Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:4841
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,491 tokens
Inleiding
Vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.211614.24 Parketnummer vordering tul: 15.042690.22
Datum uitspraak: 20 februari 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[detentie adres]
.
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 6 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Paardekooper en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.F.M. Meles, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker kinderbescherming], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [mederwerker jeugdbescherming], namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [coach], de BRO coach, en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de deskundigen J. Richards (kinder- en jeugdpsychiater) en T. den Boer (GZ-psycholoog) ter zitting naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) scherfhandgranaat (type M75), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad;
(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen
gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen, stoffen en/of vervoermiddelen, te weten een explosief, zijnde een scherfhandgranaat (type M75), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad.
(art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Uit de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, volgt dat verdachte de handgranaat voorhanden had en overeenkomstig de kennelijke bestemming, namelijk om een ontploffing te weeg te brengen, wilde gebruiken. Duidelijk is dat verdachte niet alleen handelde, maar in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om ten aanzien van het voorhanden hebben van de handgranaat een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer andere personen vast te stellen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw primair vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring voor opzet, al dan niet in de voorwaardelijke vorm. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de verdediging niet worden afgeleid dat de opzet van verdachte was gericht op de criminele bestemming van de handgranaat. Verdachte kreeg de handgranaat mee met de opdracht om deze tot ontploffing te brengen bij een woning. Verdachte wilde dat niet doen en heeft dat ook niet gedaan. Het feit dat verdachte direct heeft gezegd dat hij het niet wilde doen, maakt dat er dus geen sprake was van opzet op het misdrijf. Dat wordt ondersteund door de getuigenverklaring van zijn vriendin. De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit verdachte vrij te spreken van het medeplegen van de voorbereidingshandelingen. Uit het dossier blijkt onvoldoende op welke uitvoeringshandelingen de voorbereidingshandelingen betrekking zouden hebben.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat op 30 juni 2024 in de kamer van verdachte een tas is aangetroffen met daarin een handgranaat. Verdachte werd kort daarna aangehouden. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte de dag ervoor met een vriend had afgesproken en van hem de tas overhandigd kreeg. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij op dat moment in de tas keek en zag dat er iets in de tas zat dat leek op een handgranaat. Verdachte heeft de tas vervolgens meegenomen naar zijn woongroep. Diezelfde avond werd verdachte gebeld door dezelfde vriend, die hem de opdracht gaf om de handgranaat bij [adres] neer te leggen. Die avond hebben verdachte en zijn vriend telefonisch nog twintig keer contact gehad. Verdachte is die nacht samen met twee anderen in de omgeving van [adres] rond gaan lopen. Ook de volgende ochtend was verdachte weer in deze omgeving te vinden. De begeleiders van de woongroep van verdachte zagen dat hij zich die ochtend vreemd gedroeg en troffen in zijn slaapkamer de tas aan met daarin de handgranaat.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte dat feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte heeft de handgranaat van zijn vriend overhandigd gekregen. Uit het veelvuldige telefonische contact daarna, waarbij volgens verdachte is gesproken over de handgranaat en wat verdachte hiermee zou moeten doen, concludeert de rechtbank dat de medeverdachte nog macht over de handgranaat kon uitoefenen. De rechtbank is van oordeel dat aldus sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van de handgranaat.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd onder 2, moet de rechtbank beoordelen of verdachte (samen met medeverdachte) de aangetroffen handgranaat voorhanden heeft gehad, of die handgranaat bestemd was om een ontploffing teweeg te brengen en of verdachte opzet had om een dergelijke ontploffing voor te bereiden.
Een handgranaat is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm geschikt om een ontploffing teweeg brengen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte de handgranaat ook met dat doel voorhanden. Verdachte heeft de handgranaat van de medeverdachte aangenomen en vervolgens is hij met de plastic tas met de handgranaat naar zijn woongroep in Geuzeveld gegaan en heeft de handgranaat op zijn kamer bewaard.
Motivering
9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van voorarrest en de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna te noemen: de PIJ-maatregel).
9.2.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is een laatste redmiddel en dient pas aan de orde te komen als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. De verdediging is het met de deskundigen eens dat een strak kader noodzakelijk is, maar de stap naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is echt te groot. Er zijn nog mogelijkheden qua behandeling buiten het onvoorwaardelijke kader. Dat zou op zijn minst onderzocht en overwogen moeten worden en uit de huidige rapportages blijkt onvoldoende dat dit is gebeurd.
9.3.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij het bepalen van de maatregel en vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoonlijke omstandigheden en de persoon van verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met zijn mededader voorbereidingen getroffen om een ontploffing te veroorzaken bij een woning in Amsterdam. Dit zou moeten gebeuren met een handgranaat, die verdachte in zijn bezit heeft gehad. Dit is een zeer ernstig feit. Uit het rapport explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het ging om een complete en intacte scherfhandgranaat van het type M75P33 (met bijbehorende transportcontainer). Dit type handgranaat werd geproduceerd door de fabrikant Slavko Rodic uit Bugojno (Bosnië-Herzegovina) en is in gebruik geweest bij het voormalige Joegoslavische volksleger. De scherfwerking van deze handgranaat vormt bij activering, door het wegslingeren van de circa 2500 metalen kogeltjes, het grootste gevaar op letsel en schade. Hierdoor bestaat – naast materiële schade – ook gevaar voor dodelijk letsel. Dat de handgranaat niet tot explosie is gekomen, is niet aan de verdachte te danken, maar aan het adequate optreden van de begeleiders van de woongroep en de politie waardoor de handgranaat
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren. Dit soort feiten raken niet alleen de veiligheid van de mensen die in de buurt van de ontploffing zijn, maar brengen ook gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee in de samenleving. De impact van een explosie is immers niet alleen heel groot op bewoners of aanwezigen in het pand, maar ook op omwonenden en de maatschappij. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hierbij een rol heeft gehad.
Persoonlijke omstandigheden en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan 9 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor meerdere winkelovervallen en straatroven. Verdachte was op dat moment van het plegen van dit strafbare feit bovendien net drie dagen geschorst uit voorlopige hechtenis van een ander strafbaar feit. De rechtbank heeft rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de veroordeling van verdachte in juli 2024.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
het Pro Justitia rapport van 17 december 2024 van het klinisch multidisciplinair onderzoek op de Observatieafdeling Teylingereind, opgemaakt door drs. J. Richards, GZ-psycholoog en drs. T. den Boer, kinder- en jeugdpsychiater;
het strafadvies van de Raad opgemaakt op 3 februari 2025;
rapport van JBRA opgemaakt op 31 januari 2025;
Uit het rapport van de psychiater en de psycholoog van 17 december 2024 kan het volgende worden geconcludeerd. Verdachte is opgegroeid op binnen een situatie waarin de rode draad is dat sprake was van emotionele tekortkomingen, onveiligheid vanwege mishandelingen en wisselingen van opvoedsituaties en opvoeders. Dit heeft bij verdachte geleid tot het ontwikkelen van hechtingsproblematiek met een angstige danwel vermijdende stijl. In de loop van de jaren is een hardnekkig patroon ontstaan van antisociaal gedrag dat in frequentie en ernst is toegenomen. Inzet van hulpverlening en justitieel ingrijpen kon dit patroon niet doorbreken of keren. De beperkte aanwezigheid van gewetenswroeging van verdachte is daarbij zorgelijk. De combinatie van de hechtingsproblematiek en de normoverschrijdende gedragsstoornis vormt de achtergrond van de nu gesignaleerde zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale tendensen en een (over)gevoeligheid voor krenking. Die krenking wordt door verdachte afgeweerd door controle over of druk op de ander uit te oefenen, (ook) juist als dat mensen zijn waar hij gezag van zou moeten accepteren. Naast bovengenoemde pathologie is er reeds een aantal jaren sprake van intensief en dagelijks cannabisgebruik, waarbij gewenning optreedt en bij onthouding sprake is van nachtzweten en slaapproblemen. De functie van het gebruik is om negatieve gevoelens te dempen en meer te kunnen ontspannen. Het heeft in die zin een zelfmedicerend karakter. Opgemerkt wordt dat het gebruiken van wiet bij verdachte voor een toename in achterdocht zorgt, hetgeen hij niet ervaart bij het gebruiken van hasj.
De hiervoor beschreven psychopathologisch bepaalde beperkingen kennen een duurzaam
patroon, waarbij de gedragsstoornis zich reeds op de basisschool heeft gevormd. De stoornis
in het gebruik van cannabis speelt reeds enkele jaren. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten
voldeed verdachte aan de criteria van beide stoornissen. Tegelijk is er geen pathologische
beïnvloedbaarheid gesignaleerd, terwijl de impuls- en emotieregulatie, alsook het vermogen
om de consequenties van eigen handelen te overwegen, als leeftijdsadequaat worden
beschouwd. Onderzoekers zien in de tenlastegelegde feiten dus geen aspecten die een
dwingend beroep doen op beperkingen bij verdachte, afgezien van het beroep op het (snel)
verdienen van geld, indien bewezen. Dit maakt dat onderzoekers in de tenlastegelegde feiten
(zowel het voorhanden hebben van een handgranaat, als het hiervan tot ontploffing willen
brengen) - indien bewezen geacht - geen gedragskundige basis zien om te komen tot een
advies om hem deze feiten verminderd toe te rekenen.
Samenhangend met de geconstateerde psychopathologie, achten de onderzoekers een langdurig behandeltraject noodzakelijk, dat tegemoetkomt aan de ernst van de gedragsproblematiek enerzijds en aan de tekortkomingen vanuit verdachtes ontwikkeling anderzijds. Eerder ingezette interventies, al dan niet van strafrechtelijke aard, hebben niet bijgedragen aan een gunstige wending in zijn ontwikkeling. De PIJ-maatregel biedt het noodzakelijke kader en de behandeling die verdachte nodig heeft om zo gunstig mogelijk te kunnen ontwikkelen. Er wordt, gelet op het risico van gewelddadig gedrag, een noodzaak gezien voor een beveiligde omgeving. Dit leidt tot het advies verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Dit kader wordt als enige en noodzakelijke kader gezien om tegemoet te kunnen komen aan de benodigde behandeling van langere duur binnen een gesloten en beveiligde context.
Tijdens de terechtzitting van 6 februari 2025 hebben de deskundigen het advies om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, nader toegelicht. Een PIJ-maatregel in het voorwaardelijke kader en ook de mogelijkheid van een civiele maatregel is overwogen. Gelet op de problematiek van verdachte, wordt het evenwel noodzakelijk geacht dat verdachte onderworpen wordt aan pedagogische en forensische zorg binnen een setting met een bepaald beveiligingskader. Alleen een PIJ-maatregel kan dit bieden.
De Raad heeft zich in zijn advies en ter zitting geconformeerd aan het advies van de deskundigen. De Raad gunt verdachte een langdurige behandeling met een onvoorwaardelijke behandelgarantie, zodat zijn ontwikkeling ten goede kan worden gekeerd.
Ook JBRA sluit zich aan bij het advies tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Ter zitting heeft JBRA toegelicht dat zij, naar aanleiding van een recent werkbezoek, nog een optie voor een (klinische) behandeling in het voorwaardelijk kader heeft onderzocht.
Dictum
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7;
en
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 240 (tweehonderdveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK Handgranaat (Omschrijving: PL1300-2024153270-G6520964);
1. STK Patroon (Omschrijving: PL1300-2024153270-G6520876).
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in parketnummer 15.042690.22.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K. Duker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K.M. van Hassel en A. van Luijck, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2025.
Inleiding
Ook is hij, na het krijgen van de opdracht om de handgranaat tot ontploffing te brengen bij een woning, binnen een etmaal tot tweemaal toe naar (de omgeving van) die woning gegaan en heeft hij daar lange tijd rondgelopen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte opzet had op het voorbereiden van een nog te plegen misdrijf, te weten een ontploffing. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gelet op de intensiteit van de gesprekken tussen verdachte en zijn medeverdachte, sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot de uitvoering van het plegen van een misdrijf, dat voor wat betreft de voorbereidingshandelingen van medeplegen sprake is.
De verklaring van verdachte, dat hij niets van plan was met de handgranaat past niet in de hier boven beschreven gang van zaken en schuift de rechtbank daarom terzijde. Daarbij wijst de rechtbank er ook op dat deze verklaring op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. De brief van de vriendin van de verdachte welke het relaas van verdachte zou ondersteunen, overtuigt de rechtbank in dat verband niet.
Concluderend kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, samen met een ander, voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, zoals onder 2 ten laste is gelegd.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een scherfhandgranaat type M75, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk een voorwerp, te weten een explosief, zijnde een scherfhandgranaat type M75, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
6Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van verdachte
Vrijwillige terugtred
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft uit eigen beweging afgezien van het verlenen van verdere medewerking aan de voorbereidingshandelingen.
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval.
De rechtbank is van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte, zoals bij de waardering van het bewijs beschreven, niet kan worden afgeleid dat hij vrijwillig is teruggetreden. De voorbereidingshandelingen van verdachte zijn slechts gestopt door het handelen van de begeleiders van de woongroep van verdachte. Zij zagen dat verdachte zich verdacht gedroeg en troffen in zijn kamer de handgranaat aan. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat sprake is geweest van een externe factor, en dus niet van de wil van verdachte afhankelijke omstandigheden, die de voltooiing van het misdrijf heeft voorkomen. Op grond hiervan verwerpt de rechtbank het beroep op vrijwillige terugtred.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte anderszins uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Beoordeling
Dat bleek echter niet haalbaar en heeft dus niet tot een ander advies geleid. JBRA gunt verdachte een langdurig behandeltraject waarin hij een vertrouwensrelatie kan aangaan.
De rechtbank neemt voornoemde adviezen over en maakt deze tot de hare.
PIJ-maatregel
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zal worden veroordeeld voor feiten die misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psychiater en de psycholoog rapporteren, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Uit de rapportages en adviezen leidt de rechtbank af dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van verdachte. De afgelopen jaren is verdachte veelvuldig in aanraking gekomen met politie en justitie voor ernstige feiten. Verdachte is meermaals in een JJI geplaatst en uit voorlopige hechtenis geschorst geweest, maar dit heeft er niet toe geleid dat hij niet opnieuw met politie in aanraking kwam. Het is hem herhaaldelijk niet gelukt om zich te houden aan zijn (bijzondere) voorwaarden en afspraken bij de woonplekken waar hij heeft gewoond. Ook is al langere tijd hulpverlening bij verdachte betrokken. Dat heeft onvoldoende gewenst effect gehad. De geconstateerde psychopathologie, de reeds ingezette voorwaarden, interventies en hulpverlening en het geconstateerde gebrek aan intrinsieke motivatie bij verdachte, maken dat een langdurig behandeltraject in de beveiligde setting van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is. De behandelmogelijkheden buiten het onvoorwaardelijke kader zijn naar het oordeel van de rechtbank door verschillende instanties voldoende onderzocht. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat verdachte met de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel de hulp krijgt die hij nodig heeft.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie en anders dan de verdediging – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen vereisen het opleggen van een PIJ-maatregel. Ook is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Jeugddetentie
De rechtbank zal de feiten, gelet op het advies van de deskundigen, aan verdachte toerekenen. Gezien de ernst van de feiten en de documentatie van verdachte, is het opleggen van een jeugddetentie dan ook passend. Nu verdachte in het kader van de aan hem op te leggen PIJ-maatregel onder behandeling zal komen te staan en de rechtbank het wenselijk vindt dat deze behandeling snel zal aanvangen, zal zij – in navolging van de eis van de officier van justitie – aan verdachte een jeugddetentie opleggen van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest.
10Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. STK Handgranaat (Omschrijving: PL1300-2024153270-G6520964);
2. 1 STK Patroon (Omschrijving: PL1300-2024153270-G6520876).
Onttrekking aan het verkeer
Nu met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan danwel zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
11Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 september 2024 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15.042690.22.
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat de opgelegde voorwaardelijke straf al volledig ten uitvoer is gelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in Amsterdam van 5 juli 2024 (met parketnummer 13-213108-23).
12Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 46, 47, 36b, 36c, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77s en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.