Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:5017
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,715 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/142680-25 (EAB III)
Datum uitspraak: 2 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 12 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2025 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Fakiri, advocaat in Den Haag, en door een tolk in de Poolse taal.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt als grondslag:
1. Een vonnis van the District Court in Środa Wielkopolska van 3 november 2023 (referentie: II K 322/23), amended by the judgment of the Regional Court in Poznań van 10 mei 2024 (referentie: IV Ka 213/24);
2. Een vonnis van the District Court in Środa Wielkopolska van 15 februari 2024 (referentie: II K 528/23).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van:
één jaar en tien maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 29 dagen,
acht maanden, welke straf volgens het EAB nog geheel resteert,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Voor zover de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft getekend, was hij niet op de hoogte van de inhoud daarvan. Op grond van de informatie in het EAB kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de datum en de plaats van de zittingen of van zijn recht om appel in te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide vonnissen kan worden afgezien van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en de correspondentie ook daadwerkelijk is verstuurd naar het door hem opgegeven adres. De adresinstructie strekte zich tevens uit over het hoger beroep tegen het vonnis met referentie II K 322/23. Gelet op deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het arrest met referentie IV Ka 213/24
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat dit in deze zaak het geval is en dat het arrest van the Regional Court in Poznań van 10 mei 2024 (referentie: IV Ka 213/24) aan artikel 12 OLW getoetst dient te worden.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 mei 2025 blijkt namelijk niet dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting die tot het arrest heeft geleid. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de verstrekte aanvullende informatie niet uitdrukkelijk blijkt dat de adresinstructie zich ook uitstrekt over de procedure in hoger beroep en evenmin hoe de opgeëiste persoon dit had moeten begrijpen. Ook ontbreekt informatie over wie het hoger beroep heeft ingesteld. De rechtbank kan zich er daarom niet van vergewissen dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt.
De rechtbank stelt vast dat het Internationaal Rechtshulpcentrum al uitdrukkelijk aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gevraagd of de opgeëiste persoon erover geïnformeerd is dat de verplichting om een adreswijziging door te geven tevens zag op de procedure in hoger beroep. Nu geen concreet antwoord is gegeven op die vraag in de aanvullende informatie van 21 mei 2025, ziet de rechtbank geen aanleiding deze vraag opnieuw aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te (laten) stellen.
De rechtbank zal de overlevering dan ook weigeren voor de in het EAB vermelde feiten 1 tot en met 5 die ten grondslag liggen aan dit arrest.
ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het vonnis met referentie II K 528/23
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek als verdachte is gehoord, dat hij een adresinstructie heeft ontvangen en dat hij een adres heeft opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie. In deze adresinstructie is de opgeëiste persoon onder meer gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven.
Conclusie
De rechtbank stelt ten aanzien van het feit dat ten grondslag ligt aan het vonnis met referentie II K 528/23 vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor dat feit toe. Voor het overige weigert de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van 8 maanden die is opgelegd bij het vonnis met referentie II K 528/23 voor het feit waarvoor overlevering wordt toegestaan.
WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van 1 jaar en 10 maanden die is opgelegd voor de in onderdeel e) van het EAB vermelde feiten 1 tot en met 5 bij het arrest van 10 mei 2024 met referentie IV Ka 213/24.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James - Pater en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie o.a. Rb. Amsterdam 23 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3245.