Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:4383
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,695 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6674
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Barcelona (Spanje), eiseres,
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigden: mr. P.C. van der Voorn en mr. K. Verbeek).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (hierna: het Tijdelijk besluit).
Met het primaire besluit van 26 augustus 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025. Eiseres heeft hieraan via een digitale verbinding deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Totstandkoming van de besluiten
1. Op 25 november 1975 is Suriname onafhankelijk geworden van het Koninkrijk der Nederlanden. Vele rijksgenoten verlieten Suriname voor die datum om zich in Nederland te vestigen en zo de Nederlandse nationaliteit te behouden. Doordat hun Koninkrijksjaren in Suriname bij de opbouw van het AOW-pensioen niet worden meegerekend, hebben veel Nederlanders van Surinaamse herkomst geen volledige AOW kunnen opbouwen. Betrokkenen ervaren dit als een groot onrecht. Zij stellen dat zij rijksgenoten waren – gezien het gezamenlijke historische verleden van Nederland en Suriname en de vertaling daarvan in het Statuut van 1954 – en dat zij ten onrechte gelijk worden gesteld met andere migranten, die niet uit het Koninkrijk der Nederlanden afkomstig zijn. Zij vinden dat zij als tweederangsburgers worden behandeld en dat zij worden gediscrimineerd. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft met het Tijdelijk besluit als gebaar van erkenning aan een groep ouderen van Surinaamse herkomst een eenmalig bedrag van € 5.000,- per persoon beschikbaar gesteld.
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1944 in Suriname. Zij heeft van 16 augustus 1969 tot 5 december 1974 in Nederland gewoond. Daarna is eiseres teruggekeerd naar Suriname.
Eiseres heeft nadien in Nederland gewoond van 6 mei 1983 tot en met 4 december 1989 en van 13 juli 2006 tot begin 2017.
3. Eiseres heeft op [geboortedatum] 2009 de AOW-leeftijd bereikt. Verweerder heeft eiseres na haar aanvraag om een AOW-pensioen laten weten dat zij niet verzekerd is geweest van [geboortedatum] 1959 tot en met 15 augustus 1969, van 6 december 1974 tot en met 5 mei 1983 en van
5 december 1989 tot en met 12 juli 2006.
4. Eiseres heeft op 12 juli 2024 een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit aangevraagd. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder is bij het primaire besluit gebleven dat eiseres niet aan de voorwaarde voldoet dat zij voor 25 november 1975 naar Nederland moet zijn gekomen met het doel de Nederlandse nationaliteit te behouden omdat Suriname per die datum onafhankelijk werd. Het Tijdelijk besluit biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de regelgeving. De voorwaarde waar het hier om gaat berust op een bewuste politiek-bestuurlijke keuze; daarom kan geen beroep worden gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Als eiseres haar beroep op het gelijkheidsbeginsel nader onderbouwt met concrete voorbeelden kan verweerder dit onderzoeken.
Standpunt van eiseres
6. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Eiseres betwist niet dat zij op 25 november 1975 niet in Nederland woonde. Zij heeft aangevoerd dat zij indertijd wel van plan was geweest om in Nederland te blijven wonen maar dat zij als gevolg van ziekte van haar moeder in december 1974 genoodzaakt was naar Suriname terug te keren. Als gevolg van diverse gebeurtenissen (onder andere een echtscheiding, overlijden van haar moeder en eigen gezondheidsklachten ten gevolge van een ongeval) kon zij pas in 1983 naar Nederland terugkeren. Eiseres verzoekt verweerder om coulant te handelen. Zij heeft verder aangevoerd dat een vriendin van haar die in 1977 naar Nederland is gekomen wel in aanmerking is gebracht voor het eenmalige bedrag. Ter zitting heeft eiseres nog een ander voorbeeld genoemd.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. In artikel 3 van het Tijdelijk besluit zijn de vier voorwaarden voor de eenmalige tegemoetkoming geformuleerd. De aanvrager van de eenmalige tegemoetkoming dient aan al deze voorwaarden te voldoen om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming.
10. De voorwaarde waar het in de zaak van eiseres om gaat is de voorwaarde onder a:
Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel
11. Eiseres heeft aangevoerd dat haar twee gevallen bekend zijn van personen die evenmin op 25 november 1975 in Nederland woonden maar aan wie de tegemoetkoming wel is toegekend.
12. Verweerder heeft de bereidheid uitgesproken hier nader onderzoek naar te doen. Daarvoor is nodig dat eiseres concrete gegevens verstrekt over de haar bekende personen.
13. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat eiseres deze beroepsgrond onvoldoende heeft geconcretiseerd. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres, zoals zij ter zitting heeft meegedeeld, niet de persoonlijke gegevens van degenen die het betreft bekend wil maken, maar dit heeft wel als consequentie dat verweerder onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van gelijke gevallen. Verweerder heeft hierbij overigens ook terecht opgemerkt dat als zou blijken dat die andere personen ten onrechte het eenmalige bedrag hebben ontvangen, dit verweerder niet verplicht om ook in het geval van eiseres een onjuiste beslissing te nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet.
Het verzoek om coulance
14. Eiseres betwist niet dat zij op 25 november 1975 niet in Nederland woonde.
Zij heeft uiteengezet waarom zij niet aan die voorwaarde heeft kunnen voldoen en heeft verweerder verzocht om coulance.
15. Voor zover eiseres met dit verzoek heeft beoogd een beroep te doen op een hardheidsclausule, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In het Tijdelijk besluit is niet een dergelijke clausule opgenomen. Dat is een bewuste keuze van de regelgever geweest.
Voldoet het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel?
16. De rechtbank vat het verzoek van eiseres om coulance tevens aldus op dat zij vindt dat de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit in haar geval wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten zodat zij in aanmerking kan komen voor de toekenning van het eenmalig bedrag.
17. Op de zitting heeft verweerder over dit beginsel desgevraagd gezegd dat bij elk besluit tot afwijzing naar de individuele feiten en omstandigheden wordt gekeken en dat de evenredigheid bij de besluitvorming dus altijd wordt beoordeeld. Dat verweerder dat ook in dit geval heeft gedaan, is echter niet af te leiden uit het bestreden besluit. Verweerder heeft daarin weliswaar vastgesteld dat eiseres om coulance vraagt en hij heeft de omstandigheden van eiseres opgesomd, maar hij heeft niet concreet uitgelegd hoe de omstandigheden van eiseres zijn gewogen en waarom hij aan deze omstandigheden voorbij is gegaan. Verweerder heeft een eventuele onevenredigheid daarmee niet kenbaar beoordeeld. Daarom komt het bestreden besluit reeds wegens strijd met het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat geen beroep kan worden gedaan op het evenredigheidsbeginsel omdat de voorwaarde waar het hier om gaat berust op een bewuste politiek bestuurlijke keuze. Daarmee doelt verweerder kennelijk op de exceptieve toets van het Tijdelijk besluit.
18. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een algemeen verbindend voorschrift. In dat geval kunnen bijzondere omstandigheden maken dat toepassing van dit voorschrift in het voorliggende geval voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het hoger recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Voor de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel betekent dit dat uiteindelijk moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die ertoe leiden dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
19. De aanvraag van eiseres is afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij uiterlijk op 25 november 1975 naar Nederland is gekomen met het oog op de Toescheidingsovereenkomst. In het licht van het doel en de achtergrond van het Tijdelijk besluit ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorwaarde als zodanig niet zou mogen worden gesteld. Waar het op aankomt is of in het concrete geval van eiseres sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder haar niet mocht tegenwerpen dat zij niet aan de voorwaarde voldoet.
20. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de formulering van de voorwaarde in artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit.
21. De rechtbank stelt vast dat deze voorwaarde tweeledig is. Wie in aanmerking wil komen voor het eenmalige bedrag moet 1) uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland zijn komen wonen en 2) hij of zij moet hierbij het oog hebben gehad op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Een inwoner van Suriname had tot de onafhankelijkheid van Suriname de Nederlandse nationaliteit. Met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst verkregen inwoners van Suriname de Surinaamse nationaliteit en verloren zij het Nederlanderschap. In de Toescheidingsovereenkomst is bepaald dat wie vóór 25 november 1975 vanuit Suriname naar Nederland kwam, de Nederlandse nationaliteit zou behouden. Diverse personen zijn om die reden naar Nederland verhuisd. In de Nota van Toelichting bij het Tijdelijk besluit wordt vermeld dat in 1975, voor 25 november, ongeveer dertigduizend mensen welbewust gebruik maakten van de mogelijkheid om het Nederlanderschap te behouden door naar Nederland te vertrekken. De regeling is bedoeld voor deze groep mensen die kennelijk een welbewuste keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen en te opteren voor het behouden van de Nederlandse nationaliteit en de daarbij behorende rechten en plichten. De regeling is niet bedoeld voor Surinaamse ouderen die na de onafhankelijkheid naar Nederland zijn gekomen. Hiervoor is gekozen omdat deze groep niet direct heeft gehandeld toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd.
22. In aanloop naar de zitting heeft de rechtbank een aantal vragen gesteld aan verweerder, onder meer over de toetsing van voorwaarde a. Uit de antwoorden van verweerder op de zitting is gebleken dat verweerder alleen het eerste deel ‘uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland zijn komen wonen’ beoordeelt én dat hij dit beperkt uitlegt: alleen personen van wie op grond van gegevens in de bevolkingsadministratie duidelijk is dat zij óp 25 november 1975 in Nederland stonden ingeschreven voldoen volgens verweerder aan de eerste zinsnede van de voorwaarde onder a. Op de vraag van de rechtbank aan de hand van welke criteria verweerder vaststelt of de betrokkene naar Nederland is gekomen met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst heeft verweerder geantwoord dat die intentie niet wordt beoordeeld.
Conclusie
26. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Zij ziet aanleiding om zelf te voorzien en te bepalen dat verweerder eiseres in aanmerking brengt voor het eenmalige bedrag van € 5.000 op grond van het Tijdelijk besluit.
27. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder ook het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder eiseres in aanmerking brengt voor het eenmalige bedrag van € 5.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, voorzitter, en mr. E.M. Hansen-Löve en mr. M.C. Werner, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.
Dictum
griffier
voorzitter
(de voorzitter is verhinderd te tekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Dit volgt uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Paramaribo
Een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet