerd was, kan zij aan de WIA geen aanspraak op een uitkering ontlenen.
6.3.
De rechtbank kan en zal in dit geding in het midden laten of de WIA in de hier aan de orde zijnde unierechtelijke context heeft te gelden als een opbouw- of risicostelsel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.4.
Zoals is neergelegd in artikel 51 van de Verordening is een risicostelsel een regeling van een lidstaat die het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis. Bij een opbouwstelsel staat centraal de vraag of betrokkene in het verleden verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd.
6.5.
Artikel 51, derde lid, van de Verordening luidt (voor zover hier van belang) als volgt:
Indien de wetgeving of een bijzondere regeling van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het rechtop uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld indien de betrokkene voorheen op grond van de wetgeving of de bijzondere regeling van deze lidstaat verzekerd is geweest en, op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, voor hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat verzekerd is of, bij gebreke daarvan, indien voor hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat een uitkering is verschuldigd.
6.6.
Er zijn dus twee situaties die op grond van deze bepaling kunnen leiden tot een unierechtelijke aanspraak op (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Conclusie
7.2.
Eiseres dient in het gelijk te worden gesteld. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien en het geschil definitief te beslissen, nu verweerder de aanvraag en het bezwaar van eiseres op een formele voorvraag heeft afgewezen. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal verweerder zo spoedig mogelijk contact dienen op te nemen met de NAV.
7.3.
Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Lammertink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
ECLI:NL:CRVB:2015:4231, uitspraak op het hoger beroep van uitspraak Rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5410
Arrest van 20 september 1994, zaak C-12/93, hierna het arrest Drake
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
Zie onder meer de arresten van 21 maart 2018, zaak C-551/16, ECLI:EU:C:2018:200, en van 14 maart 2019, zaak C-134/18, ECLI:EU:C:2019:212
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2488
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Follebu (Noorwegen), eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigden: mr. D. Brandt-van Es en [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, via een beeldverbinding, en de gemachtigde van verweerder mr. D. Brandt-Es. Ter zitting is het onderzoek geschorst.
1.4.
In de beslissing tot schorsing van 16 april 2024 en in een brief van 27 november 2024 heeft de rechtbank nadere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft de vragen beantwoord bij brieven van respectievelijk 25 juni 2024 en 3 december 2024.
1.5.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op een zitting op 5 december 2024. Hieraan hebben eiseres en bovengenoemde gemachtigden van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
Feiten
2.1.
Eiseres heeft van 1988 tot 2005 in Nederland gewoond en als werknemer gewerkt. Eiseres woont sinds 2007 in Noorwegen.
2.2
In Noorwegen was zij laatstelijk als directeur werkzaam in een bedrijf waarin zij 55% van de aandelen had. De verdiensten daaruit vloeiden terug in dat bedrijf.
2.3.
Eiseres heeft op 23 april 2017 een ongeval gehad, waarna zij tot en met 31 oktober 2021 een Noorse revalidatieuitkering heeft ontvangen. Per 1 november 2021 heeft het Noorse orgaan NAV eiseres voor 50% arbeidsongeschikt geacht en haar een invaliditeitsuitkering toegekend. Eiseres heeft bij verweerder een aanvullende Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd.
2.4.
Verweerder heeft de aanvraag in eerste instantie beoordeeld aan de hand van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Met het primaire besluit van 4 november 2022 heeft verweerder beslist dat eiseres geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat de arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden na 1 augustus 2004 en een WAZ-uitkering alleen kan worden toegekend als iemand vóór 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden.
2.5.
Met het bestreden besluit van 13 april 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft nu ook beoordeeld of eiseres recht heeft op een pro rata WIA-uitkering. Dat is volgens verweerder niet het geval omdat eiseres niet direct voorafgaand aan haar eerste ziektedag werknemer was in de zin van de Wet WIA.
Standpunten van partijen
3.1.
Verweerder heeft in de onder 1.4 genoemde brieven en op de zitting van 5 december 2024 zijn standpunt herhaald dat geen recht bestaat op grond van de WAZ omdat deze wet sinds 1 augustus 2004 niet meer bestaat. Ter nadere motivering van het standpunt dat noch recht bestaat op een WAZ-, noch op een WIA-uitkering heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 27 november 2015 en naar het arrest Drake versus de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van het Hof van Justitie van de EU. De Verordening is een coördinatie-instrument. Elke lidstaat, dus ook Nederland, mag zijn eigen regels en voorwaarden hanteren ten aanzien van sociale zekerheid. Verweerder handhaaft het standpunt dat eiseres voorafgaand aan haar eerste ziektedag werkzaam was als zelfstandige en dat zij niet als werknemer verzekerd was voor het risico van arbeidsongeschiktheid. De WIA is immers een risico-stelsel. Als eiseres in Nederland was blijven wonen, zou zij evenmin voor een WIA-uitkering in aanmerking zijn gekomen, aldus verweerder.
3.2.
Eiseres is van mening dat zij wel recht heeft op een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering uit Nederland omdat zij in het verleden als werknemer in Nederland heeft gewerkt. Het gaat haar daarbij niet om de WAZ, maar om de WIA. De NAV heeft daartoe ook informatie opgevraagd bij verweerder. Eiseres begrijpt niet waarom verweerder haar niet verzekerd heeft geacht; de weigering van een uitkering leidt tot discriminatie en is in strijd met Europese regels, aldus eiseres. Zij kent in Noorwegen bovendien mensen die wel een aanvullende WIA-uitkering ontvangen.
Beoordeling
4.1.
Eiseres heeft in Nederland, Duitsland en Noorwegen gewerkt. Daarmee is sprake van een situatie die moet worden beoordeeld aan de hand van Europese regelgeving als neergelegd in het VWEU en de EG-Verordening 883/2004 (hierna: de Verordening), die ook in EER-land Noorwegen van toepassing is.
Geen harmonisatie maar coördinatie
4.2.
Zoals het Hof van Justitie van de EU meermaals heeft overwogen leidt de op artikel 48 van het VWEU gebaseerde Verordening niet tot harmonisatie maar (slechts) tot coördinatie van de wetgeving van de lidstaten. Zij laat de afzonderlijke nationale stelsels voortbestaan. De lidstaten blijven dan ook bevoegd om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten en het staat elke lidstaat vrij om met name de voorwaarden vast te stellen waaronder recht bestaat op uitkeringen.
4.3.
Het Hof heeft in dit verband ook herhaaldelijk beklemtoond dat die verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten kunnen betekenen dat het voor een werknemer meer of minder voordelig kan uitpakken als hij in een andere lidstaat gaat werken. Dat ligt niet wezenlijk anders als het gaat om een zelfstandige. De rechtbank gaat daarop hierna nog nader in naar aanleiding van de stellingname van verweerder.
Bevoegdheidsverdeling tussen lidstaten
4.4.
De coördinatie van wettelijke socialezekerheidsstelsels heeft niet alleen gevolgen voor (aanspraken van) werknemers en andere personen die onder de personele werkingssfeer van de Verordening vallen, maar ook voor de bevoegdheidsverdeling tussen lidstaten onderling.
4.5.
Onder verwijzing naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van 27 november 2015 voegt de rechtbank daar nog aan toe dat een lidstaat zoals Nederland in beginsel ook vrijstaat om af te zien van de inrichting van een nationaal stelsel van sociale zekerheid op bijvoorbeeld het gebied van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.
4.6
Dat is echter een andere vraag dan die welke hier feitelijk voorligt naar mogelijke pro rata aanspraken binnen een bestaand nationaal stelsel zoals de WIA. De rechtbank benadrukt daarbij dat eiseres haar claim onder de WAZ juist heeft laten vallen, maar die onder de WIA juist heeft doorgezet. De situatie van eiseres is dan ook niet vergelijkbaar met die van de betrokkene in de uitspraak van 27 november 2015.
Bevoegdheidsinkadering
4.7.
Een belangrijk principe waar het bevoegde orgaan in de betreffende lidstaat bij de unierechtelijke beoordeling van een aanspraak op een socialezekerheidsuitkering van moet uitgaan is het samentellen van tijdvakken van verzekering of van wonen die in een andere lidstaat zijn vervuld. Het gaat dus bij die unierechtelijke beoordeling niet om het zelf vaststellen daarvan. Dat blijkt ook uit het opschrift en de tekst van het in deze zaak relevante artikel 51 van de Verordening, dat bijzondere bepalingen bevat over het samentellen van dergelijke tijdvakken waar het gaat om het verkrijgen, behoud of herstel van het recht op uitkering.
4.8.
Daarbij past niet dat een andere lidstaat naar eigen nationale maatstaven een beoordeling of kwalificatie van die in het buitenland vervulde tijdvakken geeft zoals verweerder doet met betrekking tot de werkzaamheden van eiseres in Noorwegen.
4.9.
Verweerder heeft daarbij verwezen naar het arrest Drake, een arrest van (meer dan) dertig jaar geleden. Daarin speelde een bijzondere regeling uit Bijlage VI van de toenmalige Verordening 1408/71 een rol. Die verordening en die bijzondere regeling zijn inmiddels echter komen te vervallen en vervangen door Verordening 883/2004. Deze verwijzing kan verweerder alleen al daarom niet baten.
4.10.
De door verweerder voorgestane wijze van beoordeling achteraf door Nederland van de feitelijke situatie van eiseres in Noorwegen waardoor in Noorwegen als verzekerd aangemerkte tijdvakken naar Nederlandse maatstaven (alsnog) niet verzekerd gelden, zou ook een aantasting vormen van de unierechtelijke rechtszekerheid waarop eiseres aanspraak kan maken.
4.11.
Waar het betreft de werkzaamheden van eiseres in Noorwegen is daarom uitsluitend het oordeel van het Noorse orgaan naar Noors recht beslissend, en niet dat van verweerder naar Nederlands recht. De rechtbank gaat dan ook uit van een verzekering van eiseres naar Noors recht.
Vaststelling Noorse orgaan
5.1.
In het Noorse stelsel ten aanzien van onder meer arbeidsongeschiktheid/invaliditeit wordt (naar ook niet in geschil is) geen onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen. Er lijkt sprake van een volksverzekering. Dat verplicht Nederland niet om een soortgelijk stelsel in te richten, ook al had Nederland in het verleden met de AAW (ook) een volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Het verplicht verweerder ook niet om net te doen alsof een dergelijk stelsel hier nog steeds bestaat, maar staan blijft dat verweerder waar het betreft de feitelijk vervulde Noorse tijdvakken de keuze van de Noorse wetgever voor een dergelijk stelsel wel dient te respecteren.
5.2.
Het Noorse orgaan, de NAV, heeft in het E204-formulier vermeld dat eiseres op de eerste ziektedag, 21 april 2017, in Noorwegen verzekerd was als werknemer of zelfstandige voor het risico van invaliditeit. Aan die vaststelling is verweerder gebonden.
Opbouwstelsel versus risicostelsel
6.1.
Naar niet in geschil is, is het Noorse stelsel niet een risicostelsel maar een opbouwstelsel.
6.2.
Verweerder stelt dat de WIA (echter) niet een opbouw-, maar een risicostelsel is, ook al is de WIA niet als zodanig aangemeld in de EU. Omdat eiseres op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid naar nationaalrechtelijke maatstaven niet verzekerd was, kan zij aan de WIA geen aanspraak op een uitkering ontlenen.
6.3.
De rechtbank kan en zal in dit geding in het midden laten of de WIA in de hier aan de orde zijnde unierechtelijke context heeft te gelden als een opbouw- of risicostelsel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.4.
Zoals is neergelegd in artikel 51 van de Verordening is een risicostelsel een regeling van een lidstaat die het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis. Bij een opbouwstelsel staat centraal de vraag of betrokkene in het verleden verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd.
6.5.
Artikel 51, derde lid, van de Verordening luidt (voor zover hier van belang) als volgt:
Indien de wetgeving of een bijzondere regeling van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het rechtop uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld indien de betrokkene voorheen op grond van de wetgeving of de bijzondere regeling van deze lidstaat verzekerd is geweest en, op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, voor hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat verzekerd is of, bij gebreke daarvan, indien voor hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat een uitkering is verschuldigd.
6.6.
Er zijn dus twee situaties die op grond van deze bepaling kunnen leiden tot een unierechtelijke aanspraak op (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Conclusie
7.2.
Eiseres dient in het gelijk te worden gesteld. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien en het geschil definitief te beslissen, nu verweerder de aanvraag en het bezwaar van eiseres op een formele voorvraag heeft afgewezen. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal verweerder zo spoedig mogelijk contact dienen op te nemen met de NAV.
7.3.
Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Lammertink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
ECLI:NL:CRVB:2015:4231, uitspraak op het hoger beroep van uitspraak Rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5410
Arrest van 20 september 1994, zaak C-12/93, hierna het arrest Drake
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
Zie onder meer de arresten van 21 maart 2018, zaak C-551/16, ECLI:EU:C:2018:200, en van 14 maart 2019, zaak C-134/18, ECLI:EU:C:2019:212