Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2025:7285
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,887 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 23/4809
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1968, uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van ‘t Hoff),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Metaal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs.
1.1.
Verweerder heeft het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard met het besluit van 6 juni 2023. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de ongeldigverklaring gebleven.
1.2.
Eiser heeft op 10 augustus 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 8 april 2025 het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het rijbewijs van eiser ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op 8 oktober 2022 heeft de politie in Zaanstad aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 gestuurd. Uit het mutatierapport dat hieraan ten grondslag ligt blijkt dat het voertuig van eiser opviel vanwege slingerend rijgedrag van de bestuurder. Dit rijgedrag bleef aanhouden.
5. Op 29 november 2022 heeft verweerder besloten dat eiser een rijvaardigheidsonderzoek moet doen vanwege zijn rijgedrag op 8 oktober 2022 en vanwege een eerder melding in juli 2022. Eiser heeft een rijvaardigheidsonderzoek gedaan. De uitslag van het onderzoek is dat eiser niet voldoende rijvaardig is. Eiser heeft op vijftien onderdelen onvoldoende punten gescoord. In het verslag van de rijtest staan onder andere het volgende: “Meneer [eiser] heeft veel moeite met de bediening/beheersing van de auto. Zijn plaats op de weg is niet goed, slingerend, abrupt met het stuur naar links of rechts. Heeft tijd nodig om te zien wat zijn situatie gaat worden, hierdoor vertraagt hij in zijn snelheid, remt hard of komt vaak weer te hard aan op situaties. Ook het combineren met het navigatiesysteem is lastig voor meneer.”
6. Eiser heeft geen tweede onderzoek aangevraagd.
7. Verweerder heeft in het primaire besluit, op basis van de uitkomsten van het rijvaardigheidsonderzoek, vastgesteld dat eiser niet voldoende rijvaardig is en daarom zijn rijbewijs vanaf 13 juni 2023 ongeldig verklaard. In het bestreden besluit is verweerder bij de ongeldigheidsverklaring gebleven.
8. Eiser is het niet eens met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Hij voert aan dat het rapport van de examinator onvoldoende is onderbouwd en gemotiveerd. In het rapport zijn geen specifieke bevindingen of observaties van de examinator opgenomen. Hierdoor kan eiser zich niet verdedigen tegen het besluit, omdat hij niet weet waarom hij onvoldoende punten heeft gescoord. Ook bevat het rapport niet de gegevens van de examinator. Ter vergelijking heeft eiser een geanonimiseerd rapport overgelegd. Hij stelt dat een rapport er zo uit zou moeten zien.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rapport van de examinator dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit al jaren op deze manier wordt gebruikt. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat personen die een rijtest afleggen geen brief thuis ontvangen met daarin de uitslag of een terugkoppeling. Verweerder meent dat het rapport van de examinator voldoende concludent is.
10. Het is vaste jurisprudentie dat verweerder zich op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht ervan moet vergewissen dat het rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk niet tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is.
11. De rechtbank overweegt allereerst dat het rapport dat door eiser is overgelegd ziet op een andere procedure, namelijk een procedure waarin de medische geschiktheid wordt getoetst. Dit rapport is daarom niet vergelijkbaar met het rapport in deze zaak. De rechtbank zal daarom het door eiser overgelegde rapport verder niet bespreken.
12. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de examinator zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk niet tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Verweerder heeft daarom zijn besluitvorming op dat deskundigenrapport mogen baseren. Uit het rapport blijkt dat eiser op vijftien onderdelen onvoldoende heeft gescoord. Tussen partijen is niet in geschil dat als aan één onderdeel niet is voldaan, verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig moeten verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van de examinator weliswaar summier, maar uit de toelichting valt voldoende op te maken waarom eiser bepaalde onderdelen niet heeft gehaald. Zo blijkt uit de toelichting waarom eiser onvoldoende heeft gescoord op het onderdeel “snelheid” en “plaats op de weg”. Dat eiser zich niet kan verdedigen tegen het besluit, omdat hij niet weet waarom hij onvoldoende punten heeft gescoord volgt de rechtbank dus niet. Conclusie is dan ook dat verweerder op grond van deze bevindingen van de examinator het rijbewijs van eiser ongeldig heeft moeten verklaren. Hoewel eiser geen gelijk krijgt, geeft de rechtbank verweerder nog wel mee om in toekomstige rapporten een wat duidelijkere motivering op te nemen om verwarring te voorkomen.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongeldigheidsverklaring van het rijbewijs van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
8 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2229.
Zie artikel 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en bijlage A bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.