Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:4608
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,282 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1523
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. Mulder),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
(gemachtigde: mr. C. Lubberts).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf 1] uit [locatie] (de ex-werkgever)
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over maatregelen die het Uwv heeft opgelegd aan eiser, waarmee het de Ziektewetuitkering van eiser heeft verlaagd. Eiser is het niet eens met de opgelegde maatregelen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregelen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de laatst opgelegde maatregel vast te stellen op 37,5% in plaats van 100%. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met besluiten van 21 juni 2022 en 29 juni 2022 en met vier besluiten van13 oktober 2022 heeft het Uwv in totaal zes maatregelen opgelegd en daarbij eisers Ziektewetuitkering met verschillende percentages over verschillende periodes verlaagd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2023 is het Uwv bij die besluiten gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
Met de uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv een deel van de maatregelen niet goed heeft onderbouwd. Om die reden heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van18 januari 2023 vernietigd voor zover dat betreft de maatregelen 3, 4, 5 en 6 en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.3.
Met het in dit beroep bestreden besluit van 20 februari 2024 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en twee van de zes opgelegde maatregelen verlaagd.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser, vergezeld door zijn collegamr. S.A.H. Rosendahl. Het Uwv heeft zich afgemeld voor de zitting. Ook de ex-werkgever was niet aanwezig.
Beoordeling
Geen toestemming voor het delen van medische gegevens
3. Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met zijn ex-werkgever, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en zullen de medische klachten van eiser slechts in algemene zin worden benoemd.
Wat aan de procedure vooraf ging
4. Eiser heeft gewerkt bij de ex-werkgever als [functie]. De ex-werkgever is eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet. Eiser is op 29 juni 2021 ziek uitgevallen voor dit werk wegens psychische klachten. Vervolgens is hij aangemeld bij het door deex-werkgever ingeschakelde re-integratiebureau [bedrijf 2] voor een re-integratietraject.
4.1.
In de periode van 21 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022 heeft het Uwv eiser verschillende maatregelen opgelegd met betrekking tot zijn Ziektewetuitkering, omdat eiser onder andere niet op afspraken met zijn re-integratiecoach is verschenen. De ex-werkgever had om de maatregelen gevraagd met bij het Uwv ingediende formulieren. Bij die formulieren en op verzoek van het Uwv heeft de ex-werkgever informatie van dere-integratiecoach aangeleverd.
4.2.
Met een maatregel van 21 juni 2022 (maatregel 1) heeft het Uwv eisers uitkering verlaagd met 25% voor de periode 13 mei 2022 tot en met 12 september 2022. Met een maatregel van 29 juni 2022 (maatregel 2) heeft het Uwv eisers uitkering verlaagd met 5% voor de periode 21 juni 2022 tot en met 20 juli 2022. Met vier maatregelen van13 oktober 2022 (maatregelen 3, 4, 5 en 6) heeft het Uwv eisers uitkering verlaagd met respectievelijk 37,50%, 56,25%, 84,37% en 100% over de perioden 19 juli 2022 tot en met 18 november 2022, 2 augustus 2022 tot en met 1 december 2022, 30 augustus 2022 tot en met 29 december 2022 en 14 september 2022 tot en met 13 januari 2023.
4.3.
Met de uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat maatregelen 3, 4, 5 en 6 onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank overweegt dat het percentage van de korting van deze maatregelen afwijkt van het standaard percentage en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom. Meer specifiek is het de rechtbank niet duidelijk hoe het Uwv voor de maatregelen 4, 5 en 6 komt op kortingen van respectievelijk 56,24%, 84,37% en 100%. Het Uwv heeft niet gemotiveerd of is afgeweken van de standaard kortingspercentages wegens vermeende recidive dan wel vergrote verwijtbaarheid.
4.4.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv maatregelen 1, 2, 3 en 6 – met een nadere motivering – in stand gelaten en het kortingspercentage van maatregelen 4 en 5 verlaagd naar 37,5%. Wat betreft maatregelen 3, 4 en 5 is volgens het Uwv sprake van het niet naleven van een verplichting uit de derde categorie, zoals bedoeld in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (het Maatregelenbesluit). Daarvoor geldt een standaard kortingspercentage van 25%. Omdat in de afgelopen twee jaar al eerder een maatregel aan eiser is opgelegd (recidive) wordt het kortingspercentage op grond van artikel 8 van het Maatregelenbesluit met 50% verhoogd tot 37,5%. Maatregel 3 was al vastgesteld op 37,5% en het Uwv heeft maatregel 4 en 5 (over de periode 2 augustus 2022 tot en met 29 december 2022) aldus gewijzigd. Maatregel 6 blijft in stand omdat eiser na het opleggen van meerdere maatregelen binnen twee jaar is blijven volharden in het niet naleven van dezelfde verplichting, wat volgens het Uwv reden is voor een maatregel van 100%.
Standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat het Uwv nog steeds niet, dan wel onvoldoende, gemotiveerd heeft waarom de forse kortingen in stand zijn gelaten. Zo heeft het Uwv niet onderbouwd waar het vermeende recidiverend handelen uit bestaat. Zelfs als sprake zou zijn van recidiverend handelen, dan nog kan de totale korting van de Ziektewetuitkering niet meer dan 37,5% bedragen. Maatregel 6 kan dus geen stand houden. Verder voert eiser aan dat het Maatregelenbesluit een discretionaire bevoegdheid bevat. Ook als wordt aangenomen dat een verhoogde korting kan worden opgelegd, geldt dat dit geen verplichting is. De keuze voor een hoger percentage dient zorgvuldig te worden gemotiveerd en dit heeft het Uwv niet gedaan. Daarbij geldt als relevante omstandigheid dat eiser vanaf november 2022 (medisch) niet in staat was om re-integratie-inspanningen te verrichten. Dit kan verklaren waarom hij afspraken niet is nagekomen. Volgens eiser is sprake van verminderde verwijtbaarheid. Tot slot voert eiser aan dat hij door de korting van 100% in grote financiële problemen geraakt.
Overwegingen
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen maatregelen 1 en 2. De rechtbank beperkt zich daarom tot een bespreking van maatregelen 3, 4, 5 en 6.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 45 van de Ziektewet bepaalt dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend moet weigeren in de daarin genoemde gevallen. Dit is verder uitgewerkt in het Maatregelenbesluit waarin, voor zover relevant, in artikelen 2 en 8 dwingend is voorgeschreven wat de minimale en/of maximale hoogte en duur van de op te leggen maatregelen is. Van een discretionaire bevoegdheid is in zoverre geen sprake. Wel is het aan het Uwv om, waar het Maatregelenbesluit bandbreedtes geeft, in ieder individueel geval de hoogte en de duur van de maatregelen binnen die bandbreedtes vast te stellen. Hierbij hanteert het Uwv de Beleidsregel maatregelen UWV (de Beleidsregel). De rechtbank zal hierna toetsen of de opgelegde maatregelen in overeenstemming zijn met deze wet- en regelgeving en of het Uwv daarbij gehandeld heeft in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
6.2.
De rechtbank overweegt dat in de besluiten waarmee de maatregelen zijn opgelegd, staat vermeld dat eiser niet heeft meegewerkt aan het opstellen van eenre-integratieplan, niet op spreekuur is verschenen en zich niet of onvoldoende heeft gehouden aan regels die in het re-integratieplan staan. Verder staat in de beslissing op bezwaar van 18 januari 2023 dat eiser herhaaldelijk niet is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts en/of afspraken met zijn re-integratiecoach niet is nagekomen. Eiser heeft niet betwist dat hij deze re-integratieafspraken/-verplichtingen niet is nagekomen. Met de verwijzing naar, en samenvatting van deze besluiten in het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waar het recidiverend handelen uit bestaat. Het standpunt van eiser dat het Uwv dit niet voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd volgt de rechtbank daarom niet.
6.3.
In de uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat bij eiser verwijtbaarheid ten aanzien van het niet nakomen van zijn re-integratieverplichtingen ontbreekt of dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Eiser heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van23 december 2024 overgelegd waaruit volgt dat er ernstige medische beperkingen bij eiser aanwezig waren. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat hiermee sprake is van nieuwe informatie die tot een ander oordeel over de verwijtbaarheid van eiser moet leiden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet de rechtbank geen wezenlijk andere informatie dan al bekend was en meegewogen is in de uitspraak van 8 november 2023. Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nu anders te oordelen over eisers verwijtbaarheid.
6.4.
Over de hoogte van maatregelen 3, 4 en 5 overweegt de rechtbank dat bij het niet naleven van een verplichting uit de derde categorie, standaard een maatregel met een kortingspercentage van 25% wordt opgelegd. Dit percentage wordt verhoogd met 50% indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, zodat sprake is van recidive. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, van het Maatregelenbesluit. Het kortingspercentage van de maatregel is in dat geval dus 37,5%. Dit is het percentage dat het Uwv aan eiser heeft opgelegd in maatregelen 3, 4 en 5. Nu het Uwv, zoals hiervoor al is geoordeeld, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv maatregelen 3, 4 en 5 overeenkomstig het Maatregelenbesluit en op goede gronden heeft opgelegd.
6.5.
Over de hoogte van maatregel 6 oordeelt de rechtbank anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat de achtergrond van het geheel of gedeeltelijk weigeren van ziekengeld is dat dit als prikkel dient voor uitgevallen werknemers om mee te werken aan hunre-integratie. Artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel bepaalt dat indien de betrokkene, nadat toepassing is gegeven aan artikel 8 van het Maatregelenbesluit (de verhoogde korting in geval van recidive), blijft volharden in het niet naleven van dezelfde niet termijngebonden verplichting, het percentage van de maatregel verhoogd wordt tot het maximum, genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Maatregelenbesluit (dat wil zeggen 100%). De rechtbank overweegt dat maatregelen 3, 4, 5 en 6 op dezelfde datum zijn opgelegd. Met andere woorden, als een betrokkene blijft volharden in het niet naleven van een verplichting kan, nadat eerst een reguliere maatregel en vervolgens een recidivemaatregel (met 50% verhoging) is opgelegd, als een laatste ultieme prikkel een maatregel met een kortingspercentage van 100% opgelegd worden. Omdat de maatregelen 3 tot en met 6 – de recidivemaatregelen en de 100% maatregel – op dezelfde datum zijn opgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van volharding in het niet naleven van dezelfde verplichting na toepassing van artikel 8 van het Maatregelenbesluit, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel. Eiser heeft immers niet de gelegenheid gehad om na oplegging van de recidivemaatregel zijn gedrag aan te passen. Het Uwv had niet gelijktijdig met maatregel 3, 4 en 5 (de recidivemaatregelen) een maatregel van 100% op mogen leggen. Over deze laatste periode had het Uwv conform wet- en regelgeving ook een verhoging van 50%, dat wil zeggen een korting van 37,5%, moeten toepassen.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover dat betrekking heeft op maatregel 6. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en het primaire besluit van13 oktober 2022 met betrekking tot de opgelegde korting over de periode 14 september 2022 tot en met 13 januari 2023 (maatregel 6) te herroepen. De rechtbank stelt maatregel 6 vast op 37,5%. Dit betekent dat de Ziektewetuitkering van14 september 2022 tot en met13 januari 2023 met 37,5% (in plaats van 100%) verlaagd wordt. De overige maatregelen blijven ongewijzigd. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op maatregel 6;
herroept het besluit van 13 oktober 2022 met betrekking tot maatregel 6, stelt de hoogte van de korting van de Ziektewetuitkering van eiser over de periode14 september 2022 tot en met 13 januari 2023 vast op 37,5% en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
AMS 23/708.
Artikel 2, eerste lid, van het Maatregelenbesluit.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit.
Artikel 45 van de Ziektewet.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.