Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:5921
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,608 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.321555.24
Datum uitspraak: 3 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende op het adres [BRP-adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Op 19 mei 2025 is van verdachte een e-mail ontvangen waarin zij – onder meer – aangeeft dat zij niet persoonlijk zal verschijnen en dat zij “nooit een officiële dagvaarding [heeft] ontvangen via aangetekende post welke bij de wet wel zo verplicht is”. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding op de in het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven wijze is betekend. Gebleken is ook dat verdachte van de datum en het tijdstip van de zitting op de hoogte is, omdat zij een kopie van de dagvaarding heeft meegezonden met het al eerder op 30 april 2025 ingediende en door de rechtbank afgewezen aanhoudingsverzoek. De rechtbank verleent daarom verstek tegen de niet verschenen verdachte. Voor zover verdachte bedoeld heeft met haar e-mail van 19 mei 2025 een nieuw aanhoudingsverzoek te doen, wijst de rechtbank dat verzoek opnieuw af. Ook uit deze mail blijken onvoldoende zwaarwegende redenen om de zaak aan te houden.
Dit vonnis is dus bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 mei 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Hart.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
het niet doen van een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [aangever] voor het jaar 2018, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting ten name van [aangever] over de jaren 2019, 2020 en 2021, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven;
Subsidiair
het valselijk opmaken/vervalsen van aangiften inkomstenbelasting ten name van [aangever] over de jaren 2019, 2020 en 2021, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken;
3. het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over meerdere kwartalen in 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven;
Subsidiair
Het valselijk opmaken/vervalsen van voornoemde aangiften omzetbelasting, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Inleiding
[aangever] en verdachte zijn getrouwd geweest. [aangever] is op 1 januari 2015 de eenmanszaak [bedrijf 1] gestart waarin hij werkzaamheden heeft verricht als zelfstandig ondernemer op het gebied van ICT. Hij heeft over de jaren 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2022 inkomsten genoten via [bedrijf 2] Deze inkomsten en omzet heeft [aangever] niet verantwoord in zijn aangiften Inkomstenbelasting over 2018 tot en met 2021 en ook niet (volledig) in zijn aangiften Omzetbelasting over het eerste kwartaal 2018 tot en met het tweede kwartaal 2022.
Op 6 mei 2022 heeft de Belastingdienst per brief verzocht om informatie in verband met een in te stellen boekenonderzoek. Deze brief is gestuurd naar het adres van [aangever] en daarbij is om diverse gegevens gevraagd over de Inkomsten- en Omzetbelasting over 2018 tot en met 2020. In reactie op dit verzoek om informatie heeft verdachte op 30 mei 2022 per brief gereageerd. In haar brief geeft zij aan dat alle post van de Belastingdienst aan [aangever] naar het adres [adres] (het adres van verdachte) moet worden gestuurd en dat zij verantwoordelijk is voor de zakelijke dingen rondom [aangever] en dat zij precies weet hoe of wat. De gevraagde informatie is uiteindelijk niet verstrekt aan de Belastingdienst. Op rappelbrieven van de Belastingdienst volgt evenmin een reactie, ook niet op verzoeken tot het maken van een afspraak om de jaren 2018 tot en met 2020 te bespreken en op orde te krijgen. Omdat [aangever] noch verdachte informatie hebben verstrekt, heeft de Belastingdienst informatie/bescheiden opgevraagd bij de [bank 1] , de [bank 2] en [bedrijf 2] . Uit de door [bedrijf 2] overgelegde facturen blijkt dat de eenmanszaak [bedrijf 1] over de periode 2018-2020 een omzet had van ruim € 500.000,- en dat [bedrijf 1] in 2021 en 2022 nog activiteiten verrichtte voor [bedrijf 2] . Hierop is het boekenonderzoek uitgebreid van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. Op een nieuw verzoek om contact met de Belastingdienst op te nemen voor het plannen van een persoonlijk gesprek is opnieuw niet gereageerd.
Op 17 februari 2023 is besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, waarbij naar de belastingaangiften is gekeken. Namens [aangever] is over de periode 2018 tot en met het tweede kwartaal 2022 een nihilaangifte Omzetbelasting ingediend, met uitzondering van het tweede kwartaal 2019 en het derde kwartaal 2020. Over de periode 2019-2021 is steeds een onjuiste aangifte Inkomstenbelasting ingediend. In de meeste aangiften Omzetbelasting staat als contactpersoon [verdachte] vermeld. Verdachte heeft over alle aangiften verklaard dat zij die heeft opgemaakt, ingediend en dat die bijna allemaal ten onrechte zo zijn ingevuld dat er € 0 of in elk geval een te laag bedrag aan omzet en inkomsten waren gegenereerd.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vindt dat alle (primair) ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Omdat geen strafrechtelijke betrokkenheid van [aangever] kan worden vastgesteld, moet de tenlastelegging zo worden begrepen dat verdachte [aangever] heeft doen plegen, welke deelnemingsvorm ook bij kwaliteitsdelicten van toepassing is.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat geen sprake is van ‘doen plegen’ omdat wel sprake is van strafrechtelijke betrokkenheid van [aangever] , dan zal in verband met het kwaliteitsdelict uitgeweken moeten worden naar de subsidiair tenlastegelegde valsheid in geschrift, waar het de feiten 2 en 3 betreft.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Vrijspraak van het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde – belastingfraude
De rechtbank acht – anders dan waartoe de officier van justitie heeft gerequireerd – het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is een kwaliteitsdelict. Hiermee wordt bedoeld dat alleen degene die verplicht / gehouden is aangifte te doen, dit feit kan plegen. Die gehoudenheid tot het doen van aangifte kan worden vastgesteld bij eenieder die tot het doen van aangifte is uitgenodigd. De artikelen 42 tot en met 44 AWR regelen daarnaast wie als vertegenwoordiger voor de belastingplichtige mogen optreden.
Omdat de uitnodiging tot het doen van aangifte is gericht aan [aangever] en verdachte niet valt onder een van de vertegenwoordigers genoemd in de artikelen 42 tot en met 44 AWR, kan verdachte niet worden aangemerkt als mogelijke pleger van het kwaliteitsdelict. Dit geldt voor zowel artikel 69 lid 1 als artikel 69 lid 2 AWR.
De vraag is hier of verdachte [aangever] deze feiten dan heeft doen plegen. Van ‘doen plegen’ is sprake wanneer iemand een ander (de feitelijke uitvoerder van het delict) een delict laat uitvoeren waarvoor die ander zelf niet kan worden gestraft. Die ander wordt dan als een willoos werktuig gebruikt.
Daarvan is geen sprake. In deze zaak is het namelijk juist verdachte zelf geweest die de onjuiste of onvolledige aangiften Inkomstenbelasting en Omzetbelasting heeft ingediend op naam van [aangever] en niet is gebleken dat [aangever] enige handelingen heeft verricht. Verdachte is in het licht van de definitie van ‘doen pleger’ dus niet degene die een ander heeft aangezet om onjuiste belastingaangiftes in te dienen. Anders dan het standpunt van de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van ‘doen plegen’.
Omdat alleen de aangifteplichtige als pleger van het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte kan worden aangemerkt en verdachte niet de aangifteplichtige is, en er evenmin sprake is van ‘doen plegen’, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het onder de feiten 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde belastingfraudedelicten heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.
3.3.2.
Het oordeel over het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde – valsheid in geschrift
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021 en de aangiften Omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met het tweede kwartaal 2022.
3.3.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank leidt dit af uit de volgende bewijsmiddelen.
- Een ambtsedig proces-verbaal nummer V-002-01 d.d. 24 januari 2023 opgemaakt door [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , opsporingsambtenaren, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD te Amsterdam (digitaal dossier pagina 65 e.v.), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
- Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring Omzetbelasting van 13 september 2023, opgemaakt door [persoon 1] , ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (digitaal dossier pagina 403 e.v.).
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] , dat de aangiften Omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2018 tot en met 2e kwartaal 2022 van de belastingplichtige in het beveiligde gedeelte van de Belastingdienst internetsite/Mijn Belastingdienst Zakelijk zijn geplaatst. Dit geschrift bevat als bijlage een overzicht datum/tijdstip ontvangen aangiften.
- Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring Omzetbelasting van 13 september 2023, opgemaakt door [persoon 2] , ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (digitaal dossier pagina 450 e.v.)
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] , dat de aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2019 t/m 2021 zijn gedaan via de internetsite Mijn Belastingdienst met gebruik van DigiD. Dit geschrift bevat als bijlage een overzicht datum/tijdstip van de ontvangen aangiften.
- Een overzichtsproces-verbaal van verdenking met nummer ZD-001-01 van 6 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] (digitaal dossier pagina 30 e.v.), onder meer inhoudende een onderzoek naar de bankrekeningen van [aangever] (met bijlagen bankoverzichten Doc-014, Doc-015 en Doc-032) en de facturen van [bedrijf 2] BV (met bijlagen Doc-010 t/m Doc-012, Doc-041 en Doc-043).
- Geschriften, te weten:
de aangiften Inkomstenbelasting 2019 (Doc-037), 2020 (Doc-038 en Doc-039) en
de aangiften Omzetbelasting 2018 (Doc-045 t/m Doc-048), 2019 (Doc-049, Doc-051, Doc-052), 2020 (Doc-053 t/m Doc-056), 2021 (Doc-057 t/m Doc-060) en 1e en 2e kwartaal 2022 (Doc-061 en Doc-062).
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 2 subsidiair
in de periode 3 januari 2021 tot en met 7 september 2022 in Nederland, meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 3 digitale aangiften Inkomstenbelasting, ten name van ' [aangever] ’, over:
- het jaar 2019,
- het jaar 2020 en
- het jaar 2021,
valselijk heeft opgemaakt, door telkens in die aangiften een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen op te geven, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
ten aanzien van feit 3 subsidiair
in de periode 30 april 2018 tot en met 27 juli 2022 in Nederland, meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 17 digitale aangiften Omzetbelasting, ten name van ‘ [aangever] ’, over:
2018
- het eerste kwartaal van 2018;
- het tweede kwartaal van 2018;
- het derde kwartaal van 2018;
- het vierde kwartaal van 2018;
2019
- het eerste kwartaal van 2019;
- het derde kwartaal van 2019;
- het vierde kwartaal van 2019;
2020
- het eerste kwartaal van 2020;
- het tweede kwartaal van 2020;
- het derde kwartaal van 2020;
- het vierde kwartaal van 2020;
2021
- het eerste kwartaal van 2021;
- het tweede kwartaal van 2021;
- het derde kwartaal van 2021;
- het vierde kwartaal van 2021;
2022
- het eerste kwartaal van 2022 en
- het tweede kwartaal van 2022,
valselijk heeft opgemaakt, door telkens in die aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 4 maanden.
7.2.
Beoordeling
De rechtbank zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een geldboete van € 1.000,- opleggen.
Deze straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank overweegt hierbij als volgt. Verdachte heeft zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door aangiften Inkomstenbelasting en aangiften Omzetbelasting op naam van [aangever] valselijk op te maken en in te dienen bij de Belastingdienst. In de aangiften Inkomstenbelasting heeft zij een aanzienlijk bedrag aan inkomsten van [aangever] niet vermeld. In de aangiften Omzetbelasting heeft zij de omzet van de eenmanszaak van [aangever] niet of voor een veel lager bedrag opgegeven dan de werkelijke omzet. Voor veel aangiften geldt dat zij de omzet op 0 heeft gezet, wetende dat dit niet klopte. Door haar handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat de overheid in totaal € 285.278,- aan belastinginkomsten is misgelopen.
In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank nog het volgende overwogen. Uit het dossier blijkt dat de Belastingdienst meerdere keren heeft aangeboden om in een gesprek de aangiftes uit 2018 tot en met 2020 op orde te krijgen. Hoewel verdachte in brieven en e-mails aangeeft dat zij het een en ander met de Belastingdienst wil oplossen, heeft zij van dit aanbod geen gebruik gemaakt. Evenmin heeft verdachte de juiste gegevens ingediend of laten indienen. Ook nadat het strafrechtelijk onderzoek is gestart, heeft zij niets ondernomen om de onjuiste aangiften recht te (laten) trekken. Zij heeft hiermee het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake moet zijn van een eerlijke lastenverdeling, geschaad. En dit, terwijl op alle facturen van [bedrijf 2] duidelijk stond aangegeven wat de btw moest zijn.
Anderzijds houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 april 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met de moeilijke situatie waarin verdachte verklaart te hebben verkeerd en nog steeds te verkeren met betrekking tot haar kinderen en haar eigen gezondheid. Dat verdachte niet met de reclassering heeft gesproken is spijtig omdat de rechtbank daardoor minder weet van de omstandigheden van verdachte, maar de rechtbank krijgt op grond van alle brieven die zich in het dossier bevinden wel de indruk dat verdachte door haar situatie ‘kopje onder’ is gegaan en het overzicht totaal kwijt is geraakt.
Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat de feiten van langer geleden zijn, al is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn omdat verdachte pas op 11 januari 2024 bij de FIOD is gehoord.
De op te leggen straf wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank enkel de valsheid in geschrift bewezen acht en dus minder dan de officier van justitie. Ook is de rechtbank van oordeel dat het niet waarschijnlijk is dat verdachte, gelet op haar medische situatie, een taakstraf zal kunnen uitvoeren. Dit zou er dan op neerkomen dat verdachte vervangende hechtenis zou moeten ondergaan, hetgeen feitelijk neerkomt op vastzitten en dus hetzelfde effect heeft als een gevangenisstraf. Ook (onvoorwaardelijk) vastzitten acht de rechtbank niet passend, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Om de ernst van de bewezen feiten te benadrukken en om te voorkomen dat verdachte wederom de fout ingaat door onjuiste belastingaangiften in te dienen, zal de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarnaast zal de rechtbank om die reden een geldboete opleggen zoals hierboven is vermeld. Verdachte heeft in haar brieven melding gemaakt van het feit dat de belastingdienst grote bedragen heeft teruggevorderd. Het gaat daarbij om terugvorderingen van [aangever] . Niet is gebleken van (belasting)schulden van verdachte. Gelet op de persoonlijke en fysieke omstandigheden van verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in staat moet worden geacht om (al dan niet in termijnen) deze geldboete te voldoen. Daarmee moet het voor verdachte duidelijk zijn dat het indienen van valse belastingaangiften en het niet oplossen van die situatie onacceptabel is. Deze straffen vindt de rechtbank passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57, 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair:
Telkens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. C. Bruil en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2025
[....]