Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:4002
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,900 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5963
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. Y.E.J. Geradts),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 16 september 2024 (het bestreden besluit) waarin het bezwaar tegen de invorderingskosten ongegrond is verklaard. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar de invorderingskosten heeft vernietigd.
2. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat dat hij verzoekt de proceskosten te begroten op nihil, aangezien de aanvullende gronden zijn ingediend nadat de invorderingskosten waren vernietigd.
3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. In de regel worden proceskosten vergoed, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Is de heffingsambtenaar aan verzoeker tegemoetgekomen?
6. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen en of er aanleiding bestaat voor een proceskosten vergoeding. De rechtbank vindt dat er in dit geval geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. De rechtbank maakt uit het dossier het volgende op. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de invorderingskosten ongegrond verklaard bij de uitspraak op bezwaar met kenmerk [kenmerk] gedateerd op 16 september 2024. Dit besluit is aan verzoeker gestuurd in plaats van aan diens gemachtigde. Uit het verweerschrift volgt dat verzoeker verder een ambtshalve vernietiging naheffingsaanslag heeft ontvangen die ook gedateerd is op 16 september 2024. Verzoeker heeft vervolgens op 19 september 2024 beroep ingesteld onder verwijzing naar een schrijven van 16 september 2024.
Op 22 oktober 2024 heeft de gemachtigde van verzoeker zich als gemachtigde gesteld. Op 23 oktober 2024 heeft de gemachtigde aanvullende gronden ingediend en het bestreden besluit meegestuurd, zijnde de uitspraak op bezwaar tegen de invorderingskosten van 16 september 2024 met kenmerk [kenmerk]. Op 8 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar een ambtshalve kennisgeving gestuurd naar de gemachtigde onder verwijzing naar voornoemd kenmerk. Daarin staat vermeld dat de heffingsambtenaar het dossier uitvoerig heeft bestudeerd en geconstateerd heeft dat er niet adequaat op de brieven van de gemachtigde is gereageerd, dat het gevraagde uitstel niet is verleend en dat er onnodig invorderingskosten in rekening zijn gebracht. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar ten onrechte besluiten naar verzoeker gestuurd in plaats van naar de gemachtigde. Er wordt 1 punt aan proceskosten bezwaar toegekend.
8. Voor zover de heffingsambtenaar meent dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen de ambtshalve vernietiging van 16 september 2024 volgt de rechtbank dat standpunt niet. Op verzoek van de rechtbank is als bestreden besluit de uitspraak op het bezwaar tegen de invorderingskosten opgestuurd. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat de ambtshalve vernietiging van 16 september 2024 een uitspraak op bezwaar betreft. Voor zover enige verwarring zou bestaan in het aanvankelijk door verzoeker ingediende beroepschrift dan is dat aan de heffingsambtenaar te wijten. Er is een veelheid aan besluiten gestuurd waarvan een deel ten onrechte aan verzoeker en niet aan zijn gemachtigde. Nu de beide besluiten bovendien zijn gedateerd op 16 september 2024 is het begrijpelijk dat verzoeker in beroep is gegaan, nu hij mocht aannemen dat zijn bezwaar ongegrond was verklaard.
9. De rechtbank stelt verder vast dat de heffingsambtenaar volledig aan verzoeker tegemoet is gekomen door te stellen dat de invorderingskosten onnodig zijn gemaakt en de proceskosten in bezwaar te vergoeden. In dit geval ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten in beroep. Uit de ambtshalve kennisgeving leidt de rechtbank af dat er op 8 oktober 2024 feitelijk sprake was van een volledige tegemoetkoming. Gelet op het vermelde kenmerk van de kennisgeving kan dit niet anders dan zien op het bestreden besluit van 16 september 2024. Voor zover de gemachtigde in het beroepschrift van 23 oktober 2024 stelt dat de kennisgeving op een soortgelijke kwestie en dus een andere procedure ziet, volgt de rechtbank haar daarin niet. Op het moment dat de gemachtigde zich 22 oktober 2024 stelde en op 23 oktober 2024 aanvullende gronden indiende, was al sprake van een volledige tegemoetkoming en bestond daarvoor geen noodzaak. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat er sprake is van kosten die (de gemachtigde van) verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken. In deze bijzondere omstandigheden ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de proceskostenvergoeding af te wijzen.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
10. Omdat verzoeker terecht beroep in heeft gesteld, wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.