Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:5349
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,909 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6685
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] , uit [woonplaats] , eiseressen
(gemachtigde: mr. A.I. Tsheichvili),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. H. de Groot).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Paradiso (Paradiso) te Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen de aan Paradiso verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen Paradiso en de naastgelegen voormalige fietsenkelder aan de rechterkant van Paradiso en voor het gebruik van deze fietsenkelder als wachtruimte voor bezoekers van Paradiso. Eiseressen zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘slopen, verstoren, verplaatsen of hoe dan ook wijzigen van een rijksmonument’ en ‘het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het plan een positief effect zal hebben op het woon- en leefklimaat van omwonenden. De vrees van eiseressen dat Paradiso in de toekomst een nachtclub wil realiseren in de kelder, kan de rechtbank niet bij haar beoordeling betrekken, omdat de verleende omgevingsvergunning daar niet op ziet. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
3. Met het besluit van 22 december 2022 heeft het college aan Paradiso een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen Paradiso en de naastgelegen voormalige fietsenkelder aan de rechterkant van Paradiso op de locatie [adres] . De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten 'bouwen van een bouwwerk', 'slopen, verstoren, verplaatsen of hoe dan ook wijzigen van een rijksmonument' en 'het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan'. Het college heeft het bouwplan getoetst aan het ter plekke geldende bestemmingsplan ‘Zuidelijke Binnenstad’. Het bouwplan is in strijd met artikel 29.1 van de planregels. Het college heeft ervoor gekozen om via de zogenoemde kruimelgevallenregeling buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.
4. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 op het bezwaar van eiseressen heeft het college, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering. In het besluit van 22 december 2022 heeft het college ten onrechte niet aangegeven dat een van het bestemmingsplan afwijkend gebruik van de fietsenkelder als wachtruimte voor bezoekers van Paradiso wordt toegestaan en dat ook niet wordt gemotiveerd waarom dit gebeurt. Ook is het plan in strijd met artikel 5.2 van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’. De motivering in het bestreden besluit is aangevuld door, op grond van artikel 7.1, sub b, van de regels van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’, de omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van dit bestemmingsplan. Verder heeft het college aan het bestreden besluit een ruimtelijk advies van 10 mei 2023 ten grondslag gelegd en beslist dat zowel het bouwen als het gebruik in strijd met de bestemmingsplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Tot slot heeft het college de omschrijving van de omgevingsvergunning gewijzigd in: ‘omgevingsvergunning voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen Paradiso en de naastgelegen voormalige fietsenkelder aan de rechterkant van Paradiso op de locatie [adres] en voor het gebruik van deze fietsenkelder als wachtruimte voor bezoekers van Paradiso’.
5. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7 De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen [eiseres 1] en [eiseres 3] , de gemachtigde van eiseressen, de gemachtigde van het college, [naam 1] en [naam 2] namens Paradiso en mr. A. Nijboer als waarnemer van de gemachtigde van Paradiso.
Overgangsrecht
8. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Beoordeling
9. Ter beoordeling ligt voor of het college de omgevingsvergunning voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen Paradiso en de naastgelegen voormalige fietsenkelder aan de rechterkant van Paradiso en voor het gebruik van de fietsenkelder als wachtruimte voor bezoekers van Paradiso in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Bouwen en gebruik in strijd met de bestemmingsplannen
10. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Het bestemmingsplan ‘Zuidelijke Binnenstad’
11. Eiseressen voeren aan dat, omdat het vergroten van de buitentrap, het maken van de verbinding met de kelder én het voorziene gebruik van de kelder in strijd is met het bestemmingsplan ‘Zuidelijke Binnenstad’, het college ten onrechte heeft nagelaten het plan te toetsen aan de eigen beleidsregels die gelden bij een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid (het zogeheten ‘A2-beleid’), vastgesteld op 2 juli 2019.
12. Niet in geschil is dat Paradiso in stadsdeel Centrum staat. De rechtbank oordeelt dat het zogeheten A2-beleid geldt in stadsdeel Zuid en in deze zaak daarom niet van toepassing is. Het college heeft dus terecht niet aan dit beleid getoetst.
Het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’
13. Eiseressen voeren verder aan dat het college voor het bouwen van de verbinding ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 7.1, sub b, van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’. Primair ziet dit artikel alleen op overgangsbepalingen die hier niet van toepassing zijn en subsidiair is het onjuist dat hier sprake is van een vergroting van het bouwwerk van maximaal 1%. Ter zitting hebben eiseressen zich op het standpunt gesteld dat uit de door Paradiso overgelegde tekening volgt dat de huidige kelder 295 m² is, terwijl de kelder volgens de aanvraag wordt vergroot naar 302 m². Van een vergroting van maximaal 1% kan dan geen sprake zijn, aldus eiseressen. Verder heeft het college volgens eiseressen ten onrechte niet getoetst aan de beleidsregels ‘Grondwaterneutrale kelders’.
14. Artikel 7.1, sub a, onder 1, van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’ bepaalt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
15. Op grond van artikel 7.1, sub b, van hetzelfde bestemmingsplan kan het bevoegd gezag eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.1, sub a, voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 7.1, sub a, met maximaal 1%.
16. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak onder ‘bouwwerk’ moet worden verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Naar het oordeel van de rechtbank is zowel de fietsenkelder als het pand van Paradiso aan te merken als een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig was.
17. Voor wat betreft de toepassing van artikel 7.1, sub b, van het bestemmingsplan heeft het college zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de te realiseren doorgang tussen de bestaande fietsenkelder en de onderste bouwlaag (kelder) van Paradiso een oppervlakte heeft van maximaal 2 m². Daarmee kan zowel gerekend ten opzichte van de inhoud van de kelder van Paradiso (deze kelder heeft alleen al een oppervlakte van 730 m²), als gerekend ten opzichte van de inhoud van de fietsenkelder (deze kelder heeft alleen al een oppervlakte van ongeveer 300 m²) niet worden gesproken van een vergroting van de inhoud van meer dan 1%, aldus het college. Deze motivering komt de rechtbank logisch voor. Volgens Paradiso betreft het zelfs slechts 1,77 m². Dat het om een vergroting van maximaal 2 m² gaat is ook in overeenstemming met wat de rechtbank ziet op de bouwtekeningen. Wat in de aanvraag staat is voor de rechtbank niet leidend, zij kijkt naar de tekeningen die onderdeel zijn van de omgevingsvergunning. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die tekeningen. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat de vergroting van de inhoud van de kelder onder de 1% blijft. Hiermee wordt voldaan aan de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheid van artikel 7.1, sub b, van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’.
18. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen noemenswaardige effecten voor de grondwaterhuishouding. De rechtbank wijst in dit kader ook naar de toelichting bij artikel 7.1 van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’. In de toelichting staat dat is gekozen voor een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 1%, omdat uitbreidingen op grond van het overgangsrecht binnen de doelstellingen die met het plan worden nagestreefd ongewenst zijn, gelet op de gevolgen voor de grondwaterstand en doorstroming en daarmee gepaard gaande over- en onderlast in tuinen en in de openbare ruimte. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitbreiding wel gevolgen heeft voor de grondwaterhuishouding. Voor zover eiseressen nog hebben betoogd dat het gebruik van de kelder wijzigt, waardoor ook op die wijze negatieve effecten op de grondwaterhuishouding plaatsvinden, hebben zij dat evenmin aannemelijk gemaakt.
Woon- en leefklimaat
19. Eiseressen voeren verder aan dat niet is onderbouwd dat de realisatie van het plan een positief effect zal hebben op hun woon- en leefklimaat. Het is juist aannemelijk dat het plan geen positief effect zal hebben, omdat op geen enkele manier inzichtelijk wordt gemaakt dat de kelder zal worden gebruikt voor de wachtrijen, dan wel dat de ruimte groot genoeg is voor de wachtrijen. Bovendien heeft het plan alleen betrekking op opvang van bezoekers tijdens de nachtprogrammering van Paradiso. Het is daarom ongeloofwaardig dat met het voorziene plan 90% van de wachtrijen buiten zal verdwijnen. Eiseressen verwachten juist dat er nog meer bezoekers zullen worden gehuisvest in Paradiso, wat betekent dat de wachtrijen ook langer worden. Paradiso heeft immers gecommuniceerd dat zij voornemens is om in het ondergrondse gedeelte ook een (deel van een) club te realiseren. Het college miskent dat Paradiso de zogeheten salamitactiek toepast, waarbij een groter plan wordt opgedeeld met als doel de andere partij met kleine onderdelen akkoord te laten gaan richting het grotere geheel. Voorgaande punten zijn dan ook ten onrechte niet voldoende meegewogen in het bestreden besluit, aldus eiseressen.
19. De rechtbank stelt voorop dat zij de vrees van eiseressen dat met de omgevingsvergunning ook een nachtclub is toegestaan, niet bij haar beoordeling kan betrekken. Dit gebruik is niet aangevraagd en niet vergund in de verleende omgevingsvergunning. Verder komt uit de ruimtelijke adviezen van 15 december 2022 en 10 mei 2023 naar voren dat de te realiseren wachtruimte zal worden gebruikt als een bufferruimte, waar de wachtenden voor en na de programmering worden opgevangen.
Conclusie
26. Het college heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen.
27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter, en mr. T.L. Fernig - Rocour en mr. M. Frishert, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 2.10, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.15 van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverwegingen 10.36 en 10.37.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1510.