Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:715
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/673
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Istanbul (Turkije), verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Inleiding
1. Op 17 juli 2024 heeft verweerder de uitkering van verzoekster op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 oktober 2024 beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Met het bestreden besluit van 6 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en besloten om de WAO-uitkering van verzoekster te beëindigen per 1 februari 2025. Er is aan verzoekster een nabetaling gedaan van € 5.079,49.
3. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
6.1.
Verzoekster voert hierover aan dat zij, door het wegvallen van de WAO-toeslag, onder het sociaalminimum inkomen van Turkije leeft. Zij heeft onvoldoende middelen om in haar levensonderhoud te voorzien.
6.2.
Op 30 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht het spoedeisend belang nader te onderbouwen en hierbij de nabetaling van € 5.079,49 te betrekken.
6.3.
Op 3 februari 2025 heeft verzoekster toegelicht dat zij in de maanden tussen 1 oktober 2024, de datum van beëindiging van haar WAO-toeslag, en het bestreden besluit, haar vaste lasten niet heeft kunnen betalen. Hierdoor heeft zij schulden opgebouwd. Het bedrag van € 5.079,49 is dan ook gebruikt om deze schulden af te betalen en kon niet worden aangewend voor haar dagelijkse levensonderhoud.
6.4.
De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Uit de stellingen en de stukken blijkt niet van zodanige financiële situatie dat een onomkeerbare situatie dreigt. De voorzieningenrechter begrijp uit hetgeen namens verzoekster is aangevoerd dat zij schulden (meer) heeft. Zij heeft overigens geen onderbouwing gegeven van haar kennelijke standpunt dat desondanks sprake is van een financiële noodsituatie. De omstandigheid dat haar uitkering is stopgezet is daartoe op zichzelf genomen onvoldoende. Verzoekester heeft geen inzicht gegeven in haar financiële situatie. De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat niet is gebleken van een spoedeisend belang.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.