Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:4039
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,506 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2310
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
( [gemachtigde eiser] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Diemen, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] en mr. J. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de bestuurlijke boete die het college heeft opgelegd wegens het zonder een vergunning onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college aan eiser een bestuurlijke boete mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser te laat zijn beroepsschrift heeft ingediend. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 3 augustus 2023 heeft het college eiser een bestuurlijke boete opgelegd wegens een overtreding van de Huisvestingswet 2014 (Hw).
2.1.
Met het bestreden besluit van 24 november 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2025 op zitting behandeld tegelijk met het beroep van eiser met zaaknummer AMS 24/2309. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Toetsingskader
3. De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het beroep. Pas als het beroep ontvankelijk is, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift betrokkene niet kan worden toegerekend. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkheidverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. De dagtekening van het bestreden besluit is 24 november 2023. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze beslissing pas na die datum is verzonden, zodat 5 januari 2024 de laatste dag was voor het indienen van een beroepschrift. Eiser heeft op 5 april 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 24 november 2023. Dit is dus drie maanden na afloop van de beroepstermijn. Gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb is het beroepschrift daarmee te laat ingediend.
4.1.
De rechtbank heeft eiser met de brief van 24 april 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk te laten weten waarom eiser zijn beroep na afloop van de beroepstermijn hebt ingediend. De rechtbank heeft geen reactie van eiser ontvangen.
4.2.
Op zitting heeft eiser toegelicht dat hij in de veronderstelling was dat hij op tijd beroep heeft ingesteld. Eiser geeft aan dat hij in januari 2024 per e-mail beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Op zitting is afgesproken dat eiser tot het einde van de week (vrijdag 16 mei 2025) de gelegenheid krijgt om een afschrift van het e-mailbericht te sturen naar de rechtbank. De rechtbank heeft geen reactie van eiser ontvangen. De rechtbank is bij de griffie nagegaan of zij in januari 2024 een beroepsschrift van eiser per e-mail heeft ontvangen. Dit is niet het geval.
4.3.
Gelet op de te late indiening van het beroepschrift is het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is beoordeelt de rechtbank de zaak niet inhoudelijk.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.