Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:5042
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,933 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6797
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in Amsterdam (de woning) op 1 januari 2023 vastgesteld op € 632.000,-. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] en [de persoon 2] namens de gemachtigde van eiser, de heffingsambtenaar in de persoon van mr. P.E.H.A. Ingenhou en [de persoon 3] , taxateur.
Beoordeling
De waarde van de woning
2. Partijen hebben voorafgaand aan de zitting overeenstemming bereikt dat de waarde van de woning op 1 januari 2023 € 572.000,- bedraagt. De rechtbank zal de waarde van de woning dus niet beoordelen.
2.1.
Omdat de heffingsambtenaar zich in de beroepsprocedure op het standpunt heeft gesteld dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, is het beroep gegrond. In geschil is of eiser recht heeft op een vergoeding voor de in de bezwaarfase, door een andere beroepsmatig opgetreden gemachtigde verleende rechtsbijstand.
2.2.
In uitspraken van 1 mei 2025, over een soortgelijke situatie, heeft deze rechtbank geoordeeld dat recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase:
“6. Eiseres heeft in beginsel recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat het beroep gegrond wordt verklaard, de WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd en de aanslag wordt verminderd. Eiseres heeft in bezwaar verzocht om een vergoeding van de in die fase gemaakte kosten en zij heeft in die fase rechtsbijstand gehad van een beroepsmatig optredende gemachtigde, Eerlijke WOZ. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet ervan worden uitgegaan dat aan rechtsbijstand kosten zijn verbonden indien die bijstand door een derde beroepsmatig is verleend. Van een dergelijke verplichting is ook sprake als de rechtsbijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’. Daarbij is niet vereist dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al een declaratie is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van die uitspraak al zijn voldaan.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar tegenover de betwisting van eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat op eiseres geen verplichting rust of komt te rusten om aan Eerlijke WOZ een vergoeding te voldoen voor de door haar in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand. Het enkele feit dat eiseres in beroep met een andere gemachtigde procedeert dan in de bezwaarfase, maakt niet dat Eerlijke WOZ de kosten niet alsnog factureert. Dat Eerlijke WOZ het dossier heeft gesloten, zoals de heffingsambtenaar op de zitting ook heeft aangevoerd, is niet gebleken en maakt evenmin dat de kosten niet alsnog worden gefactureerd. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar evenmin in zijn argument dat eiseres geen kosten voor de bezwaarfase heeft gemaakt of zal maken omdat het bezwaar ongegrond is verklaard. Nu de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de WOZ-beschikking en de aanslag worden gewijzigd, is het bezwaar in feite gegrond en ontstaat voor eiseres de verplichting om kosten van rechtsbijstand te voldoen aan Eerlijke WOZ. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 juli 2023. De verwijzing van de heffingsambtenaar naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 november 2024 maakt het voorgaande niet anders. Het gaat er immers niet om of de gemachtigde al kosten voor de rechtsbijstand in de bezwaarfase in rekening heeft gebracht, maar of zulke kosten verschuldigd zijn of nog zullen worden. In de onderhavige zaak is niet aannemelijk geworden dat eiseres geen kosten voor de bezwaarfase aan Eerlijke WOZ verschuldigd is of wordt. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat hetzelfde Gerechtshof Den Haag bij arrest van 9 januari 2024 tot een andere conclusie is gekomen dan in het door verweerder aangehaalde arrest van 20 november 2024. Ook om die reden kan aan laatstgenoemd arrest in deze zaak geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.”
2.3.
Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat tegen die uitspraak geen hoger beroep zal worden ingesteld en dat de proceskosten in bezwaar dus worden vergoed, ook met het oog op toekomstige zaken. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de proceskosten in bezwaar in de voorliggende zaak van eiser ook zal vergoeden.
Geschil
3.1.
Eiser stelt dat de proceskosten in de bezwaarfase moeten worden vermenigvuldigd met 0,25, op grond van het recht dat gold ten tijde van de bestreden uitspraak op bezwaar.
3.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de proceskosten in de bezwaarfase moeten worden vermenigvuldigd met 0,125, op grond van het recht zoals dat nu geldt, omdat het moment van beslissen maatgevend is.
3.3.
De rechtbank is dit met de heffingsambtenaar eens. De proceskosten in de bezwaarfase worden op grond van het op 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ vermenigvuldigd met een factor, “om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding [. . .] te verkrijgen.” Sinds 1 januari 2025 bedraagt de vermenigvuldigingsfactor 0,125. Deze bepaling heeft onmiddellijke werking. Dit betekent dat in de uitspraak de proceskosten in de bezwaarfase in beginsel met 0,125 moeten worden vermenigvuldigd.
3.4.
Eiser stelt dat de in 2024 geldende vermenigvuldigingsfactor 0,25 moet worden toegepast, omdat de heffingsambtenaar pas in beroep heeft geconcludeerd dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld, terwijl hij in bezwaar al over exact dezelfde gegevens beschikte en die conclusie dus toen al had kunnen trekken. Uit de toelichting van de gemachtigde van eiser tijdens de zitting, begrijpt de rechtbank dat eiser zich hiermee beroept op ‘bijzondere omstandigheden’ zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ, tweede volzin, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Bpb.
3.5.
Het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als in artikel 2, derde lid van het Bpb. Naar vaste rechtspraak moet de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend worden toegepast. Van bijzondere omstandigheden is sprake als de heffingsambtenaar een besluit neemt of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden of bij een verregaande mate van onzorgvuldig handelen van de heffingsambtenaar. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden die eiser aanvoert, aangemerkt moeten worden als bijzondere omstandigheden. Er zijn dus geen aanknopingspunten om af te wijken van de sinds 1 januari 2025 in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ opgenomen vermenigvuldigingsfactor 0,125.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat de proceskosten in de bezwaarfase met 0,125 moeten worden vermenigvuldigd.
Conclusie
4. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De kosten van rechtsbijstand worden met toepassing van het Bpb vastgesteld op een bedrag van € 161,75 voor de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- vermenigvuldigd met 0,125) en € 453,50 voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,- vermenigvuldigd met een factor 0,25). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 615,25 (€ 161,75 + € 453,50).
5. Het griffierecht en de vergoeding voor de proceskosten moeten rechtstreeks aan eiser worden betaald.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar, voor zover de WOZ-waarde van de woning is vastgesteld op € 632.000,-;
- stelt de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2024 vast op € 572.000,-;
- bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling aan eiser van € 615,25 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter,
in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummers AMS 24/6814, 24/6812, 24/6807.
Zie de arresten van 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, en van 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1653 en de uitspraak van deze rechtbank van 18 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5190.
ECLI:NL:RBAMS:2023:5190
ECLI:NL:GHDHA:2024:67
Memorie van Toelichting, TK, vergaderjaar 2023 - 2024, 36 427, nr. 3, p.8.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Memorie van Toelichting, TK, vergaderjaar 2023 - 2024, 36 427, nr. 3, p.24.
Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415 (overweging 3.4.3.)..
Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 (overweging 3.2.).
Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975 (overweging 3.5.).
Artikel 30a, tweede lid, onder a, van de Wet WOZ.
Artikel 30a, vierde en vijfde lid van de Wet WOZ.