Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:7874
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,114 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/158851-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 81/158851-22, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna: veroordeelde.
1Onderzoek op de zitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie, mr. M. Blotwijk, veroordeelde en zijn raadsman, mr. R.G.J. Laan, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting 25 september 2025.
2Ontnemingsvordering
De vordering van de officier van justitie van 24 juni 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr is geschat en de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De officier van justitie heeft ter zitting de geschatte vordering van € 134.533,05 vastgesteld op € 161.933,54.
3Grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor diegene is veroordeeld of van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing verwijst, op dat die is gegrond op het feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2025 onder meer veroordeeld voor overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
4Wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat uit van het scenario dat veroordeelde geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. Indien er geen mest in de covergister wordt toegevoegd, mogen er volgens het verhoudingsvoorschrift uit de vergunning ook geen cosubstraten aan de covergister worden toegevoegd. Daarmee behoren alle opbrengsten van de inname van cosubstraten in die jaren tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie vindt daarom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 161.933,54, zoals volgt uit de berekening van het rapport van 13 augustus 2025.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat veroordeelde in strijd heeft gehandeld met de vergunningsvoorschriften en dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd. Er is daarom geen onrechtmatig gebruik van de covergister geweest, zodat de vordering ontneming moet worden afgewezen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit 1 voordeel verkregen dat de rechtbank vast stelt op € 134.533,05. De rechtbank ontleent deze vaststelling aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van het vonnis van 9 oktober 2025 in de onderliggende strafzaak zijn vervat en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 februari 2025.
In het dossier zijn twee rapporten aanwezig waarin op verschillende wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Dit is opgesplitst in scenario A en scenario B. Bij scenario A is het uitgangspunt dat veroordeelde in zijn geheel geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. In scenario B wordt ervan uitgegaan dat veroordeelde de maximaal berekende hoeveelheid aanwezig mest heeft vergist. De rechtbank gaat daarbij in het voordeel van veroordeelde uit van scenario B, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat veroordeelde op alle momenten in de bewezenverklaarde periode geen enkele mest aan de covergister heeft toegevoegd.
In het rapport van 25 februari 2025 is het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van scenario B als volgt berekend.
“Onderzoek van de jaarrekeningen en auditbestanden in proces-verbaal ALG.22.01 heeft uitgewezen dat de inkoop van de co-substraten [veroordeelde] per saldo geld oplevert in plaats van dat de inkoop [veroordeelde] geld kost.
Ter bepaling van het WVV van [veroordeelde] is berekend:
1. de hoeveelheid te veel ingenomen co-substraat;
2. de gemiddelde opbrengst per ton co-substraat;
3. totale opbrengst van het teveel ingenomen co-substraat.
1Te veel ingenomen co-substraten
De hoeveelheid te veel ingenomen co-substraten is berekend uit het verschil tussen:
a. a) de ingenomen hoeveelheid co-substraten; en
b) de toegestane hoeveelheid co-substraten.
a. a) Ingenomen hoeveelheid co-substraten
Uit onderzoek beschreven in proces-verbaal bevindingen FIN.11.01 (dossierpagina 217-218) is gebleken dat de hoeveelheden ingenomen co-substraten per jaar minimaal als volgt zijn geweest:
2018 inname 24.947,738 ton;
2019 inname 20.686,708 ton;
2020 (tot en met november) inname 13. 718,430 ton.
De berekende innamehoeveelheid betreft, ten gunste van [veroordeelde] , een minimumpositie aangezien alleen met de vier grootste leveranciers van co-substraten rekening is gehouden.
b) Toegestane hoeveelheid co-substraten
Conform de vergunningsvoorwaarden van [veroordeelde] was het niet toegestaan om meer co-substraten in de vergister te verwerken dan mest, het minimale aandeel mest moest 50% zijn (Verhoudingsvoorschrift 6.5.6 uit de vergunning (conform BIJL:01, dossierpagina 516). Concreet betekent dit dat er niet meer co-substraat in de vergister mag worden gedaan dan er mest is toegevoegd.
De maximale hoeveelheid beschikbare mest was, zoals berekend door de NVWA:
- 2018 maximaal 3.102,00 ton;
- 2019 maximaal 2.926,39 ton;
- 2020 maximaal 3.502,43 ton;
(conform achtereenvolgens: ALG.11.01, dossierpag. 292, ALG.12.01, pag. 303 en ALG.13.01, pag. 309).
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1.080 (duizendtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. J.M van Hall en M. Smayel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2025.
Hoge Raad 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/158851-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 81/158851-22, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna: veroordeelde.
1Onderzoek op de zitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie, mr. M. Blotwijk, veroordeelde en zijn raadsman, mr. R.G.J. Laan, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting 25 september 2025.
2Ontnemingsvordering
De vordering van de officier van justitie van 24 juni 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr is geschat en de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De officier van justitie heeft ter zitting de geschatte vordering van € 134.533,05 vastgesteld op € 161.933,54.
3Grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor diegene is veroordeeld of van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing verwijst, op dat die is gegrond op het feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2025 onder meer veroordeeld voor overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
4Wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat uit van het scenario dat veroordeelde geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. Indien er geen mest in de covergister wordt toegevoegd, mogen er volgens het verhoudingsvoorschrift uit de vergunning ook geen cosubstraten aan de covergister worden toegevoegd. Daarmee behoren alle opbrengsten van de inname van cosubstraten in die jaren tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie vindt daarom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 161.933,54, zoals volgt uit de berekening van het rapport van 13 augustus 2025.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat veroordeelde in strijd heeft gehandeld met de vergunningsvoorschriften en dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd. Er is daarom geen onrechtmatig gebruik van de covergister geweest, zodat de vordering ontneming moet worden afgewezen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit 1 voordeel verkregen dat de rechtbank vast stelt op € 134.533,05. De rechtbank ontleent deze vaststelling aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van het vonnis van 9 oktober 2025 in de onderliggende strafzaak zijn vervat en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 februari 2025.
In het dossier zijn twee rapporten aanwezig waarin op verschillende wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Dit is opgesplitst in scenario A en scenario B. Bij scenario A is het uitgangspunt dat veroordeelde in zijn geheel geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. In scenario B wordt ervan uitgegaan dat veroordeelde de maximaal berekende hoeveelheid aanwezig mest heeft vergist. De rechtbank gaat daarbij in het voordeel van veroordeelde uit van scenario B, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat veroordeelde op alle momenten in de bewezenverklaarde periode geen enkele mest aan de covergister heeft toegevoegd.
In het rapport van 25 februari 2025 is het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van scenario B als volgt berekend.
“Onderzoek van de jaarrekeningen en auditbestanden in proces-verbaal ALG.22.01 heeft uitgewezen dat de inkoop van de co-substraten [veroordeelde] per saldo geld oplevert in plaats van dat de inkoop [veroordeelde] geld kost.
Ter bepaling van het WVV van [veroordeelde] is berekend:
1. de hoeveelheid te veel ingenomen co-substraat;
2. de gemiddelde opbrengst per ton co-substraat;
3. totale opbrengst van het teveel ingenomen co-substraat.
1Te veel ingenomen co-substraten
De hoeveelheid te veel ingenomen co-substraten is berekend uit het verschil tussen:
a. a) de ingenomen hoeveelheid co-substraten; en
b) de toegestane hoeveelheid co-substraten.
a. a) Ingenomen hoeveelheid co-substraten
Uit onderzoek beschreven in proces-verbaal bevindingen FIN.11.01 (dossierpagina 217-218) is gebleken dat de hoeveelheden ingenomen co-substraten per jaar minimaal als volgt zijn geweest:
2018 inname 24.947,738 ton;
2019 inname 20.686,708 ton;
2020 (tot en met november) inname 13. 718,430 ton.
De berekende innamehoeveelheid betreft, ten gunste van [veroordeelde] , een minimumpositie aangezien alleen met de vier grootste leveranciers van co-substraten rekening is gehouden.
b) Toegestane hoeveelheid co-substraten
Conform de vergunningsvoorwaarden van [veroordeelde] was het niet toegestaan om meer co-substraten in de vergister te verwerken dan mest, het minimale aandeel mest moest 50% zijn (Verhoudingsvoorschrift 6.5.6 uit de vergunning (conform BIJL:01, dossierpagina 516). Concreet betekent dit dat er niet meer co-substraat in de vergister mag worden gedaan dan er mest is toegevoegd.
De maximale hoeveelheid beschikbare mest was, zoals berekend door de NVWA:
- 2018 maximaal 3.102,00 ton;
- 2019 maximaal 2.926,39 ton;
- 2020 maximaal 3.502,43 ton;
(conform achtereenvolgens: ALG.11.01, dossierpag. 292, ALG.12.01, pag. 303 en ALG.13.01, pag. 309).
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1.080 (duizendtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. J.M van Hall en M. Smayel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2025.
Hoge Raad 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.