Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:406
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,952 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4899
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. Met een besluit van 6 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van de Catshuisregeling.
2. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 12 augustus 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift toegestuurd.
4. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Wat aan deze procedure voorafging
5. Eiseres heeft over de jaren 2005 tot en met 2010 kinderopvangtoeslag ontvangen. Zij heeft zich gemeld bij verweerder voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag om te zien of zij in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van de Catshuisregeling.
6. Met het primaire besluit heeft verweerder de zogenoemde ‘eerste of lichte toets’ uitgevoerd. Eiseres is in die eerste toets door verweerder vooralsnog niet aangemerkt als gedupeerde ouder en aan haar is dan ook geen forfaitaire compensatie van € 30.000,- (de Catshuisregeling) toegekend. Na de eerste toets volgt nog een definitieve toets, de integrale toets. De behandeling hiervan was ten tijde van de zitting in deze zaak nog niet afgerond.
7. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven. Er bestaat volgens verweerder geen recht op forfaitaire compensatie op grond van de eerste toets, nu in het geval van eiseres niet is gebleken dat sprake is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. De wijzigingen in de kinderopvangtoeslag van eiseres zijn namelijk enkel het gevolg van wijzigingen in het toetsingsinkomen van eiseres of door eiseres zelf doorgegeven wijzigingen over de opvang, zoals het aantal opvanguren of stopzetting van de opvang en zijn daarom verklaarbaar, aldus verweerder.
Beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiseres terecht (vooralsnog) niet heeft aangemerkt als gedupeerde ouder en haar terecht geen compensatie van € 30.000,- heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Ouders die gedupeerd zijn in het kader van door hen aangevraagde kinderopvangtoeslag hebben recht op herstel. Daarvoor bestaan verschillende regelingen. De Catshuisregeling is gemaakt om gedupeerde ouders sneller en ruimer te compenseren. In de zogeheten lichte of eerste toets wordt beoordeeld of degene die zich heeft aangemeld, recht heeft op herstel. Hierbij wordt gekeken of recht bestaat op een compensatie van
€ 30.000,-. Hiervoor moet sprake zijn van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid.
11. Eiseres vindt dat zij wel gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat zij recht heeft op een vergoeding op grond van de Catshuisregeling. Zij vindt ook dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om haar kant van het verhaal te doen. Verweerder vindt dat niet is gebleken van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid en dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar verhaal te kunnen doen.
12. De rechtbank begrijpt dat het hard voelt voor eiseres dat grote bedragen zijn teruggevorderd door verweerder. Het begrip bijzondere hardheid in het kader van de Wht ziet echter op de situatie waarbij voor een kleine vergissing grote gevolgen zijn toegebracht. Hiervan is in het geval van eiseres op basis van deze eerste toets geen sprake. De forse terugbetalingen waarmee eiseres is geconfronteerd, vinden zoals het nu lijkt hun oorsprong in aanpassingen van het toetsingsinkomen of het aantal afgenomen opvanguren. Dit is geen aanwijzing voor hardheid zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting bij de Wht. Uit deze toelichting blijkt dat van hardheid van het stelsel sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van dergelijke situaties was bij eiseres geen sprake.
13. Van institutionele vooringenomenheid is de rechtbank ook niet gebleken. Uit de stukken in het dossier blijkt namelijk niet dat eiseres (extra) in het vizier is gezet bij verweerder.
14. Verder is de rechtbank niet gebleken van een onzorgvuldig genomen besluit. Eiseres is telefonisch gehoord naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiseres het gevoel heeft gehad dat ze haar volledige verhaal niet heeft kunnen vertellen, omdat het lijkt of haar vooral veel is uitgelegd over de wijze waarop verweerder naar de jaren van de kinderopvangtoeslag heeft gekeken. Dat maakt echter nog niet dat verweerder niet aan de hoorplicht heeft voldaan. Bovendien betreft het hier een eerste toets en heeft eiseres in de aanloop naar de definitieve beoordeling haar verhaal wel uitgebreid kunnen doen bij de persoonlijk zaaksbehandelaar.
15. De rechtbank benadrukt dat er nog een definitieve toets volgt waarbij verweerder de betreffende jaren grondig zal bekijken. Gelet op wat de rechtbank ter zitting heeft gehoord, lijkt dat de rechtbank ook zeker nodig. De rechtbank vraagt daarbij met name aandacht voor de jaren 2007 en 2008.
16. Nu niet van institutionele vooringenomenheid of hardheid is gebleken in het kader van de eerste toets, heeft verweerder de forfaitaire compensatie van € 30.000,- naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.
Conclusie
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.7, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).