Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:6261
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,060 tokens
Inleiding
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11168470 \ CV EXPL 24-7627
Vonnis van 6 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Uygul,
tegen
GREENBERG NIELSEN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Greenberg Nielsen,
gemachtigde: mr. E.C.M. Braun.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 22 oktober 2024 waarin het bevoegdheidsincident is afgewezen en waarin in de hoofdzaak een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen met mr. Uygul. Namens Greenberg Nielsen is verschenen de heer [naam 1] (directeur) samen met de heer [naam 2] (financieel eindverantwoordelijke) en mr. Braun.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
De kern van de zaak
2.1.
[eiser] werkt als zelfstandige en heeft een overeenkomst gesloten met Greenberg Nielsen. Via Greenberg Nielsen zou [eiser] een opdracht aangaan voor A.S.R. Nederland. Deze opdracht is niet doorgegaan. [eiser] vindt dat Greenberg Nielsen nalatig heeft gehandeld door hem hierover niet goed te informeren. [eiser] heeft hierdoor gedurende een periode van vier weken geen inkomen kunnen genereren waardoor hij schade heeft geleden. Greenberg Nielsen is het daar niet mee eens. De kantonrechter oordeelt dat Greenberg Nielsen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen door nalatig te handelen in de uitvoering van haar dienstverlening.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiser] is onder de handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’ werkzaam als zelfstandige op het gebied van financiële dienstverlening.
2.3.
Greenberg Nielsen houdt zich bezig met dienstverlening op het gebied van ‘Finance Recruitment’.
2.4.
Greenberg Nielsen was op zoek naar een zelfstandige voor een opdracht ten behoeve van A.S.R. Nederland (hierna: A.S.R.). In dat kader had [eiser] op 13 maart 2024 een gesprek met A.S.R. Op 14 maart 2024 kreeg [eiser] van Greenberg Nielsen bevestiging dat hij op basis van het gesprek zou kunnen gaan starten rond 25 maart 2024.
2.5.
Op 15 maart 2024 is daartoe een overeenkomst van opdracht tussen partijen gesloten en ondertekend (hierna: de overeenkomst). Overeengekomen is dat [eiser] met ingang van 25 maart 2025 rond de 40 uur per week gaan werken voor A.S.R. voor de duur van drie maanden.
2.6.
In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“6.2 Greenberg Nielsen is geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd, indien door [eiser] (tijdelijk) geen werkzaamheden worden verricht. Voorgaande ongeacht om welke reden, arbeidsongeschiktheid of anderszins vanwege aan [eiser] of Greenberg Nielsen opkomende verhindering. Kortom: Greenberg Nielsen betaalt enkel een vergoeding voor daadwerkelijk gewerkte uren.”
“7.1 Partijen staan jegens elkaar in voor de deugdelijke nakoming van alle op hen betrekking hebbende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht, en alle daarmee samenhangende verplichtingen.”
“7.2 Greenberg Nielsen is alleen dan aansprakelijk voor door [eiser] of A.S.R. geleden schade, indien Greenberg Nielsen nalatig is geweest bij de uitvoering van haar dienstverlening en de ontstane schade het rechtstreekse gevolg is van een dergelijk handelen/nalaten door Greenberg Nielsen.”
“9.2 Greenberg Nielsen verklaart uitdrukkelijk dat zij ermee akkoord gaat dat [eiser] ook ten behoeve van andere opdrachtgevers werkzaamheden verricht.”
“11.1 Onderhavige overeenkomst is met ingang van 25 maart 2024 aangegaan voor een periode van 3 maanden en eindigt van rechtswege op 30 juni 2024.”
“11.2 Onderhandelingen met A.S.R./ [eiser] over verlenging of wijziging van deze overeenkomst zullen uitsluitend met Greenberg Nielsen worden gevoerd.”
“12.1 Greenberg Nielsen kan de overeenkomst te allen tijde, om welke reden ook, per direct opzeggen zonder dat daarvoor een termijn in acht wordt genomen. Indien de reden van opzegging is gelegen in de beëindiging van de overeenkomst tussen Greenberg Nielsen en A.S.R. en deze eindigt met inachtneming van een opzegtermijn, dan zal deze overeenkomst per gelijke datum eindigen.”
2.7.
[eiser] heeft contact gehad met de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), werknemer bij Greenberg Nielsen en contactpersoon van [eiser] . Zij hebben via WhatsApp gecorrespondeerd over de opdracht met A.S.R. Op 22 maart 2024 heeft [naam 3] op de vraag van [eiser] wie de contactpersoon bij A.S.R. is laten weten dat A.S.R. nog bezig is met de onboarding van [eiser] . De startdatum zou daarom volgens [naam 3] worden uitgesteld en dit zou ook in de overeenkomst worden aangepast. Ook gaf hij aan dat hij verwachtte dat het uitstel niet weken zou gaan duren.
2.8.
Op 25 maart 2024 heeft [eiser] via WhatsApp aan [naam 3] gemeld dat hij, doordat [eiser] akkoord heeft gekregen van Greenberg Nielsen en A.S.R., opdrachten die hem werden aangeboden niet heeft aangenomen en dat hij ook niet meer actief heeft gezocht naar andere opdrachten en daardoor kansen heeft gemist. Ook heeft hij gevraagd om duidelijkheid omtrent de opdracht bij A.S.R.
2.9.
Greenberg Nielsen heeft vervolgens gezocht naar een vergelijkbare opdracht voor [eiser] , omdat de opdracht bij A.S.R. waarschijnlijk niet kon doorgaan. Dit resulteerde in een gesprek met een andere partij op 29 maart 2024. Deze opdracht is niet doorgegaan omdat [eiser] daarvoor overgekwalificeerd was.
2.10.
Op 29 maart 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en
Greenberg Nielsen. Daarin gaf Greenberg Nielsen aan dat zij op 2 april 2024 duidelijkheid zou geven over de aanstelling bij A.S.R., nadat zij een gesprek met A.S.R. zou hebben gehad.
2.11.
[eiser] heeft op 3 april 2024 per e-mail contact opgenomen met Greenberg Nielsen waarin [eiser] opnieuw om duidelijkheid vroeg en aangaf om tot een oplossing te willen komen.
2.12.
Op 19 april 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan Greenberg Nielsen verzonden waarin zij aansprakelijk wordt gehouden voor de gemiste inkomsten vanwege haar nalatig handelen en daarin is een schikkingsvoorstel gedaan.
2.13.
Op 22 april 2024 is [eiser] met een nieuwe opdracht gestart.
2.14.
De gemachtigde van [eiser] heeft op 14 mei 2024 een herinnering gestuurd aan Greenberg Nielsen van het bericht waarin een schikkingsvoorstel is gedaan door [eiser] . Hierop heeft [naam 1] (algemeen directeur van Greenberg Nielsen) gereageerd dat hij niet ingaat op het schikkingsvoorstel en dat hij geen aansprakelijkheid erkent.
Wat willen partijen?
2.15.
[eiser] vordert, samengevat en verduidelijkt op de zitting, primair dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Greenberg Nielsen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door nalatig te handelen richting [eiser] , waardoor [eiser] schade heeft geleden waarvoor Greenberg Nielsen aansprakelijk is en/of op grond daarvan ontbinding van de overeenkomst. Subsidiair vordert [eiser] een verklaring voor recht dat Greenberg Nielsen onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Tot slot vordert [eiser] Greenberg Nielsen te veroordelen in de proceskosten met rente.
2.16.
Hieraan legt [eiser] ten grondslag dat, omdat Greenberg Nielsen gezien de gemaakte afspraken en de feitelijke gang van zaken nalatig is geweest als bedoeld in artikel 7.2 in samenhang met artikel 11.2 van de opdrachtovereenkomst, Greenberg Nielsen tekortgeschoten is in de nakoming van de opdrachtovereenkomst, althans, dat zij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] .
2.17.
Greenberg Nielsen voert verweer. Greenberg Nielsen stelt zich op het standpunt dat zij niet uitbetaalt in situaties waarin er geen werk is verricht. Zij concludeert - samengevat - tot onbevoegdheid van de kantonrechter, althans niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, althans dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] integraal afwijst, met de veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Conclusie
2.30.
De verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming van Greenberg Nielsen wordt gelet op het voorgaande toegewezen. Nu de primaire gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan het subsidiair gevorderde.
De proceskosten
2.31.
Greenberg Nielsen is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
407,22
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat Greenberg Nielsen tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst ten gevolgen waarvan [eiser] schade heeft geleden en waarvoor Greenberg Nielsen aansprakelijk is;
3.2.
veroordeelt Greenberg Nielsen in de proceskosten van € 407,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Greenberg Nielsen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.
de griffier de kantonrechter
De griffier is verhinderd om te ondertekenen.
Beoordeling
2.18.
Ter zitting heeft Greenberg Nielsen haar voorwaardelijke vordering in reconventie ingetrokken.
2.19.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Greenberg Nielsen heeft nalatig gehandeld
2.20.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat Greenberg Nielsen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] stelt daartoe dat de tekortkoming gelegen is in het nalatig handelen door Greenberg Nielsen op grond van artikel 7.2 van de overeenkomst. Het nalatig handelen ligt volgens [eiser] erin besloten dat Greenberg Nielsen [eiser] niet juist heeft geïnformeerd over het feit dat tussen Greenberg Nielsen en A.S.R. nog geen overeenkomst was en het nog niet zeker was dat de opdracht bij A.S.R. doorgang zou vinden. Aan [eiser] is steeds voorgehouden dat het goed zou komen. Wel is van [eiser] gevraagd om alle andere gesprekken met potentiële opdrachtgevers te staken zodra hij de opdrachtovereenkomst had getekend. Greenberg Nielsen heeft de opdrachtovereenkomst nooit opgezegd, hoewel dat elk moment kon. Als tijdig en correct was geïnformeerd of was opgezegd, dan was [eiser] in staat gesteld om elders inkomsten te verwerven.
2.21.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat Greenberg Nielsen richting hem nalatig heeft gehandeld. Weliswaar is het zo dat [eiser] alleen voor gewerkte uren zou worden uitbetaald op grond van artikel 6.2. van de voorwaarden, zoals door Greenberg Nielsen is aangevoerd, maar dat is niet de tekortkoming die Greenberg Nielsen wordt verweten. [eiser] baseert zijn vordering immers op artikel 7.2 van de opdrachtovereenkomst. Op grond van dat artikel moet het gaan om nalatig handelen van Greenberg Nielsen bij de uitvoering van haar dienstverlening. De opdrachtovereenkomst definieert niet wat met nalatig handelen is bedoeld. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat die norm moet worden ingekleurd met alle omstandigheden van het geval en dat in dit geval, in het licht van de omstandigheden, Greenberg Nielsen [eiser] onvoldoende heeft geïnformeerd. Greenberg Nielsen heeft op de zitting toegelicht dat zij net als [eiser] in de overeenkomst een verplichting om [eiser] juist te informeren leest. De kantonrechter zal dan ook onderzoeken of Greenberg Nielsen in haar informatieverplichting tekortgeschoten is.
2.22.
Vaststaat dat [eiser] op 14 maart 2024 van Greenberg Nielsen te horen kreeg dat A.S.R. hem de opdracht gaf, waarna de opdrachtovereenkomst tussen partijen tot stand kwam. De opdracht zou op 25 maart 2024 aanvangen. Greenberg Nielsen heeft in de persoon van [naam 3] via WhatsApp contact gehad met [eiser] over de opdracht. Uit deze berichten kon door [eiser] worden opgemaakt dat de opdracht zou worden uitgesteld maar niet dat de opdracht geen doorgang zou vinden. Uit het feit dat Greenberg Nielsen voor [eiser] ook opzoek ging naar een andere opdracht voor [eiser] hoefde [eiser] niet op te maken dat de opdracht bij A.S.R. niet doorging. Greenberg Nielsen bleef immers steeds aangeven dat er op korte termijn duidelijkheid zou zijn over de opdracht bij A.S.R. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat hij pas na het gesprek op 3 april 2024 te horen heeft gekregen dat de opdracht met A.S.R. niet zou doorgaan en dat hij op zoek kon gaan naar een andere opdracht. Greenberg Nielsen heeft dit niet voldoende weersproken. Op de vraag van de kantonrechter wanneer [eiser] dit heeft gehoord na 3 april 2024 kon [eiser] dit niet met zekerheid zeggen. De kantonrechter stelt met [eiser] vast dat dit na 3 april en voor 19 april 2024 moet zijn geweest, omdat de gemachtigde van [eiser] Greenberg Nielsen op die laatste dag aansprakelijk heeft gesteld.
2.23.
Greenberg Nielsen heeft niet volledig en te laat relevante informatie gegeven aan [eiser] , eerst door te vermelden dat A.S.R. nog bezig was met de onboarding waardoor de ingangsdatum van de opdracht kort zou worden uitgesteld (overigens is niet gebleken dat de oorspronkelijke ingangsdatum ook daadwerkelijk contractueel is aangepast), daarna door pas na de overeengekomen ingangsdatum te vermelden dat de opdracht bij A.S.R. mogelijk niet zou doorgaan en vervolgens door pas tussen 3 en 19 april 2024 mee te delen dat de opdracht niet zou doorgaan. Deze informatie was des te meer relevant gezien de gemaakte afspraken van partijen, waarbij is overeengekomen dat Greenberg Nielsen de opdrachtovereenkomst te allen tijde, om welke reden dan ook, per direct kan opzeggen, terwijl [eiser] dat alleen kan als hij een gewichtige reden heeft, en Greenberg Nielsen alleen een vergoeding aan [eiser] zal betalen voor daadwerkelijk gewerkte uren. [eiser] heeft totdat hij geïnformeerd was dat de opdracht niet doorging er redelijkerwijs van mogen uitgaan dat de opdracht zou doorgaan.
2.24.
Verder is van belang dat Greenberg Nielsen [eiser] heeft verzocht om niet verder in zee te gaan met andere opdrachtnemers nadat [eiser] de opdrachtovereenkomst had getekend. Greenberg Nielsen heeft niet betwist dat dit zo is gezegd, maar slechts verwezen naar artikel 9.2. van de opdrachtovereenkomst, waarin is bepaald dat het [eiser] is toegestaan om ook voor andere opdrachtgevers werkzaamheden te verrichten. De kantonrechter is het eens met Greenberg Nielsen dat [eiser] contractueel ook opdrachten van andere opdrachtgevers mocht aannemen, maar [eiser] voelde zich daar terecht niet vrij in gezien het feit dat Greenberg Nielsen steeds de verwachting bleef wekken dat de opdracht met A.S.R. doorgang zou vinden en Greenberg Nielsen hem had gevraagd geen andere opdrachten aan te nemen. Het ging daarbij om een opdracht van 40 uur per week, een normale werkweek. Ervan uitgaande dat [eiser] voor A.S.R. zou gaan werken, kon [eiser] hier niet nog een andere opdracht bij doen, in ieder geval niet een waarmee voldoende inkomsten konden worden gegenereerd. Dat [eiser] wist dat het contract met A.S.R. nog niet rond was, wordt door [eiser] betwist en blijkt nergens uit.
2.25.
Daarnaast weegt de kantonrechter mee dat de overeenkomst door Greenberg Nielsen niet is opgezegd. Daarmee heeft Greenberg Nielsen de onzekere situatie waarin [eiser] verkeerde, laten voortduren.
Nakoming is blijvend onmogelijk
2.26.
Voor een geslaagd beroep op artikel 6:74 BW is verzuim nodig, tenzij juiste nakoming van de overeenkomst blijvend onmogelijk is. Greenberg Nielsen voert aan dat zij niet schriftelijk in gebreke is gesteld en dat haar geen redelijke termijn voor nakoming is gegeven. Als de brief van 19 april 2024 al zo kan worden opgevat, zou verzuim pas gaan lopen vanaf de datum van die brief terwijl [eiser] al vanaf 22 april 2024 een nieuwe opdracht had, aldus Greenberg Nielsen. Vanaf dat moment was er sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [eiser] en eindigde het verzuim in ieder geval op grond van artikel 6:61 BW. Er is volgens Greenberg Nielsen ook geen sprake van een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 lid 1 BW.
2.27.
De kantonrechter is van oordeel dat juiste nakoming van de overeenkomst in dit geval blijvend onmogelijk is geworden. Greenberg Nielsen gaat er bij de betwisting van het verzuim aan voorbij dat haar nalatig handelen in de vorm van ontoereikende informatieverstrekking over de doorgang van de opdracht wordt verweten. Dit nalatig handelen had niet met terugwerkende kracht of alsnog kunnen worden hersteld, indien daarvoor een redelijke termijn voor nakoming was gegeven. Over de periode dat Greenberg Nielsen niet aan haar informatieplicht heeft voldaan, kon [eiser] immers niet alsnog een andere opdracht aannemen om een inkomen te genereren.
Schade en causaal verband
2.28.
Tot slot moet worden vastgesteld dat [eiser] door de tekortkoming aan de zijde van Greenberg Nielsen schade heeft geleden.