Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:5818
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,625 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-160645-25
Datum uitspraak: 7 augustus 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 27 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2022 door the District Court: Sąd Okręgowy in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
feitelijk verblijvend op het adres [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 juli 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement issued by the Regional Court: Sąd Rejonowy in Włoszczowa dated on 28 September 2021, met referentie II K 49/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, vijf maanden en achtentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat sprake is van strijdige informatie met betrekking tot de aanwezigheid van opgeëiste persoon bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Het EAB vermeldt dat opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op de procedure die tot de beslissing heeft geleid, maar de opgeëiste persoon verklaart wel aanwezig te zijn geweest.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. De informatie uit het EAB lijkt strijdig met de verklaring van opgeëiste persoon maar is het niet. Hij kan én in persoon gedagvaard zijn én aanwezig zijn geweest. De Poolse autoriteiten kijken naar de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de laatste beslissing. De opgeëiste persoon verklaart dat hij bij de laatste zitting niet aanwezig is geweest en dit kan verklaren dat in het EAB wordt vermeld dat hij niet aanwezig is geweest. Bij de andere zittingen verklaart hij dat hij wel aanwezig is geweest. Artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig is geweest op het proces dat tot het voornoemde vonnis heeft geleid. De Poolse autoriteiten hebben in het zogenoemde D-formulier onderdeel a) aangekruist en daarbij geschreven dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard op 22 juli 2021 en daarbij ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf heeft verklaard (bij de voorgeleiding op 26 mei 2025 en tijdens de zitting van 24 juli 2025) dat hij wel persoonlijk aanwezig is geweest op het proces en alleen op de laatste zitting –
waar naar zeggen van de opgeëiste persoon alleen nog een datum zou worden bepaald waarop hij zich bij de PI moest melden – niet is verschenen, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van de over de dagvaarding verstrekte informatie. De rechtbank stelt vast dat de uitzondering van artikel 12, aanhef en onder a, van toepassing is zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
poging tot afpersing, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die afpersing gemakkelijk te maken;
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.1
Artikel 11 OLW: artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft, ondanks zijn voorafgaande verzoek aan de rechtbank daartoe, geen advocaat toegevoegd gekregen tijdens de procedure die tot het vonnis heeft geleid terwijl het een veroordeling van meer dan twee jaar betreft. Dit is een schending van de rechten zoals vastgesteld in (de rechtbank begrijpt: artikel 48 van) het Handvest van de grondrechten van de EU, en een schending van zijn verdedigingsrechten en het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon in Polen. De raadsman stelt zich subsidiair op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om de Poolse autoriteiten in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te geven en aan de hand van die informatie een garantie te verstrekken dat de opgeëiste persoon een nieuw proces krijgt met een correcte verdediging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van grondrechten in Polen in verband met het toewijzingsregime betreffende advocaten in strafzaken, de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft overgelegd die aantonen dat van een dergelijk gevaar sprake zou zijn. Het verweer wordt daarom verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 285, 300, 304 en 317 Wetboek van Strafrecht, 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëist persoon] aan the District Court: Sąd Okręgowy in Kielce, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en M.C. Hooibrink, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 augustus 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).