Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:6741
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 23/4607 en AMS 23/4608
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] , uit Sierra Leone,
geboren op [geboortedatum 1] 2002, eiser I,
[eiser 2] , uit Sierra Leone,
geboren op [geboortedatum 2] 2002, eiser II,
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigden: mr. I.S. Yserinkhuijsen en mr. L.H.T. Geuzendam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de weigering van de minister om de aanvraag van eisers om afgifte van een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.
1.1.
Met de bestreden besluiten van 9 juni 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij zijn standpunt gebleven.
1.2.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser I, de gemachtigde van eisers, de heer [naam 1] , de gemachtigden van de minister en een tolk in de Engelse taal.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eisers tegen de weigering de aanvraag in behandeling te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Eiser I is geboren op [geboortedatum 1] 2002 in Freetown te Sierra Leone. In de geboorteakte die is opgemaakt op 21 oktober 2019 staat als vader vermeld de heer [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 in Makando, Liberië en als moeder mevrouw [naam 2] , geboren op een onbekende datum in Sierra Leone.
4.1.
Eiser II is geboren op [geboortedatum 2] 2002 in Freetown te Sierra Leone. In de geboorteakte die is opgemaakt op 10 oktober 2017 staat als vader vermeld de heer [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 in Makando, Liberië en als moeder mevrouw [naam 2] , geboren op een onbekende datum in Sierra Leone.
4.2.
De vader van eisers was ten tijde van de geboortes en het opmaken van de geboorteaktes van eisers gehuwd met een andere vrouw dan de moeders van eisers, namelijk met [naam 3] , geboren op [geboortedatum 4] 1976, Moyamba in Sierra Leone. De vader is op dit moment nog steeds getrouwd met haar. De vader is niet getrouwd geweest met de moeders van zijn kinderen.
Het juridisch kader
5. De relevante regelgeving is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht.
Geschil
Het bestreden besluit
7. In de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Hierin heeft minister, voor zover van belang, geconcludeerd dat eisers geen Nederlanderschap ontlenen aan artikel 3, eerste lid, van de RWN en/of artikel 4, tweede en vierde lid, van de RWN. Ook is volgens de minister niet gebleken dat eisers op andere wijze het Nederlanderschap hebben verkregen.
Het standpunt van eisers
8. Eisers menen dat zij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen bij de geboorte. De vader is vermeld in de verlaat opgemaakte Sierra Leoonse geboorteakte. Dit leidt automatisch tot het ouderschap en betreft daarom een rechtsfeit/rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, die op grond van artikel 10:101 BW van rechtswege in Nederland moet worden erkend. Het Sierra Leoonse recht maakt geen onderscheid tussen kinderen geboren binnen of buiten een huwelijk. Er zijn wel gerechtelijke procedures ter vaststelling van reeds eerder ontstaan vaderschap, maar er bestaat geen gerechtelijke procedure die constitutief is voor het ontstaan van een juridische afstammingsrelatie. In Sierra Leone ontstaan afstammingsrelaties gewoonterechtelijk. Dit volgt uit de vadergegevens zoals opgenomen in de geboorteakte en alle overige omstandigheden. Toepassing van dit recht moet er volgens eisers toe leiden dat vastgesteld moet worden dat vader sinds de geboorte van de kinderen vader is naar Sierra Leoons recht.
8.1.
Eisers stellen verder dat de minister de twee aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad verkeerd interpreteert. Volgens eisers volgt uit deze uitspraken niet dat een buitenlandse afstammingsrelatie alleen erkend kan worden in Nederland als de ouders een relatie hebben die met een huwelijk gelijk gesteld kan worden. De uitspraken bevestigen slechts dat de artikelen 10:100 en 10:101 BW met zich brengen dat de naar buitenlands recht van rechtswege tot stand gekomen afstammingsverhouding in Nederland erkend dien te worden, indien erkenning ervan geen strijd met de openbare orde zou opleveren. Het “gelijkstaan aan een huwelijk” is als zodanig geen algemene voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse afstammingsverhouding naar Nederlands privaatrecht. Voor zover de minister verwijst naar de extra overwegingen van de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of de relatie met een huwelijk gelijk kon worden gesteld, merken eisers op dat de Hoge Raad deze vraag stelt onder verwijzing naar het in 1977 geldige artikel 1a WNI, waarin inderdaad als voorwaarde staat dat een buitenlandse afstammingsverhouding die in Nederland erkend wordt, alleen leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap indien sprake is van een relatie die naar Nederlands recht “wettig” is. Sinds de invoering van de RWN geldt die voorwaarde niet meer; nu volstaat dat er naar het buitenlands recht een afstammingsrelatie is. Omdat eisers naar Sierra Leoons recht van rechtswege in een afstammingsrelatie zijn gekomen met hun vader vanaf de geboorte volgt uit de artikelen 10:100 en 10:101 BW dat deze Sierra Leoons afstammingsverhouding kan worden erkend. Ook indien deze afstammingsverhouding pas later is vastgelegd in een daartoe opgemaakte akte.
Het standpunt van de minister
9. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers het Nederlanderschap niet van rechtswege hebben verkregen. Hiervoor is namelijk nodig dat ten tijde van de geboorte naar Sierra Leoons recht tussen eisers en hun vader een familierechtelijke betrekking tot stand moet zijn gekomen die in Nederland wordt erkend én gelijkgesteld kan worden met de wijze waarop naar Nederlands recht een familierechtelijke betrekking tot stand komt. De vader was op het moment van de geboorte niet gehuwd met de moeder en hij heeft eisers ook niet erkend als ongeboren vrucht. Op grond van het vóórkomen van de naam van de vader op de verlaat opgemaakte geboorteakte kan niet worden vastgesteld dat naar Sierra Leoons recht ten tijde van de geboorte van rechtswege een familierechtelijke betrekking tussen hem en eisers tot stand is gekomen. De minister voegt daaraan toe dat, voor zover naar Sierra Leoons recht en tijde van de geboorte (van rechtswege) door de zeer verlate geboorteaangifte wel een familierechtelijke betrekking tot stand zou zijn gekomen die in Nederland kan worden erkend, deze niet worden gelijkgesteld met de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking ten tijde van de geboorte naar Nederlands recht. De minister verwijst in dit kader naar de toelichting behorende bij artikel 1, aanhef en onder d, van de RWN in de Handleiding RWN 2003, de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 3 van de RWN en jurisprudentie van de Hoge Raad. Gelet op de uitspraken van de Hoge Raad moet, als de ouders niet met elkaar gehuwd zijn, hiervoor in ieder geval vastgesteld kunnen worden dat de relatie tussen de vader en de moeder van het kind volgens het nationale recht van dat land ten tijde van de geboorte wordt gelijkgesteld aan een huwelijk (dus als waren zij gehuwd of een de facto huwelijk) en daarmee ten tijde van de geboorte tussen het kind en de niet met de moeder gehuwde vader naar het nationale recht van dat land van rechtswege een familierechtelijke betrekking is ontstaan. Niet is gebleken dat het Sierra Leoonse recht ten tijde van de geboorte van eisers een rechtsfiguur kende waarbij de relatie tussen een ongehuwde vader en moeder van een kind werd gelijkgesteld aan een huwelijk.
Beoordeling
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers geen Nederlanderschap bezitten en daarom geen recht hebben op een Nederlands paspoort. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Daargelaten de vraag of tussen eisers en hun gestelde vader vanaf hun geboorte een familierechtelijke betrekking is ontstaan op grond van het Sierra Leoonse recht, staat in deze zaak vast dat die (mogelijke) familierechtelijke betrekking niet gelijk kan worden gesteld met de wijze waarop naar Nederlands recht een familierechtelijke betrekking tot stand komt ten tijde van de geboorte. De minister heeft in dit geval terecht verwezen naar artikel 3, eerste lid, van de RWN, de bijbehorende MvT en naar artikel 1, sub d, van de RWN. Het door eisers ingenomen standpunt vindt voorts geen steun in de aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad. Zo blijkt uit de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016 dat de Nederlandse nationaliteit uitsluitend bij de geboorte wordt verkregen indien de familierechtelijke betrekking op één lijn is te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en het wettelijke kind. Daarvoor is voldoende dat vast komt te staan dat tussen de vader en de moeder een band heeft bestaan die met een huwelijk op één lijn kan worden gesteld. Voor zover eisers betogen dat uit de aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad juist het tegenovergestelde volgt, overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad met haar uitspraken de wettelijke bepalingen uit de RWN niet opzij kan zetten. De rechtbank volgt daarom de minister in zijn ingenomen standpunt.
11. Voor zover de overgelegde geboorteakte tot erkenning van de gestelde familierechtelijke betrekking zou leiden op grond van afdeling 5 van Boek 10 BW, betekent dit, anders dan eiser stelt, evenmin dat eisers automatisch het Nederlanderschap verkrijgen vanaf hun geboorte. Daarvoor moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van de RWN. Zoals hiervoor overwogen voldoen eisers niet aan deze voorwaarden. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.
Conclusie
12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eiser krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
5 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage I
De aanspraken op Nederlandse paspoorten en reisdocumenten zijn geregeld in de Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (hierna: de Paspoortwet), alsmede in de daarop gebaseerde Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001 (hierna: de Pub 2001). De in dit kader relevante bepalingen zijn:
Artikel 9, eerste en tweede lid, van de Paspoortwet
1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.
Artikel 9, eerste en vierde lid, van de Pub 2001
1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.
4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager te overleggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.
Artikel 52, eerste lid, van de Pub 2001
Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.
De aanspraken op het Nederlanderschap zijn geregeld in de op 1 januari 1985 in werking getreden Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). De in dit kader relevante bepalingen zijn:
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN
In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Artikel 3, eerste lid, van de RWN
Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
Artikel 4, tweede lid, van de RWN (zoals dat luidt vanaf 1 maart 2009)
Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend.
Artikel 4, derde lid, van de RWN (zoals dat luidt vanaf; maart 2009)
Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die zonder erkenning door
wettiging het kind wordt van een Nederlander.
Artikel 4, vierde lid, van de RWN (zoals dat luidt vanaf 1 maart 2009)
Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
Artikel 4, zesde lid, van de RWN (zoals dat luidt vanaf; maart 2009)
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde bewijs.
Het Nederlandse internationaal privaatrecht is sinds 1 januari 2012 gecodificeerd in Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). In Boek 10 zijn de reeds geldende wetten conflictenrecht bijeengebracht waaronder het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (voorheen de Wet conflictenrecht afstamming (hierna: de WCA)).
Artikel 10:100 van het BW
1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:
a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping
bestond met de rechtssfeer van diens land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare
orde.
2. De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd.
Dictum
Artikel 10:101, eerste lid, van het BW
Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
Voorts zijn de volgende bepalingen van Boek 1 van het BW relevant:
Artikel 1:199, aanhef en onder a en c, van het BW (zoals dat luidde tot 1 april 2014)
Vader van een kind is de man:
a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind
is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;
c. die het kind heeft erkend.
Rijkswet op het Nederlanderschap.
Burgerlijk Wetboek.
Uitspraken van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1500 en bijbehorende conclusie van 19 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:618.
Wet op het Nederlandse ingezetenschap.
Tweede Kamer, zitting 1981,16947 (R 1181), A-C
Uitspraken van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1500 en bijbehorende conclusie van 19 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:618.