Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:5393
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,995 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/110578-25
Datum uitspraak: 23 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 12 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2025 door Tatabánya District Court (Hongarije) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Hongarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2025, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een domestic arrest warrant van 8 april 2024 van the Tatabánya District Court met referentie No.3.B.133/2023/27.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaarse recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994
bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat de in de feitsomschrijving beschreven bedreiging niet gericht was tegen de kinderen van de opgeëiste persoon en nu de wijze waarop specifiek dat feit is omschreven in het EAB geen dubbele strafbaarheid oplevert. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het feitencomplex zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB levert naar het oordeel van de rechtbank de bovengenoemde strafbare feiten naar Nederlands recht op.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman stukken overgelegd. Mocht de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet tot gelijkstelling komen, verzoekt de raadsman om aanhouding van de behandeling teneinde de curator die het faillissement van het bedrijf van de opgeëiste persoon afhandelt nogmaals te verzoeken nadere stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer (met name inkomensgegevens over 2021) te sturen en verzoekt de rechtbank om die wens jegens de curator uitdrukkelijk op te nemen in de beslissing tot aanhouding van de behandeling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Hij heeft hier weliswaar vijf jaar ingeschreven gestaan, maar heeft niet kunnen aantonen dat hij hier voldoende inkomsten heeft genoten.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de nu overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon heeft slechts jaaropgaves van verschillende bedrijven waarvoor hij en zijn echtgenote gewerkt hebben, overgelegd. Het inkomen dat hij en/of zijn echtgenote over de afgelopen vijf jaren verdiend hebben, blijkt onvoldoende te zijn om in het levensonderhoud te voorzien. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de behandeling aan te houden om stukken op te vragen bij de curator die het faillissement van het schoonmaakbedrijf van de opgeëiste persoon afhandelt. Het is aan de raadsman/de opgeëiste persoon om stukken tijdig aan te leveren. Bovendien hadden stukken ter onderbouwing van het inkomen over de relevante jaren door de raadsman/de opgeëiste persoon ook bij bijvoorbeeld de Belastingdienst opgevraagd kunnen worden.
Aan de eerste voorwaarde is aldus niet voldaan. Dat betekent dat de rechtbank niet aan een verdere bespreking van het gelijkstellingsverweer toekomt en dat het verweer niet slaagt.
6Artikel 11 OLW: eerlijk proces en detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan de overlevering. De opgeëiste persoon staat, mede vanwege het feit dat hij behoort tot de Roma gemeenschap, geen eerlijk proces te wachten. Ook zijn de detentieomstandigheden in Hongarije ondermaats. De raadsman heeft in dit kader onder meer verwezen naar een rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) uit 2023 en naar een bericht uit de Hongaarse media.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er is navraag gedaan bij de Hongaarse autoriteiten en er is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in de gevangenis in Tiszalök geplaatst zal worden, de enige gevangenis in Hongarije waar een algemeen gevaar voor is aangenomen.
Oordeel van de rechtbank
In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank op basis van het rapport van het CPT van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de slechte behandeling van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 Handvest.
De Hungarian Prison Service, Director General, Deputy Director for Security and Incarceration heeft bij brief met referentie XX-NBFO/791/ /2025 onder andere de volgende informatie verstrekt:
“In connection with the surrender case of the above number instigated before the competent authorities of The Netherlands based on a European arrest warrant with regard to Hungarian national [de opgeëiste persoon] (date of birth: [geboortedag] 1988), I hereby inform you about the following.
(…)
Based on the information currently available and taking into account the European Arrest Warrant issued by the Tatabánya District Court, the named is expected to be held in the Közép-dunántúli Országos BV Intézet (Central Transdanubian National Bv. Institute). After imposing a not-final custodial sentence, the person will be transported to the Szombathely National Prison as soon as possible.”
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 24 juni 2025 de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“With reference to the European Arrest Warrant (EAW) issued on 20-05-2025, concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] -1988 in [geboorteplaats] , Hungary
(ref. 3.B.133/2023/44), I would like to request you to provide me with some more additional information.
(…) can it be guaranteed that the wanted person will
not
be placed in the Tiszalök prison?”
Per e-mail van 25 juni 2025 is daarop namens de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord:
“Yes, basically the attached document is considered as a guarantee that [de opgeëiste persoon] will not be placed in the Tiszalök prison.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering niet zal worden gedetineerd in Tiszalök. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Tatabánya District Court (Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en G.S. Haas, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2025:232.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Idem.