Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:701
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,625 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1792
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring, op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (HVV).
1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de dochter van eiser mevrouw [eiser] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser (56 jaar) heeft op 20 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring vanwege medische problemen. Eiser woont met zijn partner en vier kinderen in een driekamerappartement op de eerste etage, zonder een lift. Eiser heeft in 2016 een herseninfarct opgelopen en heeft ook hernia in zijn been. Hierdoor heeft eiser problemen met het traplopen en is er sprake van valgevaar. Eiser hoopt met de urgentieverklaring te kunnen verhuizen naar een passende woning waar hij geen trappen hoeft te lopen.
2.1. Verweerder heeft de urgentieverklaring geweigerd op grond van meerdere algemene weigeringsgronden, waaronder dat eiser wordt geacht het woonprobleem op eigen kracht op te kunnen lossen. Eiser is namelijk sinds 1998 ingeschreven bij Woningnet en beschikt over 28 wachtpunten en 7 zoekpunten waardoor via Woningnet het vinden van een woning mogelijk moet zijn. Een medische beoordeling van de aanvraag heeft verweerder daarom achterwege gelaten. Tot slot heeft verweerder in de situatie van eiser geen aanleiding gezien voor een toepassing van de hardheidsclausule.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1. De artikelen 2.10.5, 2.10.8 en 2.10.11 van de HVV en de Nadere regels zijn in deze procedure van toepassing. Deze staan, voor zover hier relevant, opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Mocht verweerder de algemene weigeringsgronden aan eiser tegenwerpen?
5. Eiser voert aan dat de algemene weigeringsgronden die ten grondslag zijn gelegd aan de weigering van de urgentieverklaring niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. De aanvraag is gebaseerd op medische problematiek. Het lag daarom op de weg van verweerder om de GGD-arts in te schakelen voor het doen van medisch onderzoek naar de situatie van eiser. Eiser is het er niet mee eens dat hij het woonprobleem op eigen kracht kan oplossen omdat hij voldoende wachtpunten en zoekpunten heeft op Woningnet. Hij is al een aantal jaren op zoek naar een passende woning maar het lukt hem, ondanks de verhuisindicatie op grond van de WMO die hij sinds 2021 heeft en zijn wachtpunten, niet om te verhuizen.
5.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt voorop begrip te hebben voor de situatie van eiser. Vanwege het kleine aantal beschikbare sociale huurwoningen in Amsterdam en het grote aantal aanvragen urgentieverklaringen, is het beleid in de gemeente Amsterdam voor het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden zeer strikt. Het beleid is gericht op gezinnen met kinderen die door overmacht dakloos zijn of dreigen te worden en op personen met ernstige medische problemen, gerelateerd aan de woonsituatie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is dit restrictieve beleid niet onredelijk. Verweerder heeft bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beleidsruimte. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de besluitvorming van verweerder terughoudend moet toetsen.
5.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen en dat er dus sprake is van een algemene weigeringsgrond. In de Nadere regels is namelijk bepaald dat hiervan sprake is als de aanvrager een huishouden heeft van 4 personen of meer en 15 wachtpunten of meer heeft; zoals ook het geval is bij eiser. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de algemene weigeringsgronden in de HVV heeft verweerder de aanvraag op grond hiervan kunnen afwijzen. Op de zitting gaf verweerder aan dat eiser mogelijk niet helemaal goed zoekt en reageert op Woningnet en dat eiser de hulp van het buurtteam kan gebruiken bij het zoeken. Indien het dan nog steeds niet lukt om een passende woning te vinden, kan het buurtteam contact opnemen met de gemachtigde van verweerder voor verdere hulp bij het vinden van een passende woning.
5.5. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder, anders dan eiser stelt, geen advies hoefde te vragen aan de GGD nu zich in dit geval een algemene weigeringsgrond voordoet. Eiser kan namelijk door de toepassing van de voornoemde algemene weigeringsgrond geen aanspraak maken op een urgentieverklaring op medische gronden.
5.6. Ten aanzien van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid, onder b en onder d, van de HVV overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat deze weigeringsgronden zijn tegengeworpen omdat eiser ook schimmelvorming in de woning als reden voor de aanvraag had opgegeven. Eiser heeft in bezwaar expliciet aangegeven dat de schimmelvorming in de woning een bijkomstig probleem is en niet ten grondslag ligt aan de aanvraag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze twee weigeringsgronden niet aan eiser mocht tegenwerpen. Nu de twee weigeringsgronden b en d ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal dit gebrek passeren omdat verweerder desgevraagd op zitting heeft bevestigd deze niet meer tegen te werpen aan eiser en eiser niet is benadeeld nu verweerder de urgentieverklaring mocht afwijzen op de weigeringsgrond dat eiser het woonprobleem op eigen kan kracht kan oplossen en één weigeringsgrond voldoende is voor een afwijzing.
Hardheidsclausule
6. Eiser voert aan dat verweerder niet tot het standpunt had kunnen komen dat er geen redenen zijn voor toepassing van de hardheidsclausule zonder nader (medisch) onderzoek. Verweerder heeft nagelaten de persoonlijke omstandigheden van eiser zorgvuldig te onderzoeken, terwijl verweerder hiertoe gehouden is. Het lag op de weg van verweerder om, al dan niet in het kader van de hardheidsclausule, onderzoek uit te voeren naar de situatie van eiser en zijn medische problematiek en een GGD advies daarover te vragen.
6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder maakt vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de (jaren)lange wachttijden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen, terughoudend gebruik van de hardheidsclausule. Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de rechtbank dit niet onredelijk. De hardheidsclausule kan worden toegepast indien weigering van een urgentieverklaring tot een schrijnende situatie leidt. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
6.2. De stelling van eiser dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende heeft onderzocht treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Verweerder bestrijdt namelijk niet dat eiser te kampen heeft met medische problemen waardoor hij beperkt is bij het traplopen, maar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een acuut en levensbedreigende medische problematiek die het verlenen van een urgentieverklaring zou rechtvaardigen. Eiser heeft ook niet gesteld dat zijn situatie levensbedreigend is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom mogen oordelen dat er in dit geval geen aanleiding was om de GGD om advies te vragen. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank waaruit zou blijken dat verweerder gehouden is om de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager zorgvuldig te onderzoeken. De rechtbank overweegt dat de vergelijking met die zaak eiser niet kan baten omdat het daar om andere feiten en omstandigheden ging die niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.7. moet verweerder wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: relevant wettelijk kader
Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (versie 16 januari 2023)
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;
[…]
Artikel 2.10.8 Overige regionale urgentiecategorieën
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
[…]
b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde urgentiecategorie;
[…].
Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule
1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (versie 16 januari 2023)
Hoofdstuk 1 Urgenties
II. Nadere regels urgenties
3Algemene weigeringsgronden (HVV artikel 2.10.5)
De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de volgende voorwaarden en criteria:
[…]
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van meerdere van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
1. de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;
[…]
Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen;
Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:
[…]
7.een huishouden van 4 personen of meer heeft en 15 wachtpunten of meer.
[…]
In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c.
Ad d) Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
Met ‘voorliggende voorzieningen’ worden onder meer bedoeld:
[…]
2.het ondernemen van eigen juridische stappen, bijvoorbeeld het starten van een civiele procedure tegen de verhuurder of de buren van de aanvrager; of
[…]
24Hardheidsclausule (artikel 2.10.11)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is . De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de HVV (versie van 16 januari 2023) en Hoofdstuk 1 'urgenties', paragraaf II, onder 3 en 24 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (versie van 16 januari 2023).
Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, c en d, van de HVV.
Zie artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de HVV.
Zie Hoofdstuk 1, paragraaf II, onder 3, sub c, punt 7, van de Nadere regels HVV.
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (versie van 16 januari 2023).
Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de HVV en Nadere regels, Hoofdstuk 1, paragraaf II, onder 3, sub c, punt 7.
Wet maatschappelijke opvang.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628.
Zie artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de HVV.
Nadere regels, Hoofdstuk 1, paragraaf II, onder 3, sub c, punt 7.
Als bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de HVV.
Op grond van artikel 6:22 van de Awb.
ECLI:NL:RBAMS:2022:3504, r.o. 6.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815.
Hoofdstuk 1, paragraaf II, onder 24 van de Nadere regels HVV.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4614.