Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:5003
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,947 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/127951-21
Datum uitspraak: 20 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistatie Personen op het adres:
[BRP-adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H.J. Bals, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
Feit 1
het witwassen van een geldbedrag van € 138.680,- op 14 mei 2021 te Amsterdam;
Feit 2
het witwassen van een Audi RS3 en een Piaggio MP3 500LT in de periode van januari 2021 tot en met 14 mei 2021 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich met de officier van justitie op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde kan worden bewezen en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde.
3.3.
Beoordeling
Vrijspraak feit 2 (Witwassen Audi RS3 en Piaggio MP3 500LT)
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de Audi RS3 en de Piaggio MP3 500LT – middellijk of onmiddellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Feit 1 (Witwassen van een geldbedrag van € 138.680,-)
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het aangetroffen geldbedrag in de auto lag waarin hij als bijrijder zat en dat hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Op basis van deze bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat een geldbedrag van € 138.680,- in een verborgen ruimte in deze auto is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van dit geldbedrag door de vindplaats en de verplaatsing hiervan te verbergen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 14 mei 2021, te Amsterdam, van een geldbedrag van €138.680,-,
Sub ade vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en,
Sub b- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf voor de duur van 180 uren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken. Het aangetroffen geldbedrag in de auto waarin verdachte als bijrijder zat, was niet alleen van misdrijf afkomstig, maar ook bestemd voor de aankoop van verdovende middelen. Gelet op de aangetroffen gesprekken in de telefoon van verdachte, waaruit volgt dat hij vaker als tussenpersoon fungeerde bij dergelijke transacties, hetgeen de verdachte toen hij ter zitting terugblikte op die periode in zijn leven ook met zoveel woorden heeft erkend, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een grotere rol heeft gehad dan medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte stond ook in onderhavige zaak in contact met de koper en de verkoper en was daarmee feitelijk de spil achter de nog plaats te vinden transactie. De rechtbank ziet hierin aanleiding om hem dit feit zwaarder aan te rekenen dan de medeverdachte. Dat er in onderhavige zaak geen medeplegen van het witwassen ten laste is gelegd, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 27 november 2024, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor witwassen gaat de rechtbank uit van de oriëntatiepunten voor fraudedelicten. Hieruit volgt dat bij een benadelingsbedrag van
€ 138.600,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden op zijn plaats is.
De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 14 mei 2021, nu verdachte er door zijn inverzekeringstelling op dat moment in redelijkheid vanuit kon gaan dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld ter zake van het toen geconstateerde feit. Nu het vonnis zal worden uitgesproken op 20 februari 2025 is de redelijke termijn met meer dan 21 maanden overschreden. Deze vertraging is niet aan verdachte te wijten. De rechtbank zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden, door ten aanzien van de op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te volstaan met de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het overige gedeelte zal de rechtbank kiezen voor een andere strafmodaliteit, in de vorm van een taakstraf. De rechtbank ziet vanwege het grote tijdsverloop en het feit dat er geen hulpvraag bestaat bij verdachte, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte ter zitting volledige openheid van zaken heeft gegeven.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden.
8Het beslag
Onder verdachte is het saldo van zijn ABN-AMRO bankrekening op 21 juni 2021 in beslag genomen.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen saldo dient te worden teruggegeven aan verdachte.
8.2.
Beoordeling
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het inbeslaggenomen saldo.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 (negenendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
- 1 1 STK saldo ABN-AMRO bankrekening 21-06-2021 (G6068772).
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en L. Noyon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2025.
[---]
1 [---]
[---]
2 [---]
[---]