Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:683
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,260 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4983
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Weesp, eiseres
(gemachtigde: mr. drs. P.N.M. Commandeur),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting (de verhuisvergoeding) op grond van de Wmo.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de zoon van eiseres [naam 1] en de kleinzoon van eiseres [naam 2] . Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is 87 jaar oud en woont samen met haar zoon en zijn gezin in een woning op de derde etage en zonder lift. Eiseres is in het kader van nareis uit Afghanistan naar Nederland overgekomen. Eiseres had op het moment dat zij in Nederland aankwam geen eigen woning en is bij haar zoon gaan wonen. Eiseres heeft de verhuisvergoeding aangevraagd omdat zij niet kan traplopen.
2.1.
Argonaut Advies B.V. (Argonaut) heeft over de aanvraag op 22 januari 2024 in eerste instantie een positief advies aan verweerder uitgebracht voor de verhuisvergoeding, zodat eiseres naar een woning kan verhuizen waar zij geen trap hoeft te lopen. Argonaut heeft dit advies later gewijzigd in een negatief advies nadat de arts bekend werd met het feit dat eiseres al bekend was met haar klachten en de beperkingen bij het traplopen toen zij naar de woning verhuisde en dat het woonprobleem dus voorzienbaar was.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag onder verwijzing naar het advies van Argonaut afgewezen op grond van voorzienbaarheid: eiseres was bekend met haar klachten toen zij bij haar zoon is gaan inwonen. Toen eiseres naar de woning van haar zoon verhuisde kon ze weten dat zij moeite kon krijgen met het traplopen naar de derde etage. Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een verhuisvergoeding aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De hardheidsclausule
5. Partijen verschillen niet van mening over de vraag of eiseres is verhuisd naar een woning die voor haar medische situatie ongeschikt was. De beperkingen in het gebruik van de woning waren voor eiseres voorzienbaar. Zij voldoet daarom niet aan de vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor een verhuisvergoeding.
5.1.
Eiseres doet gelet op haar persoonlijke omstandigheden wel een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres is in 2022 in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Zij kon niets anders doen dan intrekken bij haar zoon, ondanks dat deze woning zich bevond op de derde verdieping. Eiseres kon niet naar een vluchtelingenkamp, omdat zij al toestemming had om in Nederland te blijven en ze had geen huis. Ze zou dakloos zijn als ze niet bij haar zoon zou gaan wonen. Bovendien kon eiseres niet alleen leven. Al toen ze aankwam in Nederland kon ze niet lopen zonder dat iemand haar vasthield en steunde. Eiseres had haar zoon en zijn vrouw nodig als mantelzorgers. Dit is de tweede reden dat ze bij haar zoon ging wonen, ondanks haar problemen met (trap)lopen. Het argument van de voorzienbaarheid om aan eiser geen verhuisvergoeding toe te kennen levert een onbillijkheid op van overwegende aard. Op basis van de hardheidsclausule had verweerder de verhuisvergoeding moeten toekennen.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie een bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule beoordelingsruimte heeft. Het gebruik van deze ruimte moet door de rechter terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.
5.4.
De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit voorbij gaat aan de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Zo heeft verweerder niet gemotiveerd waarom, gelet op alle feiten en omstandigheden die eiseres betreffen, aan haar kan worden tegengeworpen dat zij ondanks haar beperkingen bij haar zoon is gaan wonen. Dat eiseres op leeftijd is en in een ongeschikte woning is gaan wonen om te voorkomen dat zij op straat kwam te staan en omdat zij zorg en begeleiding van haar familie nodig had, is derhalve niet meegenomen in de beoordeling waarom de hardheidsclausule niet wordt toegepast. Verweerder heeft verder ook de gevolgen van de afwijzing niet meegewogen in de besluitvorming en heeft niet gemotiveerd waarom de afwijzing van de verhuisvergoeding niet tot onbillijkheden van overwegende aard leidt als bedoeld in artikel 9.1 van de Wmo-verordening. De rechtbank komt gelet hierop tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij alle feiten en omstandigheden en belangen die eiseres betreffen moeten worden meegenomen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
6.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 juli 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 4.1, eerste lid, onder d, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (Wmo-verordening).
Artikel 9.1 van de Wmo-verordening.
Op grond van artikel 4.1, derde lid, sub d, van de Wmo-verordening.
Algemene wet bestuursrecht.