Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:5887
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste en enige aanleg
670 tokens
Dictum
C/13/771061 HA/RK 25/202 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter en tot wraking van R.J. Hennekam, griffier en R.E. Lakeman, juridisch medewerker.
1
Procesverloop
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
de brief van verzoeker, per e-mail ontvangen op 17 juni 2025, waarin hij de rechter, de griffier en de juridisch medewerker wraakt;
een beschikking van 24 april 2025 van de rechter waarin een mentor is benoemd ten behoeve van verzoeker (zaaknummer 11652870 EB VERZ 25-3171);
een beschikking van 24 april 2025 van de rechter waarin een bewindvoerder is benoemd ten behoeve van verzoeker (zaaknummer 11300104 EB VERZ 24-10359).
2
2. De gronden van de beslissing
2.1
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
Artikel 36 Rv kent niet de mogelijkheid een griffier of juridisch medewerker van de rechtbank te wraken. In zoverre is het verzoek dus niet-ontvankelijk.
2.3
Uit artikel 36 Rv volgt verder dat een verzoek tot wraking erop gericht moet zijn een rechter te vervangen tijdens een lopende procedure. Indien een rechter een eindbeslissing heeft gegeven is wraking niet meer mogelijk. In dit geval heeft de rechter op 24 april 2025 twee eindbeslissingen gewezen. Ook in zoverre is het verzoek dus niet-ontvankelijk.
2.4
Het verzoek tot wraking is dus in zijn geheel niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, en mr. N.C.H. Blankevoort en mr. I.M. Bilderbeek, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2025.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.