Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:708
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,548 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-373664-24
Datum uitspraak: 4 februari 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 26 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 september 2024 door the Provincial High Court of Alicante, Eleventh Division in Elche, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedag] 1994,
feitelijk verblijfadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Spaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judicial decision of 25 July 2024 agreeing to issue the European warrant, extending the national search and arrest warrant to the request for surrender by the European authorities.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden omdat het EAB niet genoegzaam is.
Een EAB dient volgens artikel 2 OLW gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon en de rechtbank duidelijk is waarvoor de overlevering wordt verzocht. De rechtbank heeft onder andere in haar uitspraak van 16 juni 2022 vermeld dat een EAB genoegzaam is indien duidelijk is of sprake is van een vervolgings- of executie-EAB en indien het onderliggende nationaal aanhoudingsbevel van de opgeëiste persoon in het EAB is vermeld.
In de zaak van de opgeëiste persoon is volstrekt onduidelijk of de overlevering wordt verzocht voor een strafvervolging of ter executie van een opgelegde straf. De informatie in onderdeel b) van het EAB doet vermoeden dat er al een onherroepelijke straf is opgelegd. In onderdeel c) wordt daarbij vermeld dat de gehele straf nog uitgezeten dient te worden en werd bij de voorgeleiding van de opgeëiste persoon uitgegaan van een executie-EAB. Het lijkt hierom om een executie-EAB te gaan, waardoor meer informatie nodig zou zijn met betrekking tot de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Daarnaast wordt in het EAB niet verwezen naar het onderliggende nationaal aanhoudingsbevel. Dit wordt pas op 18 december 2024 – na de uitvaardiging van het EAB – uitgevaardigd door de uitvaardigende justitiële autoriteit naar aanleiding van het verzoek daartoe van het openbaar ministerie. Hiermee is niet voldaan aan de geldende Europese regelgeving.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie, genoegzaam is.
Aangezien voorgeleidingen voornamelijk op basis van het A-formulier gebeuren, is het logisch dat ervan uitgegaan werd dat het een executie-EAB betrof gezien de wijze waarop deze is ingevuld. In onderdeel b onder 1) van het EAB wordt als ‘decision’ een ‘arrest warrant of judicial decision having the same effect’ genoemd en onder b onder 2 bij ‘enforceable judgment’ wordt niets vermeld. Hiermee is afdoende duidelijk dat het gaat om een vervolgings-EAB.
Ten aanzien van het nationaal aanhoudingsbevel verwijst de officier van justitie naar het arrest Bob-Dogi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). In dat arrest wordt naar voren gebracht dat het belang van het, van het EAB te onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel ligt in de mogelijkheid om op nationaal niveau in de procedure te verschijnen zonder Europese uitvraag. Uit het nationaal aanhoudingsbevel van 18 december 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon niet opgeroepen kon worden terwijl hij was geïnformeerd over de verplichting om adreswijzigingen door te geven. Daarbij kan in de informatie gelezen worden dat sprake is van een provisional release, en dus een schorsing. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon wel degelijk de mogelijkheid heeft gehad om aanwezig te zijn bij de procedure zonder dat gebruik wordt gemaakt van een EAB. Ten slotte is het volgens artikel 8, eerste lid en onder c, Kaderbesluit EAB niet vereist dat het nationaal aanhoudingsbevel voorafgaat aan het EAB.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe moet uit het EAB in ieder geval blijken of het gaat om de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf (een zogeheten executie-EAB) waarbij vermeld dient te worden bij welke uitspraak die straf is opgelegd, of dat sprake is van een onderzoek naar strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd (een zogeheten vervolgings-EAB). In dat laatste geval moet onder meer het onderliggende nationale aanhoudingsbevel van de opgeëiste persoon in het EAB vermeld zijn.
3.1.1
Is er sprake van een vervolgings- of een executie-EAB?
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 7 januari 2025 het volgende medegedeeld:
“[…] Mr. [opgeëiste persoon] is required for processing purposes (not execution).”
Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie van 14 januari 2025 dat de maximale vrijheidsstraf voor het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht naar Spaans recht vier jaren is, en dat de officier van justitie een vrijheidsstraf van één jaar en negen maanden heeft geëist.
De rechtbank stelt op basis van onderdeel b) van het EAB en de aanvullende informatie vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering verzoekt vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit dat is omschreven in het EAB. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast sprake is van een vervolgings-EAB
Daarmee rijst de vraag naar de aanwezigheid en het tijdstip van het nationale aanhoudingsbevel.
3.1.2
Is er sprake van een nationaal aanhoudingsbevel voorafgaand aan het EAB?
In het arrest Bob-Dogi heeft het HvJ overwogen dat naast een EAB eveneens een nationaal aanhoudingsbevel dient te zijn uitgevaardigd dat zich onderscheidt van het EAB.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1.2 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering van [opgeëiste persoon] voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) het EAB;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 20 februari 2025);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Spaanse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2022:4887.
HvJ, 1 juni 2016, C-241/15 (EU:C:2016:385), Bob-Dogi.
HvJ EU, 1 juni 2016, C-241/15 (EU:C:2016:385), Bob-Dogi.
Inleiding
Bij gebrek aan een dergelijk voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel dient de uitvoerende justitiële autoriteit geen gevolg te geven aan het EAB, op de grond dat dit niet voldoet aan de vereisten voor een regelmatig afgegeven bevel in artikel 8, lid 1, Kaderbesluit.
De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is of voorafgaand aan het EAB sprake is geweest van een nationaal aanhoudingsbevel op grond van het volgende.
Uit onderdeel b onder 1) van het EAB lijkt naar voren te komen dat sprake is geweest van een nationaal aanhoudingsbevel gelet op de daarin opgenomen bewoordingen “extending the national search and arrest warrant” en dat die beslissing is genomen voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB.
Het openbaar ministerie heeft vanaf 5 december 2024 meerdere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met als doel opheldering te krijgen over het bestaan van een nationaal aanhoudingsbevel dat ten grondslag ligt aan het EAB.
Op 9 december 2024 hebben de Spaanse autoriteiten de volgende reactie gestuurd:
“(…) If you are asking about national Order, I have to say that all European countries have the same European Warning Alert, that I sent previously.
But If you are asking for national, I have consulted to our Judge in Court House and I have no positive answer about that, agreeing about one European Order. (…)”
Bij mailbericht van 27 december 2024 hebben de Spaanse autoriteiten vervolgens laten weten dat “after discussing with the prosecutor’s office, we decided making NATIONAL ORDER signed you will see attached according to MR. [opgeëiste persoon]”, met als bijlage een ondertekend nationaal aanhoudingsbevel dat werd uitgevaardigd op 18 december 2024 door de Alicante Provincial Court, Eleventh Section in Elche.
Gelet op het eerdergenoemde arrest Bob-Dogi van het HvJ EU en de informatie in het dossier, waaronder in onderdeel b onder 1) van het EAB, is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden of sprake is geweest van een nationaal aanhoudingsbevel dat is gegeven voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
In onderdeel b onder 1) van het EAB wordt verwezen naar een “judicial decision of 25 July 2024 […], extending the national search and arrest warrant”. Ziet deze “national search and arrest warrant” op een nationaal aanhoudingsbevel dat toen – mondeling dan wel schriftelijk – is uitgevaardigd?
Zo ja,
a. Op welke datum is dit nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd?
b. Is het nationaal aanhoudingsbevel mondeling of schriftelijk uitgevaardigd?
c. Door welke (rechterlijke) autoriteit is dit nationale aanhoudingsbevel uitgevaardigd?
3. Zo nee, is op enig ander moment voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB sprake geweest van een nationaal aanhoudingsbevel?
4. Zo ja:
a. Op welke datum is dit nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd?
b. Is het nationaal aanhoudingsbevel mondeling of schriftelijk uitgevaardigd?
c. Door welke (rechterlijke) autoriteit is dit nationale aanhoudingsbevel uitgevaardigd?
4Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzetaanranding